Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2004:AO5335

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
05-03-2004
Datum publicatie
10-03-2004
Zaaknummer
BK 1507/02 Baatbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Te dezen is in geschil het antwoord op de vraag of belanghebbende op grond van de Verordening terecht in de baatbelasting is betrokken.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 10:3
Algemene wet inzake rijksbelastingen 5
Gemeentewet 222
Gemeentewet 231
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2004/910
V-N 2004/31.28 met annotatie van Redactie
FutD 2004-0503
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 1507/02 5 maart 2004

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, tweede meervoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z tegen de uitspraak namens de directeur Algemene Zaken van de gemeente Leeuwarden (hierna: de heffingsambtenaar, respectievelijk: de gemeente), gedaan door de Sectormanager Publiekszaken wnd. op het namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift tegen de hem opgelegde aanslag in de baatbelasting fase 1B op grond van de Verordening baatbelasting 2001 fase 1B van de gemeente Leeuwarden (nader: de Verordening).

1. Ontstaan en loop van het geding

Belanghebbende werd ter zake van het hem in eigendom toebehorende pand a-straat 6 te Z op grond van de Verordening aangeslagen tot een bedrag van € 2.285,43.

Op het ingediende bezwaar van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij de bestreden uitspraak van 23 mei 2002, verzonden 24 mei 2002, de aanslag gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift (met bijlagen), hetwelk op 2 juli 2002 is ingekomen en hetwelk is aangevuld bij schrijven van 31 juli 2002 (met bijlage), ingekomen op 1 augustus 2002.

Nadat de heffingsambtenaar zijn verweerschrift (met bijlagen) had ingezonden heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden ter zitting van 19 januari 2004, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig waren de gemachtigde van belanghebbende en de gemachtigde van de heffingsambtenaar. Ten behoeve van de behandeling ter zitting heeft de gemachtigde van belanghebbende op 5 januari 2004 nog een stuk ingezonden, waarvan een afschrift is gezonden aan de tegenpartij.

Ter voormelde zitting heeft elk der partijen een pleitnota voorgedragen en overgelegd.

Van alle genoemde en hierna nog te noemen stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten.

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:

Belanghebbende is eigenaar van het pand dat aan de ene zijde is gelegen aan de a-straat met huisnummer 6 en aan de andere zijde aan de b-straat met huisnummer 11 te Z, welk pand is gelegen in het in de Verordening aangeduide gebied.

Op 15 maart 1999 is het aangevuld bekostigingsbesluit herinrichting binnenstad eerste fase: Waagplein en omgeving vastgesteld, waarna op 20 november 2000 de begroting van de kosten en opbrengsten van fase 1B is vastgesteld.

De raad van de gemeente Leeuwarden heeft in de openbare vergadering van 20 november 2000 de Verordening vastgesteld en deze is op de voorgeschreven wijze bekend gemaakt.

Fase 2 betreft de herinrichting van de c-straat en omgeving.

De voorzieningen van fase 1B omvatten:

- het verfraaien van de bestrating op de c-straat en de d-straat Noord- en Zuidzijde ten oosten van de e-straat;

- het aanbrengen en verfraaien van straatmeubilair op de c-straat en de d-straat Noord- en Zuidzijde ten oosten van de e-straat;

- het aanleggen van fraai vormgegeven openbare verlichting op de c-straat.

Als gebate onroerende zaken voor de Verordening zijn aangemerkt de onroerende zaken die:

A: direct grenzen aan de c-straat en de d-straat Noord- en Zuidzijde ten oosten van de e-straat;

B: gelegen zijn aan straten die rechtstreeks uitkomen op de c-straat en de d-straat Noord- en Zuidzijde;

C: alsmede onroerende zaken die indirect grenzen aan de c-straat en de d-straat Noord- en Zuidzijde door middel van een voor het winkelende publiek toegankelijke, overdekte passage die de onroerende zaak verbindt met een aan het heringerichte c-straat en/of de d-straat Noord- en Zuidzijde grenzende, andere onroerende zaak.

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leeuwarden heeft bij besluit van 27 juni 2000 de bevoegdheid tot het

opleggen van aanslagen baatbelasting geattribueerd aan de directeur Algemene Zaken en hem aangewezen als "heffingsambtenaar" als bedoeld in artikel 231, lid 2, van de Gemeentewet, waarna de directeur Algemene Zaken ingevolge het mandaatbesluit van 27 juni 2000 de hem toekomende bevoegdheden heeft gemandateerd aan het sectorhoofd Publiekszaken, welke als gemandateerde op 23 mei 2002 de uitspraak op het bezwaar heeft gedaan, welke op 24 mei 2002 is verzonden.

Met dagtekening 5 april 2001 is aan belanghebbende met betrekking tot het voormelde pand, welk pand ligt in het in de Verordening bepaalde gebied, de onderhavige aanslag baatbelasting opgelegd tot een bedrag van € 2.285,43.

Op het bezwaar van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij de bestreden uitspraak de aanslagen gehandhaafd.

3. Het geschil.

Te dezen is in geschil het antwoord op de vraag of belanghebbende op grond van de Verordening terecht in de baatbelasting is betrokken.

4. Het standpunt van belanghebbende.

Namens belanghebbende is - voor zover te dezen van belang, kort samengevat - gesteld in het beroepschrift en mondeling ter zitting:

De aanslag is onbevoegd opgelegd en niet ondertekend.

Het sectorhoofd Publiekszaken is niet bevoegd op het onderhavige bezwaarschrift te beslissen: was dit uit hoofde van ondertekeningsmandaat of uit hoofde van beslissingsmandaat? Daarbij rijst tevens de vraag welke functionaris de aanslag heeft opgelegd en of dit wellicht ook het sectorhoofd Publiekszaken is geweest.

De begrenzing in de Verordening van het door fase 1B gebate gebied is niet zodanig gekozen, dat er sprake is van een objectief verdedigbaar gebaat gebied, daar die begrenzing niet aansluit bij het gebied van het bekostigingsbesluit, dat een vele malen groter gebied omvat dan het gebied waarin daadwerkelijk baatbelasting wordt geheven.

Door de getroffen voorzieningen wordt de onroerende zaak niet gebaat. Het treffen van de onderhavige voorzieningen valt binnen de op de gemeente rustende publieke verplichting. Verder trekt, als de stelling van de gemeente juist is, de gehele stad Z profijt van de getroffen voorzieningen.

De splitsing tussen de verschillende fasen van de herinrichting is niet duidelijk, hetgeen tot willekeurige belastingheffing leidt.

Ten onrechte zijn woningen en kerken buiten de heffing gelaten.

5. Het standpunt van de heffingsambtenaar.

De heffingsambtenaar heeft daartegenover -voor zover te dezen van belang, kort samengevat- aangevoerd in het verweerschrift en mondeling ter zitting:

De bevoegdheid tot vaststelling van de aanslagen is door het college van burgemeester en wethouders bij besluit van 27 juni 2000 geattribueerd aan de directeur Algemene Zaken door hem aan te wijzen als de heffingsambtenaar als bedoeld in artikel 231, lid 2, van de Gemeentewet, zodat de aanslag bevoegd is opgelegd.

De feitelijke vaststelling van de aanslag heeft onder verantwoordelijkheid van de heffingsambtenaar plaastgevonden door een medewerker van de dienst Stadsontwikkeling. De uitspraak op het bezwaar is namens de heffingsambtenaar feitelijk gedaan door de sectormanager Publiekszaken.

De onderhavige voorzieningen betreffen een gedeelte van de herinrichting dat het onderhoud van de binnenstad te boven gaat, en waardoor een gemoderniseerd en voor winkelpubliek aantrekkelijker en verblijfsvriendelijker gebied ontstaat. Hierdoor zijn in het gebied liggende onroerende zaken in een voordeliger positie komen te verkeren. De getroffen voorzieningen zijn niet zodanig alomvattend dat daardoor de gehele stad is gebaat. Bij het bekostigingsbelsuit is, mede op aandrang van de ondernemersvereniging, een ruim gebied aangewezen, doch bij de Verordening is slechts dat gebied aangewezen voor de heffing van de belasting dat daadwerkelijk is gebaat door de voorzieningen.

De herinrichting is in een aantal fasen uitgevoerd, welke fasen duidelijk in de daarop van toepassing zijnde verordeningen zijn afgebakend.

De doelstelling een voor het winkelpubliek aantrekkelijker gebied te doen ontstaan leidt ertoe dat woningen en kerken door de voorzieningen niet of nauwelijks worden gebaat.

Partijen hebben ter zitting hun onderscheidene standpunten gehandhaafd, zonder daartoe overigens nadere gronden te hebben aangevoerd.

6. De overwegingen omtrent het geschil.

6.1 Belanghebbende heeft aangevoerd, dat de aanslag onbevoegd is opgelegd en niet was ondertekend.

Vaststaat, dat het college van burgemeester en wethouders van de Gemeente Leeuwarden bij besluit van 27 juni 2000, gepubliceerd in het plaatselijke blad Huis aan Huis van 12 juli 2000 - waarvan blijkt uit deze in afschrift tot de gedingstukken behorende stukken - ondermeer voor de baatbelasting de directeur algemene zaken heeft aangewezen als gemeente ambtenaar, belast met de heffing van gemeentelijke belastingen als bedoeld in artikel 231, lid 1, onderdeel b van de Gemeentewet.

Nu het hof geloof hecht aan de verklaring van de heffingsambtenaar, dat de feitelijke vaststelling van de aanslag onder zijn verantwoordelijk heeft plaatsgevonden, moet worden aangenomen, dat de aanslag bevoegdelijk door deze is opgelegd.

De omstandigheid, dat het aanslagbiljet niet is ondertekend doet daaraan niet af, aangezien artikel 5 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen een zodanige eis niet kent.

6.2 Ingevolge voormeld attributiebesluit van 27 juni 2000 is de directeur Algemene Zaken eveneens bevoegd te beslissen op het bezwaarschrift. De directeur heeft bij mandaatbesluit van 27 juni 2000, hetwelk eveneens in afschrift tot de stukken behoort, zijn bevoegdheden gemandateerd aan het sectorhoofd Publiekszaken, zodat dit sectorhoofd bevoegdelijk uitspraak heeft gedaan op het bezwaar. Nu daarenboven de feitelijke vaststelling van de aanslag, naar de heffingsambtenaar heeft verklaard, onder zijn verantwoordelijkheid heeft plaatsgevonden door een medewerker van de dienst Stadsontwikkeling is daarmee tevens voldaan aan het bepaalde in artikel 10:3, lid 3, van de Algemene wet bestuursrecht (nader: de Awb).

6.3 De begrenzing van het gebied, waarop de fase 1B van de herinrichting betrekking heeft, is in het bekostigingsbesluit aanzienlijk groter dan het gebied dat op de bij de Verordening behorende kaart als gebaat gebied is aangegeven. Zulks leidt niet tot een willekeurige en onredelijke belastingheffing waarop de wetgever niet het oog kan hebben gehad. De Verordening is derhalve niet om deze reden onverbindend te achten.

6.4 Belanghebbende voert aan, dat zijn pand door de voorzieningen niet is gebaat.

Naar uit de omschrijving van de werkzaamheden op grond waarvan de baatbelastingen worden geheven en hetgeen het hof daaromtrent uit eigen wetenschap bekend is, nu het betreffende gebied is gelegen in de nabijheid van A, acht het hof aannemelijk, dat deze voorzieningen de strekking hebben van een verfraaiing van het desbetreffende winkelgebied, waarbij de ervaring leert, dat door de grotere aantrekkelijkheid van het desbetreffende gebied voor het publiek door een zodanige verfraaiing de bedrijfspanden in een dergelijk gebied- objectief bezien - in een voordeliger positie worden gebracht en als zodanig zijn gebaat.

Anders dan belanghebbende meent is daarbij niet van belang, of de onroerende zaak daarbij in waarde is gestegen.

Het hof gaat mede voorbij aan al hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd met betrekking tot de eventuele aantrekkelijkheid en nuttigheid van de voorzieningen, aangezien de persoonlijke appreciatie van een en ander voor het karakter van de baatbelasting niet bepalend is, doch uitsluitend de vraag of deze voorzieningen objectief bezien de strekking hebben tot verbetering van het winkelgebied, waardoor onder meer het onderhavige pand in een voordeliger positie wordt gebracht, hetgeen - zoals hiervoor overwogen - het geval is. Daarbij verdient opmerking dat de onroerende zaak van belanghebbende voor de maatstaf van heffing een liggingsfactor heeft van 0,75. Het hof acht niet aannemelijk dat de onderhavige voorzieningen zo verstrekkend zijn dat de gehele stad Z daardoor is gebaat.

6.5 Voorts blijkt uit de in het bekostigingsbesluit opgenomen begroting en het overzicht van bestede kosten dat bij het heffen van de belasting geen onderhoudskosten zijn verhaald.

6.6 Belanghebbende heeft voorts nog aangevoerd dat de verordeningen onverbindend zijn, aangezien eveneens gebate woningen en een kerk buiten de heffing worden gelaten.

De heffingsambtenaar stelt daartegenover, dat de voorzieningen voor de woningen en de kerk geen baat opleveren.

Gelet op de aard van de onderwerpelijke voorzieningen is het hof van oordeel, dat de woningen in het desbetreffende gebied welke - naar het hof uit eigen wetenschap bekend is - goeddeels alle bovenwoningen zijn en de kerk niet of slechts in verwaarloosbare mate zijn gebaat met die voorzieningen, zodat de gemeente door die woningen en de kerk - kennelijk door aan te nemen dat deze niet zijn gebaat in de zin van de Verordeningen - niet in de heffing te betrekken, niet is gekomen tot een onredelijke of willekeurige heffing, welke de wet niet kan hebben bedoeld.

6.7 Naar 's hofs oordeel is in de Verordening voldoende duidelijk omschreven voor welk gedeelte van de herinrichting de Verordening is gegeven. Niet blijkt, en zulks acht het hof ook niet aannemelijk, nu de heffingsambtenaar dat heeft ontkend, dat in de verschillende fasen van de herinrichting en in de daarop betrekking hebbende verschillende verordeningen, dezelfde voorzieningen meer dan eenmaal voorkomen en voorwerp zijn van belastingheffing. Van een willekeurige belastingheffing is dan ook op grond hiervan geen sprake.

6.8 Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het beroep in al zijn onderdelen ongegrond is.

6.9 Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

7. De beslissing.

Het hof verklaart het beroep ongegrond.

Gedaan op 5 maart 2004 door mr. Drion, raadsheer en voorzitter, mr. Fransen en mr. Van der Meer, raadsheren, en op die dag in het openbaar uitgesproken door voornoemde voorzitter in tegenwoordigheid van mr. Thomas als griffier en ondertekend door de voorzitter en door de griffier.

Op 10 maart 2004 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.