Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2004:AO7168

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
02-04-2004
Datum publicatie
07-04-2004
Zaaknummer
BK 1689/02 Omzetbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

3.1. In geschil is de vraag of de onderhavige naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:7
Algemene wet bestuursrecht 6:9
Algemene wet bestuursrecht 6:11
Algemene wet inzake rijksbelastingen 26
Algemene wet inzake rijksbelastingen 26c
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2004/32.1.2
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 1689/02 02 april 2004

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, tweede meervoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid ondernemingen van de belastingdienst te Groningen (hierna: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van de belanghebbende tegen de hem opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting voor de periode 1994 tot en met 1997.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan de belanghebbende is voor de periode 1 januari 1994 tot en met 31 december 1997 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd ten bedrage van ƒ 37.698,--.

1.2. Op het tijdig ingediende bezwaar van de belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van 9 april 2001 de naheffingsaanslag verminderd tot een bedrag van ƒ 32.176,--.

1.3. Belanghebbendes gemachtigde heeft op 27 juli 2001 een op diezelfde datum gedagtekende brief aan de inspecteur overhandigd. Deze brief heeft het gerechtshof aangemerkt als beroepschrift tegen de onder punt 1.2 bedoelde uitspraak.

1.4. De inspecteur heeft op 8 juli 2002 een verweerschrift (met bijlagen) ingediend bij het gerechtshof

1.5. Op 9 augustus 2002 is van de zijde van de belanghebbende een brief (met bijlagen) ingekomen bij het gerechtshof.

1.6. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van het gerechtshof op 7 januari 2004, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig waren de heer A en belanghebbendes gemachtigde, alsmede de inspecteur. Ter zitting zijn gezamenlijk met de onderhavige zaak behandeld de zaken met de kenmerken 1686/02, 1687/02, 1688/02 en 1690/02.

1.7. Ter voormelde zitting heeft de inspecteur de door hem ter zitting voorgedragen pleitnota overgelegd.

1.8. Het gerechtshof heeft in deze zaak op 21 januari 2004 in het openbaar mondeling uitspraak gedaan, waarvan het proces-verbaal bij aangetekend schrijven, ter post bezorgd op 4 februari 2004, aan partijen is verzonden.

1.9. Bij schrijven ingekomen op 26 februari 2004 heeft de belanghebbende op de wijze als bedoeld in artikel 27d van de Algemene wet rijksbelastingen verzocht vorenbedoelde uitspraak te vervangen door een schriftelijke.

1.10. De griffier heeft de belanghebbende bij aangetekend schrijven, ter post bezorgd op 2 maart 2004, gewezen op het verschuldigde griffierecht en de belanghebbende heeft vervolgens op 11 maart 2004 dat griffierecht voldaan.

1.11. Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten:

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:

2.1. Met dagtekening 27 december 1999 heeft de inspecteur aan de belanghebbende een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd voor de periode 1 januari 1994 tot en met 31 december 1997.

2.2. Op het op 10 januari 2000 bij de inspecteur ingekomen bezwaarschrift van de belanghebbende heeft de inspecteur uitspraak gedaan. Deze uitspraak is gedagtekend 9 april 2001 en voorzien van een rechtsmiddelenverwijzing.

2.3. Op 27 juli 2001 heeft belanghebbendes gemachtigde een op diezelfde datum gedagtekende brief aan de inspecteur overhandigd. De inspecteur heeft deze brief aangemerkt als beroepschrift.

3. Het geschil en de standpunten van partijen

3.1. In geschil is de vraag of de onderhavige naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.

3.2. De belanghebbende is van mening dat de naheffingsaanslag ten onrechte, dan wel tot een te hoog bedrag is opgelegd.

3.3. De inspecteur houdt vast aan de juistheid van de opgelegde naheffingsaanslag.

3.4. Voor een uitgebreide weergave van de standpunten van partijen en de gronden waarop deze berusten verwijst het gerechtshof naar de van partijen afkomstige stukken alsmede het proces-verbaal van de zitting.

4. De overwegingen omtrent het geschil

4.1. Ingevolge de artikelen 6:7 en 6:9 van de Algemene wet bestuursrecht (: Awb) juncto de artikelen 26 en 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen kan tegen een uitspraak van de inspecteur op een bezwaarschrift binnen zes weken na dagtekening van die uitspraak beroep worden ingesteld bij het gerechtshof.

4.2. De uitspraak op het bezwaarschrift is gedagtekend 9 april 2001 en - naar de gemachtigde van de belanghebbende ter zitting desgevraagd heeft verklaard - voorzien van een rechtsmiddelenverwijzing. Op 27 juli 2001 heeft belanghebbendes gemachtigde een op diezelfde datum gedagtekende brief aan de inspecteur overhandigd. Met de inspecteur merkt het gerechtshof deze brief aan als beroepschrift. Dit beroepschrift is evenwel eerst ruim na het verstrijken van de onder punt 1 bedoelde termijn ingediend bij een onbevoegd orgaan. Deze termijnoverschrijding dient reeds tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep te leiden, tenzij - naar volgt uit artikel 6:11 van de Awb - redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de belanghebbende in verzuim is geweest. De belanghebbende heeft evenwel geen feiten en omstandigheden gesteld die zouden kunnen leiden tot een dergelijk oordeel.

4.3. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het gerechtshof de belanghebbende niet kan ontvangen in zijn beroep. Het gerechtshof komt dus niet toe aan een beoordeling van de inhoudelijke geschilpunten.

4.4. Het gerechtshof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.

5. De beslissing

Het gerechtshof verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld op 2 april 2004 door mrs. Pruiksma, vice-president als voorzitter, Drion en Huiskes, raadsheren, en op die dag in het openbaar uitgesproken te Leeuwarden door mr. Drion in tegenwoordigheid van de griffier mr. Hiemstra en ondertekend door mr. Drion en voornoemde griffier.

Op 7 april 2004 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.