Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2004:AO5503

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
10-03-2004
Datum publicatie
12-03-2004
Zaaknummer
Rekestnummer 0100092
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De vrouw heeft als getuige verklaard dat ter gelegenheid van het uiteengaan van partijen tussen hen is afgesproken dat zij de woning en de spullen mocht houden en dat er niet specifiek is gesproken over de rekeningen.

Voorts verklaart de vrouw dat de man bij een bespreking ten kantore van mr Harderwijk voor het eerst over de rekeningen begon in die zin dat hij deze alsnog bij de boedelscheiding wilde betrekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 10 maart 2004

Rekestnummer 0100092

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Beschikking in de zaak van

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante in het principaal en geïntimeerde in het incidenteel appel,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur: mr P. Tuinman,

advocaat: mr J.M. van Duursen,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in principaal en appellant in incidenteel appel,

hierna te noemen: de man,

procureur: mr R. Bremer.

De inhoud van de tussenbeschikking van 24 april 2002 wordt hier overgenomen.

Het verdere procesverloop.

Ter uitvoering van voormelde tussenbeschikking is op 24 mei 2002 een brief met bijlagen van mr Holt binnengekomen.

Eveneens ter uitvoering van voormelde tussenbeschikking is op 27 mei 2002 een brief met bijlagen van mr van Duursen binnengekomen.

Bij voormelde tussenbeschikking werd de vrouw toegelaten tot het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat tussen partijen is afgesproken dat de saldi van de in rechtsoverweging 5. onder h. 3. tot en met 5. van voormelde tussenbeschikking onder h. 3. tot en met 5. genoemde rekeningen aan haar worden toebedeeld zonder verrekening van het saldo van die rekeningen in de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap.

Ter uitvoering van voormelde tussenbeschikking heeft de vrouw twee getuigen doen horen, onder wie zichzelf als partijgetuige.

De man heeft zichzelf als getuige doen horen.

De terzake opgemaakte processen-verbaal bevinden zich in authentiek afschrift bij de stukken.

Bij voormelde tussenbeschikking werd de man toegelaten tot het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat tussen partijen is afgesproken dat de vaststelling van de waarde van de aandelen in de besloten vennootschappen [BV1] en [BV2] door de door de rechtbank benoemde deskundige bindend is voor partijen.

Ter uitvoering van voormelde tussenbeschikking heeft de man drie getuigen doen horen, onder wie zichzelf als partijgetuige.

De vrouw heeft twee getuigen doen horen, onder wie zichzelf.

De terzake opgemaakte processen-verbaal bevinden zich in authentiek afschrift bij de stukken.

Voorts is op 5 maart 2003 een brief met bijlagen van mr Bremer binnengekomen.

Vervolgens hebben beide partijen een conclusie na enquête genomen.

De beoordeling

1. Het hof zal de zaak verder behandelen in de volgorde van de in rechtsoverweging 5. van de tussenbeschikking genoemde goederen en schulden voorzover over de onderscheiden posten na de tussenbeschikking nog onduidelijkheid en/of verdeeldheid bestaat, waarbij de in rechtsoverweging 20. geformuleerde vragen bij de desbetreffende goederen en schulden aan de orde zullen komen.

Het aandeel in de onverdeelde nalatenschap van de vader van de man (rechtsoverweging 5. onder b. van de tussenbeschikking; vraag VIII. rechtsoverweging 20. van de tussenbeschikking)

2. Met betrekking tot de onverdeelde nalatenschap van de vader van de man is het geschilpunt tussen partijen het antwoord op de vraag of de (eventueel negatieve) huuropbrengsten van de in de onverdeelde nalatenschap van de vader van de man vallende panden in de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap van partijen dienen te worden betrokken.

De man is voor een derde gedeelte gerechtigd tot deze nalatenschap.

3. Gelet op de na de tussenbeschikking binnengekomen brieven van 24 mei 2002 en 27 mei 2002 is daarnaast tussen partijen in geschil over welke periode met die (eventueel negatieve) opbrengsten bij de verdeling rekening dient te worden gehouden.

4. De vrouw stelt dat met voormelde opbrengsten rekening moet worden gehouden vanaf 1 oktober 1977, de datum waarop partijen uiteen zijn gegaan.

De man stelt zich kennelijk op het standpunt dat met voormelde opbrengsten rekening moet worden gehouden vanaf de inschrijvingsdatum van de echtscheidingsbeschikking.

5. Vermogensrechtelijk dient onderscheid te worden gemaakt tussen de periode tot aan de inschrijvingsdatum van de echtscheidingsbeschikking en de periode vanaf die inschrijvingsdatum.

Voor wat betreft de periode tot de inschrijvingsdatum geldt het volgende.

6. De huwelijksgemeenschap tussen partijen heeft voortgeduurd tot het moment van haar ontbinding door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking.

Dit houdt in dat een derde gedeelte van de opbrengsten en de kosten terzake de in de onverdeelde nalatenschap van de vader van de man vallende panden tot de inschrijvingsdatum in de huwelijksgemeenschap is gevallen c.q. voor rekening van de huwelijksgemeenschap is gekomen.

7. Uit de overgelegde stukken maakt het hof op dat de man een rekening met nummer [girorekening 1] bij de Postbank had te zijnen name (kennelijk mede ten behoeve van zijn twee mede-erfgenamen) in verband met de opbrengsten en kosten van de in de onverdeelde nalatenschap van de vader van de man vallende panden.

8. Een derde gedeelte van het saldo van deze rekening per inschrijvingsdatum dient derhalve in de verdeling te worden betrokken, te weten een derde gedeelte van f 3.921,80, ofwel f 1.307,27.

9. Vanaf de inschrijvingsdatum is de huwelijksgemeenschap tussen partijen ontbonden, doch tot aan het moment van verdeling van het aandeel in de onverdeelde nalatenschap van de vader van de man blijven partijen deelgenoten in de tot de ontbonden gemeenschap behorende goederen en schulden.

10. Ingevolge artikel 3:172 BW delen de deelgenoten in beginsel naar evenredigheid van hun aandelen in de vruchten en andere voordelen die het gemeenschappelijk goed oplevert en moeten zij in dezelfde evenredigheid bijdragen tot de uitgaven die voortvloeien uit handelingen welke bevoegdelijk ten behoeve van de gemeenschap zijn verricht.

11. Het vorenstaande betekent dat partijen vanaf de inschrijvingsdatum ieder voor de helft (van een derde gedeelte) in de opbrengsten en kosten van voormelde panden delen en bijdragen tot aan het moment van verdeling van het aandeel in de onverdeelde nalatenschap van de vader van de man.

12. Anders dan de vrouw wil, is het moment van verdeling wat betreft het aandeel van de man in de onverdeelde nalatenschap van zijn vader niet het moment van verkoop of levering van deze panden aan derden.

Alleen wanneer de panden zouden zijn verkocht en geleverd vóór het moment van verdeling - hetgeen niet het geval is, gelet op het moment van verdeling van het aandeel in de onverdeelde nalatenschap van de vader van de man zoals in de volgende rechtsoverweging aangegeven - zou ingevolge het bepaalde in artikel 3:167 BW tot het moment van verdeling tussen partijen bij wijze van zaaksvervanging rekening moeten worden gehouden met de opbrengsten (en kosten) van de opbrengst van de panden in plaats van met de opbrengsten (en kosten) van de panden zelf.

13. Nu het aandeel in de onverdeelde nalatenschap van de vader van de man bij beschikking van de rechtbank van 29 januari 2001 zoals hersteld bij beschikking van 27 februari 2001 houdende (gelasting van (de wijze van)) verdeling aan de man is toebedeeld - zij het alleen in het lichaam en niet in het dictum - en nu partijen tegen deze toedeling geen grieven hebben gericht, beschouwt het hof, mede gelet op de eisen van redelijkheid en billijkheid, 29 januari 2001 als het moment van verdeling voor wat betreft het aandeel in de onverdeelde nalatenschap van de vader van de man.

14. Blijkens de als productie 6 bij de brief van de man van 24 mei 2002 overgelegde rekeningafschriften bedroeg het saldo per 24 januari 2001 f 60,33.

Dit betekent dat de opbrengst van de panden in deze periode, gelet op het saldo per inschrijvingsdatum, negatief is geweest en wel tot een bedrag van f 3.861,47 (f 3.921,80 - f 60,33).

15. De man stelt vervolgens dat de opbrengst (meer) negatief is geweest vanwege aan huurders van het pand [adres] te [woonplaats] betaalde afkoopsommen (kennelijk om dit pand in onverhuurde staat te kunnen verkopen).

16. Deze afkoopsommen zijn echter in de afschriften behorende bij de rekening met nummer [girorekening 1] bij de Postbank die kennelijk diende voor mutaties in verband met de opbrengsten en kosten van de in de onverdeelde nalatenschap van de vader van de man vallende panden, niet terug te vinden.

17. De man heeft vervolgens gesteld dat deze afkoopsommen contant zijn betaald.

De man geeft echter niet aan uit welke bron deze afkoopsommen zijn betaald (welke bron weer van belang zou kunnen zijn in de verdeling tussen partijen).

18. Het hof zal daarom aan de stellingen van de man terzake genoemde afkoopsommen als onvoldoende onderbouwd, voorbijgaan.

19. Een derde gedeelte van het in rechtsoverweging 14 genoemde bedrag van f 3.861,47 negatief ofwel f 1.287,16 negatief zal in de verdeling tussen partijen worden betrokken.

Het aandeel in de verdeelde nalatenschappen van de ouders van de vrouw (rechtsoverweging 5. onder c. van de tussenbeschikking; vraag I. rechtsoverweging 20. van de tussenbeschikking)

20. Partijen zijn het met elkaar eens dat het aandeel in de verdeelde nalatenschappen van de ouders van de vrouw f 85.050,45 bedraagt.

21. Met betrekking tot dit onderdeel betreft het geschilpunt enkel de vraag welk bedrag aan successierechten op dat aandeel in mindering dient te worden gebracht.

22. De vrouw heeft de aanslag terzake het recht van successie overgelegd. Daaruit blijkt dat de aanslag f 14.616,- bedraagt. Nu de vrouw met één andere erfgenaam tot de nalatenschap gerechtigd was, zal een bedrag van f 7.308,- aan successierechten op het aandeel in de verdeelde nalatenschappen van de ouders van de vrouw in mindering worden gebracht.

Een bedrag van f 77.742,45 zal in de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap worden betrokken.

De aandelen in de besloten vennootschappen [BV1] en [BV2] (rechtsoverweging 5. onder d. van de tussenbeschikking; vragen II. tot en met IV. rechtsoverweging 20. van de tussenbeschikking)

23. Aan de vraag of tussen partijen is afgesproken dat de vaststelling van de waarde van de aandelen in de besloten vennootschappen [BV1] en [BV2] door de door de rechtbank benoemde deskundige bindend voor partijen is, gaat nog een andere vraag vooraf, de vraag namelijk of partijen bij voorbaat kúnnen overeenkomen een advies van een tijdens de loop van een procedure door de rechter benoemde deskundige als bindend te aanvaarden.

Voorvraag

24. Het hof beantwoordt die vraag bevestigend.

Weliswaar heeft de rechter in beginsel de vrijheid een bericht van een door hem benoemde deskundige al dan niet te volgen, maar niet valt in te zien dat partijen tijdens de procedure niet ook op deze wijze de geschilpunten die zij aan het oordeel van de rechter voorleggen, kunnen inperken en wijzigen en aldus tijdens de procedure de omvang en de inhoud van de rechtsstrijd kunnen bepalen en wijzigen.

Is tussen partijen afgesproken dat de vaststelling van de waarde van de aandelen in de besloten vennootschappen [BV1] en [BV2] door de door de rechtbank benoemde deskundige bindend voor partijen is?

25. Vervolgens staat dan ter beantwoording de vraag óf tussen partijen is afgesproken dat de vaststelling van de waarde van de aandelen in de besloten vennootschappen [BV1] en [BV2] door de door de rechtbank benoemde deskundige bindend voor hen is.

26. Bij voormelde tussenbeschikking werd de man in het kader van de beantwoording van voormelde vraag toegelaten tot het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat tussen partijen is afgesproken dat de vaststelling van de waarde van de aandelen in de besloten vennootschappen [BV1] en [BV2] door de door de rechtbank benoemde deskundige bindend is.

Is de man geslaagd in het leveren van het van hem gevergde bewijs?

27. De vraag dient dan te worden beantwoord of de man is geslaagd in het leveren van het van hem op dit punt gevergde bewijs.

28. Het hof oordeelt de man geslaagd in het leveren van het van hem op dat punt gevergde bewijs op grond van het volgende.

29. De getuige [getuige 1] verklaart stellig en met redenen omkleed dat mr van Driel - de toenmalige advocaat van de vrouw - hem in het voorjaar van 1999 telefonisch heeft meegedeeld dat de waardebepaling van de aandelen bindend zou zijn tussen partijen.

De man verklaart als getuige dat de bindendheid van de taxatie van de aandelen tussen de advocaten is besproken.

Mr Harderwijk verklaart als getuige in het voorjaar van 1999 aan de rechtbank, aan de advocaat van de wederpartij en aan de deskundige [getuige 1] brieven te hebben geschreven waarin onder andere is opgenomen dat de waardebepaling bindend zou zijn, hetgeen kennelijk - aldus de getuige - teruggaat op telefonisch overleg. De brief aan [getuige 1] is eerst in concept naar de advocaat van de vrouw gegaan en de door deze gewenste wijzigingen zijn opgenomen in de brief die naar de deskundige [getuige 1] is verzonden.

Mr van Driel verklaart als getuige dat het vanaf het begin zijn inzet is geweest om tot een effectieve beslissing van de zaak te komen, dat bindendheid van de waardetaxatie van de aandelen daarin paste en dat hij dat zo met mr Harderwijk heeft besproken.

30. Voorts blijkt uit de stukken het volgende.

Bij faxbrief van 17 maart 1999 van mr Harderwijk aan mr Van Rongen - als productie overgelegd bij het verweerschrift tevens incidenteel appelschrift van de man in hoger beroep - is gevoegd een concept-brief aan de deskundige [getuige 1]. In deze concept -brief komt de zinsnede voor "Partijen beschouwen deze waardebepaling als bindend tussen hen."

Mr Harderwijk vraagt in genoemde faxbrief het fiat van mr Van Rongen voor het schrijven aan [getuige 1].

Bij faxbrief van eveneens 17 maart 1999 stelt mr Van Rongen enige wijzigingen voor in de brief aan [getuige 1] en voegt toe dat de brief na aanbrengen van de voorgestelde wijzigingen kan worden verzonden. De door mr Van Rongen voorgestelde wijzigingen hebben geen betrekking op de in de concept-brief opgenomen zinsnede "Partijen beschouwen deze waardebepaling als bindend tussen hen.".

31. Uit de hiervoor weergegeven getuigenverklaringen en uit de hierboven aangehaalde correspondentie, in onderling verband beschouwd, volgt het bewijs dat tussen partijen is afgesproken dat de vaststelling van de waarde van de aandelen in de besloten vennootschappen [BV1] en [BV2] door de door de rechtbank benoemde deskundige bindend is voor partijen.

Daarbij verdient opmerking dat voor de verklaring van de man als getuige op grond van de hoger weergegeven verklaringen en aangehaalde correspondentie niet de in artikel 164 Rv vervatte beperking geldt.

32. De verklaring van mr Van Driel dat in zijn tijdoverzicht een telefoongesprek met [getuige 1] niet voorkomt, voorts dat hij zich een dergelijk telefoongesprek ook niet kan herinneren en dat hij in zijn dossier geen telefoonnotitie heeft aangetroffen, terwijl hij in de regel wel een dergelijke notitie maakt, neutraliseert het boven weergegeven bewijsmateriaal onvoldoende.

Ook de verklaring van de vrouw kan onvoldoende afbreuk doen aan het bewijsmateriaal.

Kan de vrouw, zoals zij stelt, niet aan het advies worden gehouden ondanks de afspraak dat de vaststelling van de waarde van de aandelen in de besloten vennootschappen [BV1] en [BV2] bindend is?

33. Na het vorenstaande dient vervolgens de vraag te worden beantwoord of de vrouw - de man heeft geen bezwaren ingebracht tegen (bindendheid van) de waardevaststelling van de aandelen - ondanks de afspraak dat de vaststelling van de waarde van de aandelen in de besloten vennootschappen [BV1] en [BV2] door de door de rechtbank benoemde deskundige bindend is, toch niet aan het advies kan worden gehouden.

Het gaat dan om beantwoording van vraag III. in rechtsoverweging 20. van de tussenbeschikking, terwijl vraag IV. in rechtsoverweging 20. van de tussenbeschikking geen beantwoording meer behoeft.

34. Bij de beantwoording van die vraag heeft als leidraad te gelden, dat een partij bij een bindend advies niet elke onjuistheid in het advies kan inroepen teneinde de bindendheid daarvan te bestrijden, maar die bestrijding alleen hierop kan gronden, dat het advies in verband met de wijze van totstandkoming danwel uit hoofde van de inhoud zozeer ingaat tegen hetgeen redelijk en billijk is, dat het naar de uit redelijkheid en billijkheid voortvloeiende maatstaven onaanvaardbaar zou zijn dat de vrouw aan dit advies zou kunnen worden gehouden.

Bezwaren van de vrouw tegen (de bindendheid van) het in het deskundigenbericht vervatte advies

35. Vooropgesteld zij dat partijen hebben ingestemd met de door de rechtbank aan de deskundige verstrekte opdracht, inhoudende, dat van de aandelen in de besloten vennootschappen [BV1] en [BV2] dient te worden vastgesteld:

a. de waarde in het economisch verkeer en wel

b. de waarde per 1 mei 1999.

36. De vrouw heeft tegen de (bindendheid van de) vaststelling van de waarde van de aandelen in de besloten vennootschappen [BV1] en [BV2], zakelijk samengevat, de volgende gemotiveerde bezwaren ingebracht:

a. de bedrijfspanden hadden moeten worden getaxeerd in stede van uit te gaan van de boekwaarde waardoor de in deze panden schuilgaande stille reserves niet in de (alsdan hogere) waarde van de aandelen tot uitdrukking komen; de vrouw merkt daarbij op dat de panden meer dan zes jaar oud zijn en dat de waarde van onroerende zaken in de afgelopen jaren aanzienlijk is gestegen;

b. de waardering van de aandelen is geschied op grond van de jaarrekeningen van de besloten vennootschappen; met betrekking tot de cijfers in deze jaarrekeningen is geen accountantscontrole toegepast, maar is alleen een samenstellingsverklaring gegeven; voorts is de deskundige voor wat betreft de resultaten over het eerste kwartaal van 1999 afgegaan op door de man verstrekte gegevens; een en ander maakt - aldus de vrouw - de waardering van de aandelen onzeker en onbetrouwbaar;

c. de deelneming in [BV3] is opgenomen op basis van kostprijs in stede van op basis van de netto vermogenswaarde;

d. de deelneming in [BV4] is niet opgenomen voor de werkelijke waarde.

37. De vrouw heeft voorts, kennelijk ter onderbouwing van de juistheid van haar bezwaren, als bijlage bij het beroepschrift overgelegd een brief van de accountant van de man van 10 april 1998 waarin deze de aandelen in de besloten vennootschappen [BV1] en [BV2] per 31 december 1997 waardeert op f 500.190,-.

38. Voornoemde waardering van de accountant van de man kan bezwaarlijk als onderbouwing van de juistheid van de bezwaren van de vrouw tegen de waardering van de aandelen door de deskundige gelden, alleen al op grond van het volgende. De accountant van de man waardeert op basis van intrinsieke waarde per 31 december 1997, terwijl de opdracht aan de deskundige was om te waarderen op basis van de waarde in het economisch verkeer per 1 mei 1999.

Bezwaar weergegeven in rechtsoverweging 36. onder a.

39. Wanneer de waarde in het economisch verkeer van aandelen in een besloten vennootschap wordt vastgesteld op basis van (een bepaalde verhouding van) het eigen vermogen volgens de balans ofwel de zichtbaar intrinsieke waarde (tot de rentabiliteitswaarde), dient het eigen vermogen te worden verhoogd met eventuele meerwaarden (en te worden verminderd met latente belastingverplichtingen).

40. In beginsel heeft de vrouw daarom het gelijk aan haar zijde wanneer zij betoogt dat de bedrijfspanden hadden dienen te worden getaxeerd om die eventuele meerwaarden te kunnen vaststellen.

41. In zijn rapport van 30 december 1999 heeft de deskundige op bladzijde 4 onderaan aangegeven geen taxatie van de bedrijfspanden te hebben laten verrichten op grond van de veronderstelling dat de boekwaarde van de panden gelijk is aan de actuele waarde.

In de naar aanleiding van door de vrouw gemaakte opmerkingen gegeven uiteenzetting van 6 oktober 2000 geeft de deskundige onder meer hierop als toelichting dat de bedrijfspanden vrij nieuw zijn.

42. De vrouw heeft daarentegen in haar beroepschrift aangegeven dat de bedrijfspanden meer dan zes jaar oud zijn en dat de waarde van onroerende zaken in de afgelopen jaren aanzienlijk is gestegen.

43. De vrouw ziet daarbij echter over het hoofd dat de betreffende bedrijfspanden in 1995 zijn gebouwd, dat deze dus ten tijde van het indienen van het beroepschrift in maart 2001 weliswaar ongeveer zes jaar oud waren, maar dat het hier gaat om de waarde van de bedrijfspanden per 1 mei 1999, de datum van de waardebepaling van de aandelen.

44. Mede gelet op het advies en de toelichting van de deskundige kan ten aanzien van het achterwege laten van een taxatie van de bedrijfspanden niet worden geoordeeld, dat het deskundigenrapport zozeer indruist tegen hetgeen redelijk en billijk is, dat het naar de uit redelijkheid en billijkheid voortvloeiende maatstaven onaanvaardbaar zou zijn dat de vrouw aan dit advies zou kunnen worden gehouden.

Bezwaar weergegeven in rechtsoverweging 36. onder b.

45. De omstandigheid dat op de cijfers in de jaarstukken van de besloten vennootschappen geen accountantscontrole is toegepast, kan bezwaarlijk een argument opleveren om de vrouw niet gehouden te kunnen achten aan het in het deskundigenrapport vervatte bindend advies. Accountantscontrole van de in de jaarstukken vervatte cijfers ligt niet besloten in de opdracht aan de deskundige, met welke opdracht de vrouw heeft ingestemd.

46. Datzelfde heeft mutatis mutandis te gelden voor de omstandigheid, dat de deskundige de resultaten over het eerste kwartaal van 1999, zoals hij zelf in zijn rapport aangeeft, heeft bepaald op basis van de aan hem door de man ter beschikking gestelde gegevens.

Iedere deskundige is immers min of meer afhankelijk van door partijen verstrekte gegevens. Vaak zullen dit, zoals in dit geval, gegevens betreffen die door een van beide partijen worden verschaft, omdat (alleen) deze over die gegevens de beschikking heeft.

Bezwaar weergegeven in rechtsoverweging 36. onder c.

47. In de toelichting behorende bij de jaarrekening 1998 van de besloten vennootschap [BV1] is het volgende vermeld:

"Indien de rechtspersoon invloed van betekenis uitoefent op het zakelijke en financiële beleid, dan wordt de deelneming gewaardeerd op netto-vermogenswaarde, berekend volgens de grondslagen van de moedermaatschappij. Is dit niet het geval, dan wordt de deelneming gewaardeerd op kostprijs.

Invloed van betekenis wordt aanwezig geacht, indien de rechtspersoon tenminste 20% van de aan zijn aandeel in de maatschappij verbonden stemrechten naar eigen inzicht kan uitoefenen.".

48. In de jaarstukken 1998 van de besloten vennootschap [BV1] is de deelneming [BV3] - een 15%-deeelneming - dan ook opgenomen tegen de historische kostprijs.

49. De deskundige heeft in zijn rapport - grosso modo in overeenstemming met de onder rechtsoverweging 47 weergegeven toelichting behorende bij de jaarrekening 1998 van de besloten vennootschap [BV1] - aangegeven, dat bij de bepaling van de intrinsieke waarde van de besloten vennootschappen de overwaarde van een deelneming waarin geen overheersende zeggenschap bestaat, op nihil kan worden gesteld.

50. Desondanks heeft de deskundige de overwaarde voor de deelneming in [BV3] bijgeteld bij de intrinsieke waarde van de besloten vennootschappen.

51. Het in rechtsoverweging 36. onder c. weergegeven bezwaar van de vrouw tegen (de bindendheid van) het in het deskundigenbericht vervatte advies berust derhalve op een onjuiste lezing van het deskundigenrapport.

Bezwaar weergegeven in rechtsoverweging 36 onder d.

52. De deelneming in [BV4] is een 33 1/3 %-deelneming. Deze deelneming is, aldus het deskundigenrapport, in overeenstemming met bovengenoemde toelichting, in de jaarstukken 1998 van [BV1] gewaardeerd tegen de netto vermogenswaarde.

Deze netto vermogenswaarde is in de aandelenwaardering betrokken.

53. De man heeft gesteld dat in het eerste kwartaal van 1999 geen activiteiten binnen [BV4] hebben plaatsgevonden. De deskundige heeft dit overgenomen.

54. De vrouw heeft nu gesteld dat de waarde van deze deelneming per 1 mei 1999 meer waard is, omdat, zo begrijpt het hof, in het eerste kwartaal van 1999 wel activiteiten binnen [BV4] hebben plaatsgevonden.

55. Of er in het eerste kwartaal van 1999 activiteiten hebben plaatsgevonden binnen [BV4] staat niet vast.

Maar ook als er in het eerste kwartaal van 1999 activiteiten binnen [BV4] hebben plaatsgevonden, heeft de vrouw haar stelling dat de deelneming in [BV4] per 1 mei 1999 daarom meer waard zou zijn, onvoldoende onderbouwd.

Maar ook al ware dit een en ander anders, een eventuele onjuistheid op dit punt heeft nog niet zonder meer tot gevolg dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn de vrouw aan het advies gebonden te achten.

Conclusie

56. De man kan de vrouw houden aan het in het deskundigenrapport vervatte advies terzake de waarde in het economisch verkeer per 1 mei 1999 van de aandelen in de besloten vennootschappen [BV1] en [BV2].

57. De aandelen in de besloten vennootschappen [BV1] en [BV2] zullen derhalve voor een waarde van f 270.000,- in de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap van partijen worden betrokken.

De auto Mercedes Benz (rechtsoverweging 5. onder g. van de tussenbeschikking)

58. Partijen zijn het erover eens dat de auto Mercedes Benz in de verdeling wordt betrokken voor de door de ANWB op te geven waarde per 31 december 1998.

59. Bij brief van 24 mei 2002 heeft de man een brief van de ANWB van 7 mei 2002 overgelegd waarin als particuliere richtprijs wordt gegeven een bedrag van f 33.000,- per 31 december 1998.

60. De auto Mercedes Benz zal voor een bedrag van f 33.000,- in de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap van partijen worden betrokken.

De rekening met nummer [bankrekening 1] ten name van de man bij de Rabobank en de rekening nummer [girorekening 2] ten name van beide partijen bij de Postbank (rechtsoverweging 5. onder h.1. en h. 2. van de tussenbeschikking)

61. De man heeft bij brief van 24 mei 2002 onder overlegging van de bij tussenbeschikking gevraagde rekeningafschriften aangegeven, dat het saldo van de rekening met nummer [bankrekening 1] ten name van de man bij de Rabobank per 16 april 1999 f 364,73 negatief was.

62. Deze rekening zal voor dat bedrag in de verdeling worden betrokken.

63. De vrouw heeft bij brief van 27 mei 2002 de bij tussenbeschikking gevraagde afschriften van de rekening met nummer [girorekening 2] ten name van beide partijen bij de Postbank overgelegd, waaruit blijkt dat het saldo per 16 april 1999 f 420,66 negatief was.

64. Deze rekening zal voor dat bedrag in de verdeling worden betrokken.

De rekeningen met nummer [girorekening 3] ten name van de vrouw bij de Postbank, de rekening met nummer [bankrekening 2] ten name van de vrouw bij de Rabobank en het deposito [nummer deposito] ten name van de vrouw (rechtsoverweging 5. onder h.3., h.4. en h.5. van de tussenbeschikking; vraag VI. rechtsoverweging 20 van de tussenbeschikking)

65. De vraag dient te worden beantwoord of tussen partijen is afgesproken dat de saldi van voornoemde rekeningen aan de vrouw worden toebedeeld zonder verrekening van de saldi in de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap.

66. Bij tussenbeschikking werd de vrouw in het kader van de beantwoording van voormelde vraag toegelaten tot het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat tussen partijen is afgesproken dat de saldi van de in rechtsoverweging 5. onder h. 3. tot en met 5. van voormelde tussenbeschikking onder h. 3. tot en met 5. genoemde rekeningen aan haar worden toebedeeld zonder verrekening van het saldo van die rekeningen in de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap.

Is de vrouw geslaagd in het leveren van het van haar gevergde bewijs?

67. De vraag dient dan te worden beantwoord of de vrouw is geslaagd in het leveren van het van haar op dit punt gevergde bewijs.

68. Het hof oordeelt de vrouw niet geslaagd in het leveren van het van haar op dit punt gevergde bewijs op grond van het volgende.

69. Mr van Duursen heeft als getuige verklaard, dat de vrouw haar heeft verteld dat de man haar, de vrouw, had gezegd dat zij de rekeningen op haar naam mocht behouden zonder verrekening.

Voorts heeft mr van Duursen verklaard dat de man bij een bespreking te haren kantore in april 2001 en bij een bespreking na een zitting bij de rechtbank in februari 2000 die afspraak heeft bevestigd, maar daarvan vervolgens terugkwam.

70. De vrouw heeft als getuige verklaard dat ter gelegenheid van het uiteengaan van partijen tussen hen is afgesproken dat zij de woning en de spullen mocht houden en dat er niet specifiek is gesproken over de rekeningen.

Voorts verklaart de vrouw dat de man bij een bespreking ten kantore van mr Harderwijk voor het eerst over de rekeningen begon in die zin dat hij deze alsnog bij de boedelscheiding wilde betrekken.

71. De man heeft als getuige verklaard dat ter gelegenheid van het uiteengaan van partijen eind 1997 tussen hen is afgesproken dat de vrouw het huis en de inboedel zou houden en hij, de man, de erfstukken van zijn familie en dat er verder geen afspraken zijn gemaakt, ook niet over de in de bewijsopdracht genoemde rekeningen.

Voorts verklaart hij dat de rekeningen in de bespreking van april 2001 absoluut niet ter sprake zijn geweest.

72. Ook wanneer ervan wordt uitgegaan dat voor de getuigenverklaring van de vrouw op grond van de hoger weergegeven verklaring van mr van Duursen niet de in artikel 164 Rv vervatte beperking geldt, acht het hof de vrouw niet geslaagd in het leveren van het van haar gevergde bewijs.

De vrouw verklaart dat er indertijd geen specifieke afspraak over de rekeningen is gemaakt. De verklaring van de man sluit op dat punt aan bij de verklaring van de vrouw.

Dat de man een dergelijke afspraak ter gelegenheid van een (of twee) bespreking(en) zou hebben erkend, aldus de verklaring van mr van Duursen en de - voor meer dan één uitleg vatbare - verklaring van de vrouw op dit punt, wordt door de man ontkend.

Consequenties

73. Bij brief van 27 mei 2002 heeft de vrouw de bij tussenbeschikking gevraagde afschriften van de rekening met nummer [girorekening 3] te haren name bij de Postbank overgelegd. Daaruit blijkt dat het saldo van deze rekening per 16 april 1999 f 4.278,85 was.

74. Deze rekening zal voor voormeld bedrag in de verdeling worden betrokken.

75. Bij voormelde brief van 27 mei 2002 heeft de vrouw tevens overgelegd afschriften van de rekening met nummer [bankrekening 2] ten name van de vrouw bij de Rabobank en het deposito [nummer deposito 2]. Uit deze producties blijkt dat voormelde rekening en voormeld deposito zijn opgeheven en afgewikkeld in november 1997.

76. Het voorgaande betekent dat laatstgenoemde rekening en genoemd deposito geen deel (meer) uitmaakten van de ontbonden huwelijksgemeenschap van partijen per de inschrijvingsdatum van 16 april 1999.

Laatstgenoemde rekening en genoemd deposito zullen derhalve niet in de verdeling worden betrokken.

Spaarloon van de man (rechtsoverweging 5. onder j. van de tussenbeschikking)

77. Als productie 2 heeft de man bij brief van 24 mei 2002 gegevens in het geding gebracht over het spaarloon. De man schat het saldo van het spaarloon per 16 april 1999 op een bedrag van f 1.410,57. De vrouw heeft dat niet weersproken.

78. Het spaarloon van de man zal voor een bedrag van f 1.410,57 in de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap van partijen worden betrokken.

Vorderingen op de besloten vennootschappen (rechtsoverweging 5. onder k. van de tussenbeschikking)

79. In productie 3 bij de brief van 24 mei 2002 heeft de man aangegeven per inschrijvingsdatum een vordering op de besloten vennootschappen te hebben van f 11.146,20. De vrouw heeft dat niet weersproken.

80. De vorderingen op de besloten vennootschappen zullen voor een bedrag van f 11.146,20 in de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap van partijen worden betrokken.

Schuld aan de besloten vennootschappen (rechtsoverweging 5. onder m. van de tussenbeschikking)

81. Als productie 4 bij de brief van 24 mei 2002 heeft de man onder meer in het geding gebracht een grootboekkaart van [BV1] waaruit blijkt dat de man per inschrijvingsdatum een schuld in rekening-courant aan die besloten vennootschap had van f 76.307,85. De vrouw heeft dat niet weersproken.

82. De schuld aan de besloten vennootschappen zal voor een bedrag van f 76.307,85 in de verdeling worden betrokken.

(Overige) schulden opgekomen aan de zijde van de man (rechtsoverweging 5. onder n. van de tussenbeschikking; vraag Vll. rechtsoverweging 20. van de tussenbeschikking)

83. De man heeft als productie 8 bij de brief van 24 mei 2002 gegevens overgelegd over de schuld terzake de auto Mercedes Benz. Uit deze gegevens volgt dat er per inschrijvingsdatum geen schuld meer bestond terzake deze auto aan de leasemaatschappij en dat de man de schuld in verband met deze auto aan de leasemaatschappij heeft betaald uit het tegoed van de te zijnen name staande rekening met nummer [bankrekening 1], nadat deze rekening was gevoed met twee leningen van de man bij de besloten vennootschappen ten bedrage van respectievelijk

f 20.000,- en f 15.000,-. Deze beide leningen zijn blijkens de grootboekkaarten van [BV1] verwerkt in de rekening-courant van de man. Met de schuld in rekening-courant van de man aan de besloten vennootschappen per inschrijvingsdatum wordt, zoals in de rechtsoverwegingen 81 en 82 aangegeven, reeds rekening gehouden, zodat met een afzonderlijke schuld in verband met de auto Mercedes Benz geen rekening meer behoeft te worden gehouden.

84. De man heeft voorts in voormelde brief van 24 mei 2002 en in de daarbij behorende productie 4 aangegeven per inschrijvingsdatum schulden te hebben terzake belastingen, alimentatie en openstaande facturen ([crediteur 1], [crediteur 2], PTT, [crediteur 3], huurtermijnen).

85. Van geen van deze schulden heeft de man deugdelijke bewijsstukken in het geding gebracht.

86. Op grond van het vorenstaande zal in de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap geen rekening worden gehouden met (eventuele) (overige) schulden opgekomen aan de zijde van de man, nu deze onvoldoende zijn onderbouwd.

87. Het voorgaande betekent dat de in rechtsoverweging 20. onder VII. geformuleerde vraag geen beantwoording behoeft.

Samenvatting

88. Op grond van al het vorenoverwogene zal de volgende verdeling plaatsvinden (daarbij wordt dezelfde belettering en nummering aangehouden als in rechtsoverweging 5. van de tussenbeschikking):

aan de vrouw zullen worden toebedeeld de volgende goederen en schulden voor de volgende waarden en bedragen:

a. de echtelijke woning f 330.000,00

c. het aandeel in de verdeelde nalatenschappen

van de ouders van de vrouw f 77.742,45

f. de inboedel f 29.500,00

h. de saldi van de volgende rekeningen:

2. nr [girorekening 2] tnv beide partijen bij de Postbank f 420,66 -

3. nr [girorekening 3] tnv de vrouw bij de Postbank f 4.278,85

i. de helft van het tegoed bij de zuster van de man f 10.400,00

l. de hypothecaire lening op de echtelijke woning f 250.000,00 -

aan de man zullen worden toebedeeld de volgende goederen en schulden voor de volgende waarden en bedragen:

b.1. het aandeel in de onverdeelde nalatenschap

van de vader van de man f 127.600,00

b.2. het saldo ingevolge r.o. 8 f 1.307,27

b.3. het saldo ingevolge r.o. 19 f 1.287,16 -

d. de aandelen in de besloten vennootschappen

[BV1] en [BV2] f 270.000,00

e. de erfstukken van de man f 29.500,00

g. de auto Mercedes-Benz f 33.000,00

h. het saldo van de volgende rekening:

1. nr [bankrekening 1] tnv de man bij de Rabobank f 364,73 -

i. de helft van het tegoed bij de zuster van de man f 10.400,00

j. het spaarloon van de man f 1.410,57

k. de vorderingen op de besloten vennootschappen f 11.146,20

m. de schuld aan de besloten vennootschappen f 76.307,85 -

89. De vrouw zal op deze wijze goederen krijgen toebedeeld tot een waarde van f 451.921,30

en schulden tot een bedrag van f 250.420,66, per saldo f 201.500,64.

90. De man zal op deze wijze goederen toebedeeld krijgen tot een waarde van f 484.364,04 en schulden tot een bedrag van f 77.959,74, per saldo f 406.404,30.

91. De man zal aan de vrouw wegens onderbedeling een bedrag dienen te betalen ter grootte van de helft van het verschil van de toedelingen, ofwel de helft van f 204.903,66, derhalve een bedrag van f 102.451,83 ofwel Euro 46.490,06.

Slotsom

92. Zowel de vrouw als de man hebben vernietiging gevraagd van de beschikkingen van de arrondissementsrechtbank te Groningen van 25 mei 1999, van 8 augustus 2000 en van 29 januari 2001 zoals hersteld bij beschikking van 27 februari 2001.

De grieven van zowel de vrouw als de man raken het dictum van de beschikkingen van 25 mei 1999 en van 8 augustus 2000 niet.

Zowel de vrouw als de man zullen niet ontvankelijk worden verklaard in hun beroep van de beschikkingen van 25 mei 1999 en van 8 augustus 2000.

93. De beschikking van 29 januari 2001 zoals hersteld bij beschikking van 27 februari 2001, zal - doelmatigheidshalve geheel - worden vernietigd en er zal opnieuw worden beslist als hierna aangegeven.

94. Nu partijen gewezen echtgenoten zijn, worden de kosten van het geding in beide instanties gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten (waaronder de taxen voor de door de betreffende partij voorgebrachte getuigen) draagt en dat de kosten van de deskundige door ieder van partijen bij helfte worden gedragen.

De beslissing

Het gerechtshof:

verklaart de vrouw niet ontvankelijk in haar beroep voorzover ingesteld tegen de beschikking van de arrondissementsrechtbank te Groningen van 25 mei 1999 en voor zover ingesteld tegen de beschikking van de arrondissementsrechtbank te Groningen van 8 augustus 2000;

verklaart de man niet ontvankelijk in zijn beroep voorzover ingesteld tegen de beschikking van de arrondissementsrechtbank te Groningen van 25 mei 1999 en voor zover ingesteld tegen de beschikking van de arrondissementsrechtbank te Groningen van 8 augustus 2000;

vernietigt de beschikking van de arrondissementsrechtbank te Groningen van 29 januari 2001 zoals hersteld bij beschikking van 27 februari 2001

en opnieuw beslissende:

deelt aan de vrouw de volgende goederen en schulden toe:

- de echtelijke woning

- het aandeel in de verdeelde nalatenschappen van de ouders van de vrouw

- de inboedel

- de saldi van de volgende rekeningen:

nr [girorekening 2] tnv beide partijen bij de Postbank

nr [girorekening 3] tnv de vrouw bij de Postbank

- de helft van het tegoed bij de zuster van de man

- de hypothecaire lening op de echtelijke woning;

deelt aan de man de volgende goederen en schulden toe:

- het aandeel in de onverdeelde nalatenschap van de vader van de man en de saldi ingevolge r.o. 8 en 19 van deze beschikking

- de aandelen in de besloten vennootschappen [BV1] en [BV2]

- de erfstukken van de man

- de auto Mercedes-Benz

- het saldo van de volgende rekening:

nr [bankrekening 1] tnv de man bij de Rabobank

- de helft van het tegoed bij de zuster van de man

- het spaarloon van de man

- de vorderingen op de besloten vennootschappen

- de schuld aan de besloten vennootschappen;

veroordeelt de man tot betaling aan de vrouw wegens onderbedeling van een bedrag van

f 102.451,83 ofwel Euro 46.490,06;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat de kosten van het geding in beide instanties worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten (waaronder de taxen voor de door de betreffende partij voorgebrachte getuigen) draagt en dat de kosten van de deskundige door ieder van partijen bij helfte worden gedragen;

wijst af het meer of anders verzochte.

Aldus gegeven door mrs Bloem, voorzitter, Wachter en Kuiken, raden, en uitgesproken door mr Mollema, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mevrouw Mellink als griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 10 maart 2004.