Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2004:AO7166

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
02-04-2004
Datum publicatie
07-04-2004
Zaaknummer
BK 2046/02 Inkomstenbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

3.1 In geschil is het antwoord op de vraag of het arbeidskostenforfait behorend bij inkomsten uit vroegere arbeid terecht door de inspecteur is toegepast.

Wetsverwijzingen
Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 11
Wet op de loonbelasting 1964 10
Wet op de loonbelasting 1964 34
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2004-0696
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Nr. BK 2046/02 2 april 2004

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, zesde enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van de heer X te Z tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid Particulieren van de belastingdienst te Leeuwarden (hierna: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van de belanghebbende tegen de hem opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premieheffing volksverzekeringen over het jaar 2000.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Met dagtekening 10 oktober 2002 is over het jaar 2000 een aanslag inkomstenbelasting/premieheffing volksverzekeringen (hierna: de aanslag) vastgesteld. De aanslag is berekend naar een belastbaar inkomen van f 59.546,-.

1.2 De belanghebbende heeft hiertegen tijdig een bezwaarschrift ingediend.

1.3 Bij brief met dagtekening 19 november 2002 kondigt de inspecteur aan dat hij het bezwaar ongegrond zal verklaren. Bij uitspraak van 20 november 2002 is het bezwaar van de belanghebbende ongegrond verklaard.

1.4 Het beroepschrift (met bijlage) van de belanghebbende is op 28 november 2002 ter griffie van het hof ingekomen. Bij een op 5 december 2002 ingekomen brief heeft de belanghebbende zijn beroepschrift aangevuld met een afschrift van de uitspraak op bezwaar.

1.5 De inspecteur heeft een op 5 februari 2003 ingekomen verweerschrift (met bijlagen) ingediend.

1.6 Bij brieven ingekomen ter griffie op 16 januari en 27 januari 2004 heeft de belanghebbende aangegeven dat hij niet bij de mondelinge behandeling aanwezig zal zijn. Voorts heeft hij in deze brieven een toelichting gegeven op zijn zaak.

1.7 Bij de mondelinge behandeling van de zaak op 30 januari 2004 waren aanwezig de inspecteur, bijgestaan door de heer A. De belanghebbende is met kennisgeving niet verschenen.

1.8 Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten.

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast.

2.1 De belanghebbende is geboren op 8 februari 19.. en ongehuwd.

Hij is 100% arbeidsongeschikt en ontvangt vanaf zijn 57e jaar van zijn ex-werkgever een VUT-uitkering met inbouw van een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (hierna: WAO). Het recht op uitkeringen ingevolge de WAO is door de belanghebbende gecedeerd aan zijn ex-werkgever.

2.2 Het bruto jaarinkomen 2000 van belanghebbende bestaat uit een bedrag van f. 61.618,--, welke inkomsten onder de noemer 'pensioen, lijrente' werden ontvangen van B BV (hierna: B). De inhoudingen bedragen in totaal f. 19.431,--. Volgens de jaaropgaaf voor de inkomsten 2000 van B is voor de berekeningen van de inhoudingen de groene tabel toegepast.

2.3 Op grond van artikel 10 van de CAO Verzekeringsbedrijf en de (aanvullende) arbeidsvoorwaarden vult B als ex-werkgever van de belanghebbende de WAO-uitkering aan tot het nettosalaris en de netto vakantietoeslag die de belanghebbende bij volledige arbeidsgeschiktheid zou hebben ontvangen en het dienstverband niet zou zijn beëindigd.

2.4 Voor het jaar 2000 heeft de belanghebbende aangifte gedaan naar een belastbaar inkomen van f 57.081,-. De in deze aangifte opgenomen beroepskostenaftrek ad f 3.538,- is daarbij met f 2.465,- gecorrigeerd en verminderd tot op f 1.073,-, zijnde het bedrag van het arbeidskostenforfait behorend bij inkomsten uit vroegere arbeid.

3. Het geschil en de standpunten van partijen

3.1 In geschil is het antwoord op de vraag of het arbeidskostenforfait behorend bij inkomsten uit vroegere arbeid terecht door de inspecteur is toegepast.

3.2 De belanghebbende stelt dat over het jaar 2000 een verlaagd salaris is ontvangen waarover pensioenpremie is betaald, zodat sprake is van inkomsten uit tegenwoordige arbeid en ten onrechte het arbeidskostenforfait van inkomsten uit vroegere arbeid is toegepast. Tevens stelt de belanghebbende in zijn brieven van 16 en 27 januari 2004 dat de aanslag over 2000 inmiddels drie jaren is verjaard gelet op het feit dat zijn pensioen, dat mede is gebaseerd op het jaar 2000 en dus op inkomsten uit tegenwoordige arbeid, op 1 februari 2001 is ingegaan.

3.3 De inspecteur stelt zich op het standpunt dat het door de ex-werkgever betaalde bedrag, bestaande uit een WAO-uitkering en een aanvulling daarop wegens volledige arbeidsongeschiktheid, inkomsten uit vroegere arbeid zijn, zodat het arbeidskostenforfait van f. 1.073,- terecht is toegepast.

3.4 Voor een uitgebreidere weergave van de standpunten van de partijen verwijst het hof naar de van partijen afkomstige stukken.

4. De overwegingen omtrent het geschil.

4.1 Artikel 37, eerste lid, van de Wet op de Inkomstenbelasting 1964 bepaalt dat het bedrag van de op de inkomsten uit arbeid betrekking hebbende aftrekbare kosten wordt gesteld op een forfaitair bedrag. De hoogte van dit forfaitaire bedrag wordt bepaald door de aanwezigheid van inkomsten uit tegenwoordige arbeid of van inkomsten uit vroegere arbeid.

4.2 Het derde lid van voornoemd artikel bepaalt - voor zover hier van belang - dat voor de toepassing van het eerste lid inkomsten genoten wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid, anders dan ingevolge de WAO, worden gelijk gesteld met inkomsten uit tegenwoordige arbeid.

4.3 Op basis van voormelde uitzondering voor de uitkering

ingevolge de WAO is het gerechtshof van oordeel dat het gedeelte van de inkomsten in 2000 van belanghebbende, dat betrekking heeft op de WAO, geen inkomsten is uit tegenwoordige arbeid maar inkomsten is uit vroegere arbeid. Hieraan doet naar het oordeel van het gerechtshof niet af de omstandigheid dat de WAO-uitkering aan de belanghebbende wordt uitbetaald door zijn ex-werkgever. Het bepaalde in de artikelen 10 en 34 van de Wet op de loonbelasting 1964 jo artikel 11 van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965, alsmede toepassing van de groene tabel door B is hiermee in overeenstemming.

4.4 Krachtens artikel 10 van de CAO voor het Verzekeringsbedrijf en de (aanvullende) arbeidsvoorwaarden van B vult de ex-werkgever de WAO-uitkering van de belanghebbende in casu aan tot het netto salaris en de netto vakantietoeslag die belanghebbende bij volledige arbeidsgeschiktheid zou hebben ontvangen en zijn dienstverband niet zou zijn beëindigd (hierna: bovenwettelijke aanvulling).

4.5 Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is voor het onderscheid tussen loon uit tegenwoordige dienstbetrekking en loon uit vroegere dienstbetrekking bepalend of uitkeringen ten nauwste verband houden met bepaalde verrichte arbeid of met in een bepaald tijdvak verrichte arbeid, dan wel die uitkeringen meer algemeen hun oorzaak vinden in het voorheen verricht zijn van arbeid. Naar het oordeel van het hof houdt de bovenwettelijke aanvulling niet ten nauwste verband met bepaalde verrichte arbeid of met in een bepaald tijdvak verrichte arbeid, zodat ook ten aanzien van deze bovenwet-telijke aanvulling sprake is van loon uit vroegere dienstbetrekking.

4.6 Gelet op voorgaande heeft de inspecteur - nu niet gebleken is van hogere kosten - terecht het arbeidskostenforfait van inkomsten uit vroegere arbeid ad f. 1.073,-- toegepast.

4.7 Voor zover de belanghebbende met zijn beroep op verjaring heeft beoogd te stellen dat de aanslag niet tijdig is opgelegd, merkt het hof op dat de aanslag is gedagtekend 10 oktober 2002, derhalve vóór het verstrijken van de aanslagtermijn van artikel 11, derde lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, zodat de aanslag tijdig door de inspecteur is opgelegd. Het beroep op verjaring kan de belanghebbende naar het oordeel van het gerechtshof derhalve niet baten.

5. De conclusie

Het vorenoverwogene leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond is.

6. De proceskosten

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. De beslissing.

Het hof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld op 2 april 2004 door mr. Van der Meer, raadsheer en voorzitter van de zesde enkelvoudige belastingkamer en in het openbaar op voornoemde datum te Leeuwarden uitgesproken door voornoemde voorzitter, in tegenwoordigheid van de griffier mr. Thomas en ondertekend door voornoemde voorzitter, zijnde voornoemde griffier buiten staat te tekenen.

Op 7 april 2004 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.