Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2004:AO4719

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
25-02-2004
Datum publicatie
02-03-2004
Zaaknummer
Rolnummer 0300254
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

[geïntimeerden] hebben in hun verweer in dit hoger beroep het standpunt ingenomen dat het onduidelijk is welke de verbintenis is die aan de reconventionele eis van [appellant] ten grondslag ligt. Het hof is van oordeel dat de stellingen en conclusies van [appellant] in eerste aanleg en in dit hoger beroep, in hun onderling verband bezien en in samenhang met de door [appellant] bij zijn conclusie van eis in reconventie onder nummer 7 overgelegde productie, duidelijk aangeven dat [appellant] uit hoofde van een beweerdelijk door hem gesloten overeenkomst van geldlening met de geïntimeerde [geïntimeerde 2] en diens echtgenote [echtgenote geintimeerde 2] terugbetaling vordert van het door hem aan [geïntimeerde 2] en diens echtgenote [echtgenote geintimeerde 2] beweerdelijk geleende bedrag van Euro 11.344,51 (f 25.000,--). Het hof is van oordeel dat op grond hiervan de civiele sector van de rechtbank Assen rechtsmacht heeft ten aanzien van deze reconventionele vordering. Dit wordt niet anders nu [geïntimeerden] de door [appellant] gestelde grondslag van zijn vordering betwisten, aangezien voor de toepassing van het bepaalde in artikel 5 onder 1 EEX-verordening bepalend is de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt. Aan het - voorwaardelijke en slechts in algemene bewoordingen gestelde - bewijsaanbod van [geïntimeerden] komt het hof derhalve niet toe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 25 februari 2004

Rolnummer 0300254

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de derde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiser in reconventie,

hierna te noemen: [appellant],

voorwaardelijke toevoeging,

procureur: mr P.R. van den Elst,

tegen

1. [geïntimeerde 1],

wonende te [buitenland],

hierna te noemen: [geïntimeerde 1],

2. [geïntimeerde 2],

wonende te [buitenland],

hierna te noemen: [geïntimeerde 2],

geïntimeerden,

in eerste aanleg: eisers in conventie en verweerders in reconventie,

hierna gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden],

procureur: mr J.F. Rouwé-Danes.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis uitgesproken op 17 februari 2003 door de rechtbank te Assen, sector kanton, locatie Assen (hierna te noemen: de kantonrechter).

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 13 mei 2003 is door [appellant] hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van [geïntimeerden] tegen de zitting van 4 juni 2003.

De conclusie van de memorie van grieven luidt:

''het vonnis van de rechtbank Assen, sector kanton, locatie Assen d.d. 17 februari 2003 tussen appellant als eiser in het incident en geïntimeerde als gedaagde in het incident gewezen, te vernietigen en opnieuw rechtdoende, desnoods onder verbetering/aanvulling van gronden naar een hier te lande bevoegde rechter te verwijzen, met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide instanties.''

Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerden] verweer gevoerd met als conclusie:

''dat [appellant] ten opzichte van geïntimeerden niet-ontvankelijk zal worden verklaard, althans dat het Gerechtshof het door [appellant] ingestelde hoger beroep, zal afwijzen en zal bevestigen het vonnis in incident van de Rechtbank, sector kanton te Assen op 17 februari 2003 tussen partijen gewezen onder zaak-/ rolnummer 111574 / CV EXPL 02-2699, met veroordeling van [appellant] in de kosten van beide instanties.''

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellant] heeft in het principaal appel één grief opgeworpen.

De beoordeling

Met betrekking tot de feiten en het verloop van de procedure in eerste aanleg

1. [geïntimeerden] hebben [appellant] gedagvaard voor de kantonrechter te Assen. Bij dagvaarding hebben [geïntimeerden] gevorderd [appellant] te veroordelen tot betaling aan hen tegen behoorlijk bewijs van kwijting van een bedrag van Euro 4.027,03, te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten, conform het rapport voorwerk, de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening, een en ander met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding.

2. Uit de stellingen van [geïntimeerden] blijkt dat het in feite gaat om een vordering van de geïntimeerde [geïntimeerde 2] van € 2.268,90, vermeerderd met contractuele rente ad Euro 34,84, en een vordering van de geïntimeerde [geïntimeerde 1] van Euro 1.698,03, vermeerderd met wettelijke rente ad Euro 25,26.

3. In reconventie heeft [appellant] gevorderd [geïntimeerden] te veroordelen tot betaling tegen behoorlijk bewijs van kwijting van een bedrag van Euro 11.344,51, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van het geding.

4. [appellant] heeft voorts incidenteel gevorderd de zaak - naar het hof begrijpt zowel in conventie als in reconventie - naar de rechtbank te verwijzen, stellende dat met zijn reconventionele vordering de "relatieve" bevoegdheidsgrenzen van de kantonrechter worden overschreden. Het hof neemt aan dat [appellant] in zijn stelling doelt op de absolute bevoegdheidsgrens van de kantonrechter.

5. De kantonrechter heeft bij het hiervoor genoemde vonnis van 17 februari 2003 in de hoofdzaak haar rechtsmacht met betrekking tot de vordering in conventie gegrond op het bepaalde in de EEX-verordening en in het incident zich onbevoegd verklaard van de vordering van [appellant] kennis te nemen. De kantonrechter heeft bij dit laatste overwogen dat de vordering in reconventie in beginsel behoort tot de absolute bevoegdheid van de civiele sector van een rechtbank en dat er geen zodanige samenhang is tussen de vorderingen in conventie en reconventie dat zij tezamen moeten worden behandeld. Voorts heeft de kantonrechter geoordeeld dat verwijzing naar een hier te lande bevoegde rechter niet mogelijk is, omdat [geïntimeerden] woonplaats in [buitenland] hebben.

Met betrekking tot de grief

6. De grief en de conclusie van [appellant] in dit hoger beroep stellen aan de orde dat de kantonrechter zich weliswaar terecht onbevoegd heeft verklaard van zijn reconventionele vordering kennis te nemen, maar de zaak voor wat betreft deze reconventionele vordering had dienen te verwijzen naar een hier te lande bevoegde rechter namelijk de rechtbank Assen. In dit hoger beroep heeft [appellant] gesteld dat de rechtbank Assen bevoegd is van zijn reconventionele vordering kennis te nemen op grond van het bepaalde in artikel 5 (onder 1) "EG-executieverdrag". Het hof begrijpt dat [appellant] hiermede doelt op de EEX-verordening, die met ingang van 1 maart 2002 het EEX-verdrag heeft vervangen. [appellant] voert ter zake de toepassing van artikel 5 sub 1 EEX-verordening aan dat zijn vordering een verbintenis uit overeenkomst betreft, namelijk een verbintenis tot betaling van een geldsom, die op grond van artikel 6:116 BW moet worden uitgevoerd aan de woonplaats van [appellant] te [woonplaats] in het arrondissement Assen.

7. Het hof merkt op dat het hoger beroep mede strekt tot verbetering en aanvulling van in eerste aanleg gepleegde verzuimen zodat het hof thans heeft te beoordelen het in hoger beroep door [appellant] gestelde met betrekking tot de rechtsmacht en de bevoegdheid van de civiele sector van de rechtbank Assen.

8. [geïntimeerden] hebben in hun verweer in dit hoger beroep het standpunt ingenomen dat het onduidelijk is welke de verbintenis is die aan de reconventionele eis van [appellant] ten grondslag ligt. Het hof is van oordeel dat de stellingen en conclusies van [appellant] in eerste aanleg en in dit hoger beroep, in hun onderling verband bezien en in samenhang met de door [appellant] bij zijn conclusie van eis in reconventie onder nummer 7 overgelegde productie, duidelijk aangeven dat [appellant] uit hoofde van een beweerdelijk door hem gesloten overeenkomst van geldlening met de geïntimeerde [geïntimeerde 2] en diens echtgenote [echtgenote geintimeerde 2] terugbetaling vordert van het door hem aan [geïntimeerde 2] en diens echtgenote [echtgenote geintimeerde 2] beweerdelijk geleende bedrag van Euro 11.344,51 (f 25.000,--). Het hof is van oordeel dat op grond hiervan de civiele sector van de rechtbank Assen rechtsmacht heeft ten aanzien van deze reconventionele vordering. Dit wordt niet anders nu [geïntimeerden] de door [appellant] gestelde grondslag van zijn vordering betwisten, aangezien voor de toepassing van het bepaalde in artikel 5 onder 1 EEX-verordening bepalend is de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt. Aan het - voorwaardelijke en slechts in algemene bewoordingen gestelde - bewijsaanbod van [geïntimeerden] komt het hof derhalve niet toe.

9. De grief slaagt derhalve en het hof zal op de grond van artikel 73 Rv. de zaak voor wat betreft de reconventionele vordering alsnog verwijzen naar de civiele sector van de rechtbank Assen.

Met betrekking tot de gevordere kostenveroordeling

10. De reconventionele vordering van [appellant] is, zoals hiervoor onder 8 is aangegeven, gebaseerd op een gestelde overeenkomst van geldlening met de geïntimeerde [geïntimeerde 2] en diens echtgenote [echtgenote geintimeerde 2]. [appellant] stelt niet, waarom ook de geïntimeerde [geïntimeerde 1] jegens hem tot terugbetaling van het geleende bedrag is gehouden. [appellant] dient derhalve in beginsel in de aan de zijde van [geïntimeerde 1] gerezen proceskosten te worden verwezen, maar het hof vindt aanleiding in de gewezen affectieve relatie tusen [appellant] en [geïntimeerde 1] deze kosten zowel in eerste aanleg als in hoger beroep te compenseren.

11. Het hof vindt aanleiding de proceskostenveroordeling in eerste aanleg van [appellant] jegens [geïntimeerde 2] in stand te laten, aangezien [appellant] in eerste aanleg geen stellingen naar voren heeft gebracht die hadden moeten leiden tot een andersluidend oordeel van de kantonrechter in het incident. [geïntimeerde 2] zal als de in het ongelijk te stellen partij in dit hoger beroep worden veroordeeld in de kosten daarvan.

De slotsom

Het hof zal om praktische redenen het vonnis in het incident waarvan beroep geheel vernietigen en partijen in de kosten veroordelen zoals hiervoor is overwogen in rechtsoverwegingen 10 en 11 (in verband met de kostencompensatie tussen [appellant] en [geïntimeerde 2] wordt voor de eerste aanleg de helft van het gemachtigdensalaris van Euro 270,-- toegekend en in hoger beroep aan salaris voor de procureur de helft van één punt in tarief II).

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt het vonnis in het incident waarvan beroep;

en opnieuw rechtdoende:

verklaart de kantonrechter onbevoegd om van de vordering in reconventie kennis te nemen en verwijst de zaak voor wat betreft de vordering in reconventie naar de (civiele sector van de) rechtbank Assen ter verdere behandeling en beslissing;

bepaalt ten aanzien van de tussen [appellant] en [geïntimeerde 1] gerezen kosten dat iedere partij de eigen kosten van het geding zowel in eerste aanleg als in hoger beroep zal dragen;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in eerste aanleg, gerezen aan de zijde van [geïntimeerde 2], en begroot die tot aan de uitspraak in eerste aanleg op Euro 135,- aan salaris gemachtigde;

veroordeelt [geïntimeerde 2] in de kosten van het geding in dit hoger beroep, gerezen aan de zijde van [appellant], en begroot die tot aan deze uitspraak op Euro 286,16 aan verschotten en Euro 385,50 aan salaris voor de procureur;

bepaald dat van de twee laatst gemelde bedragen aan de griffier dient te worden voldaan Euro 234,91 aan verschotten en Euro 385,50 voor salaris voor de procureur op rekeningnummer: 19.23.25.841 t.n.v. DS 541 arrondisement Leeuwarden, die daarmee zal handelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 243 Rv;

wijst af het meer of anders gevorderde;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mrs. Streppel, voorzitter, Makkinga en Verschuur, raden, en uitgesproken door mr Mollema, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mevrouw Mellink als griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 25 februari 2004.