Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2004:AO4046

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
10-02-2004
Datum publicatie
18-02-2004
Zaaknummer
BK 1872/02 Inkomstenbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Te dezen is in geschil het antwoord op de vraag of de vof al dan niet terecht heeft kunnen doteren aan de voorziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2004-0341
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 1872/02 10 februari 2004

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, tweede meervoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid ondernemingen van de belastingdienst te Leeuwarden (hierna: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1999.

1. Ontstaan en loop van het geding

Belanghebbende werd voor het jaar 1999 in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen aangeslagen naar een belastbaar inkomen als bedoeld in de Wet op de inkomstenbelasting 1964, gelijk deze wet voor het onderhavige jaar gold, (hierna te noemen: de Wet) van ƒ 57.244,--.

Op het tijdig ingediende bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van 11 oktober 2002 de aanslag verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van f 54.936,--.

Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift (met bijlagen), hetwelk op 9 oktober 2002 is ingekomen.

Nadat de inspecteur zijn verweerschrift (met bijlagen) heeft ingezonden, heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden ter zitting van 18 november 2003, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig waren de gemachtigde van belanghebbende, en belanghebbende die zijn gemachtigde vergezelde, zomede de inspecteur, die werd vergezeld door drs. A.

Ter voormelde zitting heeft de gemachtigde van belanghebbende de door hem ter zitting voorgedragen pleitnota overgelegd.

Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten.

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:

2.1 Belanghebbende, geboren in 19.., drijft als firmant van de vennootschap onder firma B (nader: de vof) tezamen met C een onderneming met als activiteiten elektrotechnische dienstverlening en installatiewerk voor industriële productiebedrijven. Belanghebbende en C zijn ieder voor 50% gerechtigd tot de winst van de vof.

2.2 De onderneming van de vof is sterk gevoelig voor schommelingen in de conjunctuur. Bij neergaande economie worden opdrachten uitgesteld of zelfs geannuleerd, zodat er dan te weinig werk is in verhouding tot de omvang van het personeelsbestand.

2.3 In het onderhavige jaar is de vof begonnen met de vorming van een "voorziening sociaal fonds personeel"(nader: de voorziening). De bedoeling van deze voorziening is de financiering van de gevolgen van gedwongen ontslagen met een sociaal plan.

2.4 De voorziening wordt gevoed met 10% van de totale loonsom, met de bedoeling in vijf jaar een fonds te creëren met een omvang van f 200.000,--.

2.5 In het jaar 2003 is één werknemer met gedwongen ontslag gegaan.

2.6 Nadat bleek dat de fiscus bezwaar had tegen de vorming van de voorziening is tot dusver alleen in het jaar 1999 een bedrag aan de voorziening toegevoegd.

2.7 Op 29 mei 2001 heeft een boekenonderzoek plaatsgevonden bij de vof.

2.8 Bij dit boekenonderzoek bleek onder meer de dotatie aan de voormelde voorziening en daarnaast een dotatie aan een "voorziening innovatie pand" en toegepaste scholingsaftrek.

2.9 De inspecteur heeft bij de onderhavige aanslag het aangegeven belastbaar inkomen onder meer verhoogd met de dotatie aan voormelde voorzieningen en met het bedrag van de scholingsaftrek, alle voor zover aan belanghebbende zijn toe te rekenen. Bij de bestreden uitspraak op het bezwaar heeft de inspecteur de correctie ter zake van de scholingsaftrek teruggenomen.

2.10 Ter zitting is namens belanghebbende verklaard dat hij zich neerlegt bij de correctie betreffende de dotatie aan de "voorziening innovatie pand".

3. Het geschil.

Te dezen is in geschil het antwoord op de vraag of de vof al dan niet terecht heeft kunnen doteren aan de voorziening.

4. Het standpunt van belanghebbende.

Namens belanghebbende is - voor zover te dezen van belang, kort samengevat - gesteld in het beroepschrift en mondeling ter zitting:

De voorziening is terecht getroffen gezien de financiële situatie waarin de vof verkeerde. Gedwongen ontslagen zijn bepaald niet ondenkbaar. Een sociaal plan is door de werknemers afdwingbaar, waarbij meestal de zogenaamde kantonrechtersformule wordt gebezigd. De gevormde voorziening is niet onredelijk.

5. Het standpunt van de inspecteur.

De inspecteur heeft daartegenover -voor zover te dezen van belang, kort samengevat- aangevoerd in het verweerschrift en mondeling ter zitting:

Wet en jurisprudentie laten geen ruimte voor vorming van de voorziening. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij Besluit van 4 januari 2001 (BNB 2001/114) zijn beleid ter zake van passiefposten voor toekomstige uitgaven geformuleerd. De onderhavige voorziening past niet in dit beleid omdat het hier gaat om toekomstige feiten die door de vof ten grondslag worden gelegd aan het onderhavige jaar.

6. De overwegingen omtrent het geschil.

6.1 In zijn arrest van 26 augustus 1998, nummer 33 417, (BNB 1998/409) heeft de Hoge Raad beslist dat moet worden toegestaan dat bij de bepaling van de winst voor een zeker jaar ter zake van toekomstige uitgaven een passiefpost wordt gevormd, indien die uitgaven hun oorsprong vinden in feiten of omstandigheden, die zich in de periode voorafgaande aan de balansdatum hebben voorgedaan en ook overigens aan die periode kunnen worden toegerekend, en ter zake waarvan een redelijke mate van zekerheid bestaat dat zij zich zullen voordoen.

6.2 In zijn Besluit van 4 januari 2001, nummer CPP2000/3175M (BNB 2001/114) heeft de Staatssecretaris van Financiën voor de belastingdienst beleid kenbaar gemaakt met betrekking tot de beoordeling van passiefposten als bedoeld in BNB 1998/409.

6.3 De inspecteur heeft bij het opleggen van de onderhavige navorderingsaanslag gehandeld overeenkomstig dit beleid.

6.4 Nu de vof, naar vast staat, de voorziening wenst te vormen met als bedoeling de financiering van de gevolgen van gedwongen ontslagen met een sociaal plan, en belanghebbende zulks motiveert met de omstandigheid dat bij neergaande economie opdrachten worden uitgesteld of zelfs geannuleerd, zodat er dan te weinig werk is in verhouding tot de omvang van het personeelsbestand, en daar ter zitting aan heeft toegevoegd dat de financiële situatie van de vof niet rooskleurig is te noemen en gedwongen ontslagen bepaald niet ondenkbaar zijn, dient te worden beoordeeld of onder deze omstandigheden een passiefpost als bedoeld in BNB 1998/409 kan worden gevormd.

6.5 Naar 's hofs oordeel is het feitencomplex, blijkend uit de vaststaande feiten en omstandigheden, beschouwd in samenhang met hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd omtrent mogelijke gedwongen ontslagen en de eventuele afdwingbaarheid van een sociaal plan, te vaag om daarop de vorming van de onderhavige voorziening te baseren. Van een redelijke mate van zekerheid in 1999 dat de toekomstige kosten zich zullen voordoen is niet gebleken. Het feit dat in het jaar 2003 één werknemer met gedwongen ontslag is gegaan is daartoe niet voldoende.

6.6 Voorts is niet aannemelijk geworden dat in de periode voorafgaande aan de balansdatum aan het einde van het jaar 1999 zich feiten of omstandigheden hebben voorgedaan waarin de door belanghebbende gestelde toekomstige uitgaven hun oorsprong vinden en aan welke periode die uitgaven ook overigens zijn toe te rekenen.

6.7 De inspecteur heeft derhalve terecht de vorming van de voorziening niet als passiefpost in het jaar 1999 geaccepteerd en belanghebbendes belastbaar inkomen dienovereenkomstig gecorrigeerd.

6.8 Nu de overige correcties ten processe niet meer tussen partijen in geschil zijn is het beroep mitsdien ongegrond.

6.9 Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. De beslissing.

Het hof verklaart het beroep ongegrond.

Gedaan op 10 februari 2004 door mr. Drion, raadsheer en voorzitter, mr. Huiskes, raadsheer, en mr.drs. Strik, raadsheer-plaatsvervanger, en op die dag in het openbaar uitgesproken door voornoemde

voorzitter in tegenwoordigheid van de griffier mevr.mr. De Jong en en ondertekend door voornoemde voorzitter en door voornoemde griffier.

Op 18 februari 2004 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.