Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2004:AO7165

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
02-04-2004
Datum publicatie
07-04-2004
Zaaknummer
BK 742/02 WOZ
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Partijen twisten over de waarde van de onroerende zaak naar de waardepeildatum 1 januari 1999.

Wetsverwijzingen
Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten 26
Wet waardering onroerende zaken 17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2004/1059
FutD 2004-0693
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Nr. BK 742/02 2 april 2004

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, zesde enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van de heer X te Z tegen de uitspraak van heffingsambtenaar van de gemeente Wymbritseradiel (hierna: de ambtenaar), gedaan op het bezwaarschrift van de belanghebbende tegen de ten aanzien van hem genomen beschikking ingevolge de Wet waardering onroerende zaken

(hierna: Wet woz).

1. Ontstaan en loop van het geding.

1.1 Ingevolge de Wet woz heeft de ambtenaar de waarde met

betrekking tot de onroerende zaak a-straat 30 te Z, waarvan de belanghebbende eigenaar en/of gebruiker is (hierna: de onroerende zaak), vastgesteld bij beschikking onder nummer 0000, gedateerd 31 maart 2001. Daarbij is de waarde vastgesteld op f 424.000,-, zijnde € 192.402,-.

1.2 Tegen deze beschikking heeft belanghebbende een op 1 april 2001 gedagtekend bezwaarschrift ingediend. Bij de uitspraak waarvan beroep, met dagtekening 13 februari 2002, is het bezwaar van de belanghebbende ongegrond verklaard en de bovenvermelde waarde gehandhaafd.

1.3 Het beroepschrift (met bijlagen) is 22 maart 2002 ter griffie van

het hof ingekomen.

1.4 De ambtenaar heeft een op 4 juni 2002 ingekomen verweerschrift (met bijlagen) ingediend.

1.5 Bij een op 16 juli 2002 bij het hof ingekomen brief heeft de belanghebbende een conclusie van repliek ingediend. Bij een op 8 augustus 2002 bij het hof ingekomen brief heeft de ambtenaar een conclusie van dupliek ingediend.

1.6 Bij de mondelinge behandeling van de zaak op 27 mei 2003, gehouden te Leeuwarden, waren aanwezig de belanghebbende, ter bijstand vergezeld door de heren A en B en namens de ambtenaar de heer C, bijgestaan door de heer D, makelaar-taxateur bij E B.V. te L.

1.7 Het gerechtshof heeft vervolgens het vooronderzoek heropend en de ambtenaar verzocht schriftelijke inlichtingen te verstrekken. Bij een op 22 juli 2003 ingekomen brief (met bijlagen), heeft de ambtenaar de gevraagde inlichtingen verstrekt.

1.8 Bij een op 1 augustus 2003 ingekomen brief is namens de belanghebbende gereageerd op de door de ambtenaar verstrekte inlichtingen.

1.9 Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft de ambtenaar bij een op 15 september 2003 bij het hof ingekomen brief nadere inlichtingen verstrekt.

1.10 Vervolgens heeft op 30 januari 2004 een nadere mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Bij deze nadere mondelinge behandeling, gehouden te Leeuwarden, waren aanwezig de belanghebbende, ter bijstand vergezeld door de heer A, alsmede namens de ambtenaar de heer C, bijgestaan door de heer D, makelaar-taxateur bij E B.V. te L. Bij de nadere mondelinge behandeling heeft de belanghebbende een pleitnota en - zonder bezwaar van de ambtenaar - een groot aantal bijlagen overgelegd en voorgedragen.

1.11 Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten.

Op grond van de gedingstukken en het ter zitting verhandelde staat tussen de partijen als niet, dan wel onvoldoende weersproken het volgende vast.

2.1 Bij beschikking van 31 maart 2001 is door de ambtenaar ten aanzien van de onroerende zaak de waarde vastgesteld op f 424.000,-, zijnde € 192.402,-. De beschikking geldt voor het tijdvak 1 januari 2001 tot en met 31 december 2004. De peildatum is 1 januari 1999.

2.2 De onroerende zaak is gelegen in het plan 'F' aan de a-straat te . In het plan 'F' zijn 33 woningen van het type Welle en 98 woningen van het type Wâld gebouwd. De onroerende zaak, behorend tot het type Wâld, is gelegen op een kavel met een oppervlakte van circa 308m2 en heeft als bijgebouw een garage/berging van 30m2.

3. Het geschil en de standpunten van partijen.

3.1 Partijen twisten over de waarde van de onroerende zaak naar de waardepeildatum 1 januari 1999.

3.2 De belanghebbende stelt dat de waarde van de onroerende zaak te hoog is vastgesteld. Hij stelt dat de ambtenaar bij de taxatie ten onrechte de vergelijkingsmethode heeft gehanteerd, omdat de onroerende zaak eigendom is van de eerste eigenaar. Tevens stelt de belanghebbende dat de door de ambtenaar gehanteerde taxatieverslagen te summier zijn en dat tussen de taxaties van gelijke woningen aanzienlijke verschillen bestaan, zodat sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel. Tot slot stelt de belanghebbende dat taxatie en hertaxatie niet door één en hetzelfde taxatiebureau mag geschieden.

3.3 De ambtenaar stelt dat de eindwaarde van de onroerende zaak juist is vastgesteld en dat de vergelijkingsmethode terecht is toegepast. Ter onderbouwing van deze waarde heeft hij als bijlage bij zijn verweerschrift een taxatierapport overgelegd. Het taxatieverslag voldoet volgens de ambtenaar aan de op grond van artikel 6 van de Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet woz (hierna: de Uitvoeringsregeling) minimaal te verstrekken gegevens. Zijns inziens heeft zowel de taxatie als de hertaxatie op een objectieve wijze plaatsgevonden. Tot slot erkent de ambtenaar dat bij de waardering fouten zijn gemaakt, maar stelt hij dat sprake is van incidentele fouten en dat het gros van de woningen in het onder 2.2 bedoelde plan door de gemeente goed is gewaardeerd en dat geen sprake is van een begunstigend beleid.

3.4 Voor een uitgebreidere weergave van de standpunten van de partijen verwijst het hof naar de van partijen afkomstige stukken.

4. De overwegingen omtrent het geschil:

4.1 Zoals blijkt uit het bepaalde in de artikelen 17 en 18, eerste lid van de Wet woz wordt de waarde bepaald op de waarde die per 1 januari 1999 aan de onderwerpelijke onroerende zaak dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen (hierna: de waarde in het economisch verkeer).

4.2 Ingevolge artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van de Uitvoeringsregeling wordt de in artikel 17, tweede lid, van de Wet woz bedoelde waarde voor woningen onder meer bepaald door middel van een methode van vergelijking met referentieobjecten (de zogenaamde 'vergelijkingsmethode').

4.3 Op de ambtenaar rust - bij betwisting - de last aannemelijk te maken dat de waarde per 1 januari 1999 - met inachtneming van de Wet woz - niet hoger is vastgesteld dan de waarde in het economisch verkeer per genoemde datum. Ter onderbouwing van de door de ambtenaar vastgestelde waarde heeft hij als bijlage bij het verweerschrift een taxatierapport overgelegd. Blijkens dit taxatierapport is de onroerende zaak getaxeerd aan de hand van de onder punt 4.2 bedoelde vergelijkingsmethode. De daarbij opgevoerde percelen vormen een redelijke afspiegeling van de markt ten tijde van de peildatum 1 januari 1999. De verschillen tussen deze vergelijkingspercelen en belanghebbendes onroerende zaak (in onder meer inhoud, kaveloppervlakte en bijgebouwen) zijn in het onderwerpelijke taxatierapport voldoende tot uitdrukking gebracht. Naar het oordeel van het hof is de ambtenaar, gelet op het goed onderbouwde taxatierapport, in de op hem rustende bewijslast geslaagd. De omstandigheid dat het in een eerdere fase verstrekte taxatieverslag summier is, kan niet tot een ander oordeel leiden. Overigens merkt het hof ten aanzien van dit laatste punt op dat het aan de belanghebbende verstrekte taxatieverslag voldoet aan het bepaalde in artikel 6 van de Uitvoeringsregeling.

4.4 Anders dan de belanghebbende meent is, gelet op het onder 4.1 en 4.2 bepaalde, de vergelijkingsmethode terecht toegepast. Dat de onderwerpelijke onroerende zaak nog immer eigendom is van de eerste eigenaar kan daaraan niet afdoen.

4.5 Dat de taxaties in de verschillende fasen van de procedure zijn uitgevoerd door deskundige taxateurs van hetzelfde taxatiebureau is naar het oordeel van het gerechtshof geen beletsel om van de juistheid van die taxaties uit te gaan.

4.6 Wat betreft belanghebbendes beroep op het gelijkheidsbeginsel overweegt het gerechtshof als volgt. Uit de feiten en hetgeen partijen dienaangaande hebben gesteld blijkt dat belanghebbendes onroerende zaak deel uitmaakt van een groep van 98 vergelijkbare woningen en dat ten aanzien van een deel van deze woningen de waarde, in verhouding tot de waarde van belanghebbendes onroerende zaak, laag is vastgesteld. Gelet op de namens de ambtenaar gegeven uitleg over de procedure inzake de waarde-vaststelling en de overgelegde lijst van alle woningen (inclusief grondoppervlakte, inhoud, bijgebouwen en woz-waarde) in het plan 'F', is het hof van oordeel dat geen sprake is geweest van een door de ambtenaar gevoerd beleid dat voor sommige belastingplichtigen een begunstiging inhield en waarvan in belanghebbendes geval is afgeweken. Belanghebbende heeft dienaangaande ook niets gesteld dat een ander oordeel rechtvaardigt. Op grond van voornoemde lijst is het hof tevens van oordeel dat in casu sprake is geweest van incidentele taxatiefouten en dat in de meerderheid van vergelijkbare gevallen de waardevaststelling op een juiste wijze heeft plaatsgevonden. Weliswaar kan de belanghebbende worden nagegeven dat er veel incidentele fouten zijn gemaakt, maar met al hetgeen hij dienaangaande heeft aangevoerd wordt niet de hiervoor bedoelde meerderheidsregel geschonden. Belanghebbendes beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt derhalve.

4.7 Anders dan de belanghebbende meent, kan de omstandigheid dat de gemeente - wat hier ook van zij - niet is geslaagd in haar voornemen om de belastingdruk na invoering van de Wet woz op hetzelfde niveau te houden, aan het vorenstaande niet afdoen.

4.8 Het vorenoverwogene leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond is.

5. De proceskosten

Het gerechtshof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het gerechtshof verklaart het beroep ongegrond

Aldus vastgesteld op 2 april 2004 door mr. Van der Meer, raadsheer en voorzitter van de zesde enkelvoudige belastingkamer, en in het openbaar op voornoemde datum te Leeuwarden uitgesproken door voornoemde voorzitter, in tegenwoordigheid van de griffier mr. Thomas en ondertekend door voornoemde voorzitter, zijnde voornoemde griffier buiten staat te tekenen.

Op 7 april 2004 afschrift

aangetekend verzonden aan beide

partijen.