Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2004:AO6217

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
19-03-2004
Datum publicatie
24-03-2004
Zaaknummer
BK 1055/02 Inkomstenbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is het antwoord op de vraag of de door belanghebbende opgevoerde kosten van de werkruimte en de afscheidsreceptie als aftrekbare beroepskosten zijn aan te merken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2004/29.1.5
FutD 2004-0577
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 1055/02 19 maart 2004

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, zesde enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst Particulieren Groningen, vestiging Assen (hierna: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hem voor het jaar 2000 in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegde aanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Voor het jaar 2000 is aan belanghebbende in de inkomsten-belasting/premie volksverzekeringen een aanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 95.079,--.

1.2 Op het tijdig ingediende bezwaarschrift van belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak, gedagtekend 15 april 2002 de onder punt 1.1 bedoelde aanslag gehandhaafd.

1.3 Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij beroepschrift (met bijlagen), dat op 22 april 2002 is ingekomen bij de griffie.

1.4 Ter griffie is op 25 juli 2002 een verweerschrift (met bijlagen) van de inspecteur ontvangen, waarop door belanghebbende op 31 juli 2002 een conclusie van repliek is genomen. Op 26 augustus 2002 heeft de inspecteur een conclusie van dupliek aan het hof doen toekomen. Op 29 april 2003 heeft belanghebbende nog een schriftelijke aanvulling op de conclusie van repliek gegeven. Voorafgaande aan de mondelinge behandeling van de zaak, heeft het hof van belanghebbende op 9 december 2003 nog een laatste aanvullende reactie (met bijlagen) ontvangen.

1.5 De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van het hof op 13 januari 2004, gehouden te Groningen, alwaar belanghebbende en de inspecteur in persoon zijn verschenen. Ter zitting heeft de inspecteur een pleitnota voorgelezen en aan het hof overgelegd.

1.6 Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:

2.1 Belanghebbende, geboren op 2 juli 1935, is tot zijn pensionering op 1 augustus 2000 werkzaam geweest als universitair hoofddocent aan A. In het jaar 2000 had belanghebbende geen werkruimte bij deze werkgever A, maar had hij in zijn eigen woning een werkruimte ingericht. Zijn werkzaamheden werden vanaf 1994 tot 2000 gedeeltelijk verricht aan enkele universiteiten in Duitsland. Sinds zijn pensionering is belanghebbende nog werkzaam als promotor aan de universiteit van B in Duitsland.

2.2 Belanghebbende heeft in het jaar 2000 de volgende inkomsten genoten:

A f 73.608,--

ABP pensioen ƒ 36.032,--

SVB AOW ƒ 1.214,--

C pensioen ƒ 1.244,-- +

Totaal ƒ 112.098,--

2.3 Belanghebbende heeft voor het jaar 2000 aangifte inkomstenbelas-ting/premie volksverzekeringen gedaan naar een belastbaar inkomen van ƒ 89.999,--. Met dagtekening van 20 februari 2000 heeft de inspecteur hierop enkele correcties aangebracht en de aanslag vastgesteld op ƒ 95.079,--. Deze correcties hielden verband met de bijtelling door belanghebbende van beroepskosten wegens kosten werkruimte van ƒ 2.460,--, kosten afscheidsreceptie van ƒ 2.570,--, terwijl door de verhoging van het onzuiver inkomen de drempel van de giftenaftrek eveneens is gewijzigd en het drempelbedrag dientengevolge is verhoogd met ƒ 50,--.

2.3 Bij de bestreden uitspraak is de aanslag gehandhaafd.

3. Het geschil en de standpunten van partijen

3.1 In geschil is het antwoord op de vraag of de door belanghebbende opgevoerde kosten van de werkruimte en de afscheidsreceptie als aftrekbare beroepskosten zijn aan te merken.

3.2 Met betrekking tot de kosten van de werkkamer is belanghebbende van mening dat deze kosten tot de aftrekbare kosten behoren, omdat geen verschil moet worden gemaakt tussen inkomen uit tegenwoordige en vroegere arbeid. De werkkamer was volgens belanghebbende bovendien noodzakelijk in verband met de voorbereidingen voor zijn hernieuwde werkzaamheden als hoogleraar in B waar hij in 2001 is aangetreden. Voorts heeft belanghebbende aangevoerd de werkkamer nodig te hebben gehad om lopende zaken van zijn voormalige werkgever A af te ronden. Belanghebbende stelt zich verder op het standpunt dat de kosten van de afscheidsreceptie in restaurant "D" tot de aftrekbare beroepskosten behoren omdat hij slechts de kosten van de buitenlandse gasten in aftrek heeft opgevoerd. Voor zover het hof dat standpunt niet deelt, is belanghebbende subsidiair van mening dat de kosten van huur van de locatie in aftrek moeten worden toegelaten.

3.3 De inspecteur heeft belanghebbendes grieven gemotiveerd bestreden.

3.4 Voor een meer uitvoerige weergave van de standpunten van partijen verwijst het hof naar de gedingstukken.

4. De overwegingen omtrent het geschil

Ten aanzien van de aftrek van de werkkamerkosten

4.1 In artikel 36, eerste lid, aanhef en onderdeel b onder 2º van de Wet inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) is bepaald dat tot de aftrekbare kosten van de belastingplichtige niet behoren kosten die verband houden met de werkruimte in de woning, indien, ingeval hij niet tevens soortgelijke werkruimte buiten die woning ter beschikking heeft, hij het gezamenlijke bedrag van zijn inkomsten uit arbeid en winst uit onderneming niet hoofdzakelijk in of vanuit de werkruimte in die woning verwerft of niet in belangrijke mate in de werkruimte in die woning verwerft.

In deze bepaling wordt onder "hoofdzakelijk" verstaan dat tenminste 70% van het gezamenlijk bedrag aan inkomsten uit arbeid in of vanuit de werkruimte in belanghebbendes woning moet worden verworven om voor aftrek van kosten van de werkruimte in aanmerking te komen.

4.2 Tot de inkomsten uit arbeid behoren alle onder punt 2.2. opgesomde inkomsten, dus zowel de inkomsten uit tegenwoordige arbeid van A, als de inkomsten uit vroegere arbeid zijnde de inkomsten uit pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) en de ABP-, en C-pensioenuitkeringen. Om voor voormelde aftrek in aanmerking te komen moet belanghebbende het gezamenlijke bedrag van zijn inkomsten uit arbeid -waartoe blijkens de wetsgeschiedenis ook moeten worden gerekend inkomsten uit vroegere arbeid- hoofdzakelijk in of vanuit de werkruimte in zijn woning hebben verworven. Aan die eis heeft belanghebbende naar het oordeel van het hof niet voldaan. Immers belanghebbende heeft van het gezamenlijke bedrag van zijn inkomsten uit arbeid van ƒ 112.098,-- in het jaar 2000 slechts ƒ 73.608,-- in of vanuit zijn werkruimte in de woning verworven wegens werkzaamheden aan A. Dit is minder dan 70% van f 112.098,- (ƒ 78.468,--). Anders dan de belanghebbende meent kan van de pensioenen niet worden gezegd dat zij in óf vanuit de werkruimte zijn verworven.

De door belanghebbende in zijn brief van 7 december 2003 aangehaalde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 16 mei 2003 (02/2157 AW, LJN: AN8626), gepubliceerd in TAR 2003, 158) is niet in strijd met vorenoverwogene; de AOW-uitkering behoort immers tot de inkomsten uit arbeid, maar wordt niet in of vanuit de werkruimte verworven.

4.3 Dat belanghebbende de werkkamer na zijn pensioen heeft gebruikt om lopende zaken af te werken en zich voor te bereiden op zijn werkzaamheden als hoogleraar in Duitsland in 2001 kunnen naar het oordeel van het hof ook niet als omstandigheden worden aangemerkt op grond waarvan belanghebbende in aanmerking kan komen voor aftrek voor de werkruimte in zijn woning.

Dergelijke activiteiten kunnen blijkens het arrest van de Hoge Raad van 27 april 1994, nr. 29 841, (BNB 1994/333) alleen maar tot aftrek voor de werkruimte leiden, indien daarbij is voldaan aan de eis, dat tegenover deze activiteiten een geldelijke beloning heeft gestaan. Daarvan is in het geval van belanghebbende -naar hij desgevraagd ter zitting heeft bevestigd- geen sprake geweest. Het hof overweegt in dit verband nog dat het arrest van de Hoge Raad van 17 april 1991, nr. 27 014 (BNB 1991/191) -waarin werd beslist, dat kosten, na beëindiging van een dienstbetrekking gemaakt voor zonder geldelijke beloning verrichte activiteiten, als aftrekbare kosten kunnen worden aangemerkt indien de beëindigde dienstbetrekking voor de belastingplichtige met zich brengt dat hij zich redelijkerwijs, in het bijzonder in het belang van zijn voormalige werkgever, niet aan het maken van kosten kon onttrekken- en van de Hoge Raad van 11 september 1991, nr. 27.593, vorenstaande niet anders maakt omdat laatstgenoemde arresten de toepassing van artikel 35 van de Wet betreffen en niet van artikel 36, lid 1, aanhef en onderdeel b van de Wet. Voorts kan van de in het jaar 2000 verrichte voorbereidende werkzaamheden niet worden gezegd dat belanghebbende daarmee reeds de toekomstige inkomsten heeft verworven van de per augustus 2001 aanvaarde betrekking.

Ten aanzien van de aftrek van kosten van de afscheidsreceptie

4.4 Op grond van het bepaalde in artikel 36, eerste lid, aanhef en letter h van de Wet behoren tot de aftrekbare kosten niet de kosten verband houdende met representatie, daaronder begrepen recepties, feestelijke bijeenkomsten, giften, relatiegeschenken en vermaak. Op grond van deze wettelijke bepaling heeft de inspecteur terecht de aftrek van de door belanghebbende opgevoerde representatiekosten in verband met de afscheidsreceptie in restaurant "D" te L geweigerd. De door belanghebbende in een later stadium opgevoerde kosten wegens huur van het restaurant ten bedrage van ƒ 500,--, heeft de inspecteur eveneens terecht laten vallen onder deze bepaling en kan derhalve ook niet als aftrekpost gelden. Hieraan kan niet afdoen dat bij deze receptie tevens buitenlandse gasten aanwezig waren. Het hof voegt hier nog aan toe dat de kosten voor het aanbieden van een diner aan deze buitenlandse gasten evenmin in aftrek op de inkomsten van belanghebbende kunnen worden gebracht op grond van het bepaalde in artikel 36, eerste lid, aanhef en letter e, van de Wet.

5. De conclusie

Het vorenoverwogene brengt mee dat het hof het beroep ongegrond zal verklaren.

6. De proceskosten

Het hof ziet geen aanleiding voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling in de zin van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. De beslissing

Het gerechtshof:

- verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld en ter openbare zitting van het gerechtshof Leeuwarden op 19 maart 2004 uitgesproken door mr. G.M. van der Meer, raadsheer, lid van de zesde enkelvoudige belastingkamer in tegenwoordigheid van mr. J. de Jong als griffier en ondertekend door voornoemde raadsheer en door voornoemde griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan beide

partijen op: 24 maart 2004