Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2004:AO5518

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
18-02-2004
Datum publicatie
12-03-2004
Zaaknummer
WAHV 03/01176
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

mandateren van de bevoegdheid tot het beslissen op administratieve beroepschriften door de officier van justitie in een aantal gevallen (in het kader van de Klimaatnota) aan het Hoofd van het Bureau Verkeershandhaving Openbaar Ministerie (BVOM) te Soesterberg is mogelijk. Mandaat van algemene strekking moet schriftelijk worden verleend en dient te worden gepubliceerd. In casu blijkt niet van publicatie van het mandaatbesluit. Voorts vermeldt de beslissing van de officier van justitie te Soesterberg niet dat de beslissing op het beroep is genomen namens de officier van justitie te 's-Hertogenbosch. Geen vernietiging van de beslissing van de officier van justitie, nu de betrokkene door de gebreken niet is benadeeld. Zaak teruggewezen naar de kantonrechter van de rechtbank te 's-Hertogenbosch.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 10:3
Algemene wet bestuursrecht 10:3
Algemene wet bestuursrecht 3:42
Algemene wet bestuursrecht 6:22
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 7
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 20d
Wet op de rechterlijke organisatie 136
Wet op de rechterlijke organisatie 137
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2004, 60
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 03/01176

18 februari 2004

CJIB 09050734791

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank te 's-Hertogenbosch

van 1 september 2003

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats].

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie te Soesterberg gegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De officier van justitie heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. De kantonrechter heeft de beslissing van de officier van justitie vernietigd, omdat de officier van justitie bij het Bureau Verkeershandhaving Openbaar Ministerie (BVOM) te Soesterberg niet bevoegd zou zijn op het administratief beroep tegen de inleidende beschikking te beslissen. De kantonrechter heeft tevens de inleidende beschikking vernietigd, omdat de betrokkene op onjuiste wijze is gewezen op zijn beroepsmogelijkheden

3.2. Ingevolge art. 6, eerste lid, eerste volzin, WAHV kan degene tot wie de beschikking is gericht, beroep instellen bij de officier van justitie in het arrondissement waar de gedraging is verricht. Afgezien van het bepaalde in de tweede volzin van het eerste lid van art. 6 kent de wet daarop geen uitzondering.

3.3. De officier van justitie voert in zijn hoger beroepschrift aan, dat de beslissing op het administratief beroep door de officier van justitie van het BVOM is genomen op grond van een mandaatbesluit van de hoofdofficier van justitie te 's-Hertogenbosch, waarbij de bevoegdheid om te beslissen op beroepschriften in de zin van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften, ingediend naar aanleiding van de in het kader van de Klimaatnota opgelegde beschikkingen, is gemandateerd aan het Hoofd van het Bureau Verkeershandhaving Openbaar Ministerie. De officier van justitie wijst daarbij op art. 7, eerste lid, WAHV, waarin art. 10:3, tweede lid, onder c, van de Awb niet van toepassing is verklaard. Op grond daarvan is het in het kader van de WAHV mogelijk de bevoegdheid tot beslissen op een beroepschrift te mandateren.

3.4. Blijkens het beroepschrift is de mandaatbeslissing (evenals de gelijkluidende mandaatbeslissing van de hoofdofficieren van de overige arrondissementen) een gevolg van het besluit van het College van Procureurs-Generaal om de afhandeling van beroepen op grond van de WAHV voortkomend uit de handhaving op basis van de Klimaatnota centraal te laten geschieden door het BVOM.

3.5. Eén van de maatregelen op het gebied van verkeer en vervoer, die in de Uitvoeringsnota Klimaatbeleid wordt voorgesteld om de CO2 - en NOx - emissies te reduceren is de versterking van de handhaving van de snelheidslimieten. Er zullen meer electronische middelen en personeel voor snelheidscontroles op autosnelwegen worden ingezet (Kamerstukken II, 1998/1999, 26603, nr. 2, pag. 30/1).

3.6. Art. 2 van het Aanvullend besluit bij de Organisatieregeling dienstonderdelen OM van de Minister van Justitie d.d. 27 februari 2001 (Stcrt 2001, 56), waarbij het BVOM als landelijk dienstonderdeel van het OM is gepositioneerd, houdt onder meer in:

1. Het Bureau verkeershandhaving openbaar ministerie (BVOM) is gevestigd te Soesterberg.

2. Het BVOM heeft met betrekking tot de verkeershandhaving tot taak:

a. (...);

b. (...);

c. het uitoefenen van het gezagsmandaat over de divisie Mobiliteit van het Korps Landelijke Politiediensten;

d. (...);

e. het afhandelen van beroepen inzake de Wet Administratieve (het hof leest: Administratiefrechtelijke) Handhaving Verkeersvoorschriften, voorzover voortkomend uit de Klimaatnota;

f. (...).

3.7. Hoofdstuk 3 van het jaarverslag 2002 van het BVOM (www.verkeershandhaving.nl/bvom) houdt in dit verband in (pag. 12):

"Op de klimaatconferentie in Kyoto (1997) zijn afspraken gemaakt over de reductie van broeikasgassen. Deze afspraken vormen een belangrijke stap op weg naar het beheersen van de door de mens veroorzaakte klimaatverandering. Het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer heeft in 1999 een Uitvoeringsnota Klimaatbeleid geschreven waarbij sectoraal in kaart is gebracht wat de bijdrage aan deze reductie moet zijn. De sector verkeer en vervoer draagt voor circa 20 % bij aan de uitstoot van broeikasgassen in Nederland. Om de uitstoot te verminderen, voert het Korps Landelijke Politie Diensten (KLPD) vanaf 1 november 2001 specifieke snelheidscontroles uit.

De beroepen van mensen die een snelheidsovertreding op het hoofdwegennet hebben begaan en die zijn gecontroleerd in het kader van de klimaatnota, komen terecht bij het Bureau Verkeershandhaving OM. Deze centrale afdoening heeft een constante instroom als voordeel. Hiermee vervalt de piekbelasting die op de lokale parketten ontstaat als gevolg van korte en intensieve controles op een specifiek traject. De parketten ontvangen van het KLPD de overige zaken (gordel, verlichting etc.) die binnen het arrondissement zijn geconstateerd. Per 1 januari 2001 heeft het parket Utrecht ook deze overige zaken die het KLPD op het hoofdwegennet constateert aan het Bureau Verkeershandhaving OM overgedragen. Per 1 mei 2001 heeft Den Bosch dit voorbeeld gevolgd en per 1 januari 2003 is het parket Arnhem hiertoe overgegaan."

3.8. Ingevolge art. 10:3, eerste lid, Awb kan een bestuursorgaan mandaat verlenen, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald of de aard van de bevoegdheid zich tegen de mandaatverlening verzet. Art. 10:3, tweede lid, onder c sluit onder meer van mandaatverlening uit de bevoegdheid tot het beslissen op een beroepschrift. In afwijking hiervan kan echter ingevolge art. 7, eerste lid, WAHV het beslissen op een administratief beroepschrift door de officier van justitie van het arrondissement waar de gedraging is verricht wel worden gemandateerd. De omstandigheid dat de wetgever bij het niet van toepassing verklaren van art. 10:3, tweede lid, onder c voornamelijk het oog heeft gehad op een mandaat aan ondergeschikten staat er niet aan in de weg, dat de officier van justitie de bevoegdheid aan een andere officier van justitie mandateert. Daarmee wordt ook niet de relatieve bevoegdheid doorbroken, zoals door de kantonrechter wordt gesteld, nu het door de gemandateerde binnen de grenzen van zijn bevoegdheid besluit genomen besluit heeft te gelden als een besluit van de mandaatgever (art. 10:2 Awb).

3.9. Blijkens hetgeen hierboven onder 3.5. tot en met 3.7. is overwogen betreft de mandatering van de bevoegdheid te beslissen op administratieve beroepen tegen administratieve sancties door de KLPD opgelegd inzake gedragingen op het hoofdwegennet een mandaat van algemene strekking dat ingevolge art. 10:5, tweede lid, Awb schriftelijk moet worden verleend. Het dient tevens te worden gepubliceerd op de wijze als voorgeschreven in art. 3:42 Awb. Van dat laatste blijkt niet. In aanmerking nemende echter, dat ingevolge art. 136 en 137, beide vijfde lid, Wet R.O. alle officieren van justitie van rechtswege plaatsvervanger zijn bij de (overige) arrondissementsparketten en het landelijk parket, dat de taken van het BVOM met betrekking tot de verkeershandhaving zijn gepubliceerd (zie 3.6.) en dat de mandaatbeslissing niet is betwist, moet worden aangenomen, dat de betrokkene door dit gebrek niet is benadeeld en dat in overeenstemming met het beginsel, dat ten grondslag ligt aan art. 6:22 Awb de beslissing van de officier van justitie te Soesterberg niet op die grond behoeft te worden vernietigd.

3.10. Hetzelfde geldt met betrekking tot de omstandigheid dat - in strijd met het bepaalde in art. 10:10 Awb - de beslissing van de officier van justitie te Soesterberg op het administratief beroep niet vermeldt, dat de beslissing op het beroep is genomen namens de officier van justitie in het arrondissement 's-Hertogenbosch.

3.11. Voor zover de kantonrechter de inleidende beschikking heeft vernietigd op grond van de omstandigheid dat de betrokkene "op een onjuiste wijze wordt gewezen op zijn beroepsmogelijkheden" is de beslissing onjuist, nu niet valt in te zien waarom de betrokkene, die zijn beroepschrift richt aan het op de inleidende beschikking vermelde adres en in zijn beroep wordt ontvangen zodanig wordt benadeeld, dat het gevolg zou moeten zijn, dat de inleidende beschikking wordt vernietigd. Opmerking verdient hierbij, dat het de betrokkene overigens vrijstaat om conform het bepaalde in art. 6 van de WAHV beroep in te stellen bij de officier van justitie in het arrondissement waar de gedraging is verricht, die dan ofwel ingevolge art. 10:7 Awb zelf op het beroep kan beslissen ofwel dit aan de mandataris kan overlaten.

3.12. Voor zover de kantonrechter mede aan zijn beslissing ten grondslag heeft gelegd, dat er bezwaren kleven aan de omstandigheid, dat een uitnodiging om gehoord te worden uitgaat van het BVOM te Soesterberg in plaats van van de officier van justitie van het arrondissement waar de gedraging is verricht, geldt dat niet blijkt dat de betrokkene door de officier van justitie gehoord had willen worden, maar daarvan heeft afgezien omdat de afstand voor hem bezwaarlijk was, nu hij in het geheel niet heeft gereageerd op de brief die hem met betrekking tot het horen is toegezonden.

3.13. De beslissing van de kantonrechter kan, gelet op het bovenstaande niet in stand blijven. Nu door de kantonrechter niet inhoudelijk op het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie is beslist, zal het hof met overeenkomstige toepassing van het bepaalde in art 20d, tweede lid, WAHV de zaak terugwijzen naar de rechtbank.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

wijst de zaak terug naar de rechtbank teneinde met inachtneming van dit arrest te beslissen op het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie.

Dit arrest is gewezen door mrs. Dijkstra, Poelman en Weenink, in tegenwoordigheid van mr. Wijma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.