Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2004:AO4851

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
27-02-2004
Datum publicatie
03-03-2004
Zaaknummer
BK 1534/02 Logiesbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Te dezen is in geschil het antwoord op de vraag of de aanslag is opgelegd op een verordening die verbindende kracht mist en, zo zulks niet het geval is, of de aanslag voor wat betreft het tarief dient te worden verlaagd op grond van het gelijkheidsbeginsel.

Wetsverwijzingen
Gemeentewet 139
Gemeentewet 224
Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten 26
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2004-0424
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 1534/02 27 februari 2004

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, tweede meervoudige belastingkamer, op het beroep van X B.V. te Z tegen de uitspraak van de algemeen directeur van de Dienst Informatie en Administratie particulieren van de gemeente Groningen te Groningen (hierna: de directeur, respectievelijk: de gemeente), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de haar opgelegde aanslag in de logiesbelasting voor het jaar 2000.

1. Ontstaan en loop van het geding

Belanghebbende werd voor het jaar 2000 ingevolge de Verordening logiesbelasting, gelijk deze verordening gold voor het jaar 2000 (nader: de Verordening) in de logiesbelasting aangeslagen naar een aantal van 3.744 overnachtingen in een accommodatie met ster door personen van 18 jaar en ouder en 282 overnachtingen in een accommodatie met ster door personen jonger dan 18 jaar tot een bedrag van ƒ 11.655,--.

Op het tijdig ingediende bezwaar van belanghebbende heeft de directeur bij de bestreden uitspraak van 2 juli 2002 de aanslag gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift (met bijlagen), hetwelk op 5 juli 2002 is ingekomen en is aangevuld bij schrijven (met bijlagen) van 8 augustus 2002.

Nadat de directeur zijn verweerschrift (met bijlagen) heeft ingezonden, heeft het gerechtshof belanghebbende toegestaan een conclusie van repliek in te zenden, welke conclusie van repliek ter 's hofs griffie is ingekomen op 6 februari 2003 en waarvan een afschrift werd gezonden aan de directeur.

De directeur heeft vervolgens een conclusie van dupliek ingezonden, welke conclusie van dupliek ter 's hofs griffie is ingekomen op 14 maart 2003 en waarvan een afschrift werd gezonden aan de gemachtigde van belanghebbende.

Vervolgens heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden ter zitting van 7 januari 2004, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig waren de gemachtigde van belanghebbende vergezeld van mevrouw mr. A, zomede de gemachtigde van de directeur, vergezeld van mevrouw mr.drs. B en mr. C.

Ter voormelde zitting heeft de gemachtigde van belanghebbende een pleitnota (met bijlagen) alsmede een aanvulling op de pleitnotities voorgedragen en overgelegd. De gemachtigde van de directeur heeft geen bezwaar gemaakt tegen overlegging van genoemde bijlagen.

Ook de gemachtigde van de directeur heeft een pleitnota voorgedragen en overgelegd.

Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten.

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:

2.1 In de openbare raadsvergadering van 23 februari 2000 heeft de raad van de gemeente de op artikel 224, eerste lid, van de Gemeentewet gebaseerde Verordening vastgesteld, waarbij onder de naam logiesbelasting een toeristenbelasting wordt geheven.

2.2 De Verordening is op 8 maart 2000 bekendgemaakt door plaatsing van de integrale tekst van het raadsbesluit tot vaststelling van de belastingverordening in Gemeenteblad 2000-08, welk gemeenteblad op 8 maart 2000 kosteloos voor een ieder ter inzage is gelegd en verkrijgbaar gesteld bij het Gemeentelijk Informatiecentrum. Hiervan is eveneens op 8 maart 2000 mededeling gedaan in de Gezinsbode, een plaatselijk huis-aan-huisblad. Inwerkingtreding van de Verordening is voorzien per 9 maart 2000 en de datum van ingang van de heffing is 1 juli 2000.

2.3 Een gedrukte versie van de Verordening is ook uitgebracht onder de naam -eveneens- Gemeenteblad 2000-08, welke gedrukte tekstuitgave (nader: de gedrukte versie) eveneens op aanvraag verkrijgbaar is bij het Gemeentelijk Informatiecentrum.

2.4 In artikel 6, eerste lid, van de Verordening is bepaald:

"Het tarief bedraagt per persoon per overnachting op of in:

a. een hotel, vallende in een ster-categorie: f 3,--

b. een hotel, niet vallende in een ster-categorie, pensions, opleidingscentra, vakantieonderkomens, mobiele kampeeronderkomens, niet-beroepsmatige verhuurde ruimten, vaste standplaatsen en vaartuigen:f 1,50

2.5 De gedrukte versie wijkt af van de door de raad vastgestelde tekst van de Verordening voor wat betreft het in artikel 6, lid 2, van de Verordening opgenomen tarief voor personen beneden achttien jaar, hetwelk in de door de raad vastgestelde tekst is bepaald op f 1,50 per overnachting. In de gedrukte versie is in artikel 6, lid 2, van de Verordening vermeld: "Voor personen beneden achttien jaar bedraagt het tarief per persoon per overnachting de helft van het in het eerste lid genoemde tarief."

2.6 De door de raad in de raadsvergadering vastgestelde tekst en de tekst van het Gemeenteblad 2000-08 zijn ondertekend door de voorzitter en de secretaris van de raad. De gedrukte versie is niet ondertekend.

2.7 De bekendmaking in de Gezinsbode bevat een summiere beschrijving van de te heffen belasting met de tarieven, waarbij is vermeld: "Voor personen jonger dan achttien jaar is de helft van deze tarieven verschuldigd."

2.8 De belasting wordt daadwerkelijk geheven conform de uit de gedrukte versie af te leiden tarieven.

2.9 Mevrouw mr. A heeft bij bezoek aan het Gemeentelijk Informatiecentrum uitsluitend de gedrukte versie ter inzage verkregen.

2.10 Belanghebbende exploiteert een hotel, vallende in een ster-categorie.

2.11 Bij het vaststellen van de onderhavige aanslag is als tarief een bedrag van f 3,-- per persoon per overnachting gehanteerd en voor personen jonger dan achttien jaar f 1,50 per persoon per overnachting.

2.12 Op het tijdig ingediende bezwaar van belanghebbende heeft de directeur bij de bestreden uitspraak de aanslag gehandhaafd.

3. Het geschil.

Te dezen is in geschil het antwoord op de vraag of de aanslag is opgelegd op een verordening die verbindende kracht mist en, zo zulks niet het geval is, of de aanslag voor wat betreft het tarief dient te worden verlaagd op grond van het gelijkheidsbeginsel.

4. De standpunten van partijen.

Namens belanghebbende is op gronden, gelijk vervat in het beroepschrift, de conclusie van repliek en voormelde pleitnota, primair het standpunt ingenomen dat er kennelijk twee verordeningen bestaan, waarvan slechts één door de raad is vastgesteld, welke niet op de juiste wijze is bekendgemaakt. De tweede verordening, welke wel bekend is gemaakt is niet door de raad vastgesteld. Deze twee verordeningen zijn daarom onverbindend. Indien de aanslag is opgelegd op grond van één van deze verordeningen dient de aanslag derhalve te worden vernietigd. Voor zover de aanslag is gebaseerd op een verbindende verordening dient hij te worden verlaagd omdat het onderscheid in de tarieven als vermeld in artikel 6, eerste lid, onder a en b, van de Verordening niet is gebaseerd op een redelijke motivering, nu het verschil in de tarieven niet een afspiegeling vormt van een redelijke verhouding tussen de overnachtingsprijzen van de verschillende categorieën en zulks wel aan het verschil in tarief ten grondslag werd gelegd.

De directeur heeft daartegenover op gronden, gelijk weergegeven in het verweerschrift en de pleitnota, het standpunt verdedigd dat sprake is van een op de juiste wijze vastgestelde en gepubliceerde verordening, die verbindende kracht heeft. Dat de gedrukte versie enigszins afwijkt van de door de raad vastgestelde en gepubliceerde verordening doet daaraan niet af. De in artikel 6, eerste lid, van de Verordening onder a en b genoemde categorieën vormen geen gelijke gevallen, zodat onderscheid in de tariefstelling dan ook niet in strijd is met het gelijkheidsbeginsel.

Partijen hebben ter zitting hun onderscheidene standpunten gehandhaafd, zonder daartoe nog nadere gronden te hebben aangevoerd.

5. De overwegingen omtrent het geschil.

5.1 Naar vaststaat is op 23 februari 2000 door de raad van de gemeente het besluit genomen tot vaststelling van een op artikel 224 van de Gemeentewet gebaseerde belastingverordening. De tekst van deze verordening is daarbij vastgesteld en ondertekend door de voorzitter en de secretaris van de raad. Derhalve is deze verordening rechtsgeldig tot stand gekomen.

5.2 Namens belanghebbende is gesteld dat deze verordening niet op de juiste wijze is gepubliceerd, zodat hij verbindende kracht ontbeert.

Naar uit de door de directeur bij het verweerschrift overgelegde stukken blijkt is de eveneens door de voorzitter en de secretaris van de raad ondertekende tekst gepubliceerd in het Gemeenteblad nummer 2000-08 en is daarvan melding gedaan in de Gezinsbode, een plaatselijk huis-aan-huisblad. Daarbij is tevens gemeld dat de vastgestelde verordening kosteloos voor een ieder ter inzage ligt en voor een ieder verkrijgbaar is bij het Gemeentelijk Informatiecentrum. Met het vorenstaande is naar 's hofs oordeel voldaan aan de publicatieplicht en kan aan de Verordening de verbindende kracht niet worden ontzegd.

5.3 Aan het vorenstaande doet niet af dat in de Gezinsbode niet de letterlijke tekst van de Verordening is afgedrukt, noch dat de daarin vermelde essentie van de te heffen belasting niet letterlijk overeenkomt met de tekst van de Verordening.

5.4 Eveneens doet daaraan niet af dat door de gemeente voor belangstellenden, die daarom verzoeken, een gedrukte versie van de Verordening beschikbaar wordt gesteld, die wat betreft de tekst afwijkt van artikel 6 van de Verordening. Zulks zou slechts gevolgen kunnen hebben ingeval bij belastingplichtigen daardoor het vertrouwen wordt opgewekt dat een lagere aanslag zou worden opgelegd. Dit kan in de onderhavige zaak niet het geval zijn.

5.5 Tegenover het door de gemachtigde van de directeur gestelde, dat de officieel vastgestelde tekst van de Verordening op verzoek ter beschikking wordt gesteld, heeft de gemachtigde het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. Niet is duidelijk geworden op welke wijze mevrouw mr. A bij het Gemeentelijk Informatiecentrum om terbeschikkingstelling van de tekst van de Verordening heeft verzocht.

5.6 Het moet belanghebbende wel worden toegegeven dat de aanduiding van de gedrukte versie met Gemeenteblad nummer 2000-08 verwarrend is, doch daarmee is onverbindendheid van de Verordening nog geen feit.

5.7 De aanslag is derhalve gegrond op een verordening die de verbindendheid niet ontbeert.

5.8 Namens belanghebbende is voor dat geval subsidiair gesteld dat voor de in de Verordening gehanteerde tariefsdifferentiatie een redelijke grond ontbreekt en dat deze leidt tot een willekeurige en onredelijke belastingheffing, omdat de daaraan ten grondslag liggende gedachte dat de differentiatie meer overeenstemt met een redelijke verhouding tussen de overnachtingsprijs en de logiesbelasting door prijsonderzoek wordt gelogenstraft. De differentiatie is daarom volgens belanghebbende in strijd met het gelijkheidsbeginsel.

5.9 Naar 's hof oordeel blijkt uit de in artikel 1 van de Verordening opgenomen omschrijving van de verschillende accomodatiecategorieën, dat die onderscheiden categorieën geen gelijke gevallen vormen, zodat toepassing van verschillende tarieven voor de verschillende categorieën geen schending vormt van het gelijkheidsbeginsel.

5.10 Naar partijen ter zitting hebben verklaard is voor dat geval de cijfermatige samenstelling van de aanslag niet in geschil.

5.11 Gelet op het vorenstaande is de aanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag aan belanghebbende opgelegd, zodat het beroep ongegrond is.

5.12 Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing.

Het hof

verklaart het beroep ongegrond.

Gedaan op 27 februari 2004 door mr. Pruiksma, vice-president en voorzitter, mr. Drion en mr. Huiskes, raadsheren, en op die dag in het openbaar uitgesproken door voornoemde vice-president in tegenwoordigheid van mevrouw mr. Hiemstra als griffier en ondertekend door de voorzitter en door de griffier.

Op 3 maart 2004 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.