Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2004:AO4017

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
13-02-2004
Datum publicatie
18-02-2004
Zaaknummer
BK 1360/02 WOZ
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Partijen twisten over de waarde van de onroerende zaak per 1 januari 1999.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:7
Algemene wet bestuursrecht 6:9
Algemene wet bestuursrecht 6:11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2004/28.1.2
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 1360/02 13 februari 2004

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, tweede enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van de heffingsambtenaar van de gemeente De Wolden (: de heffingsambtenaar) gedaan op het bezwaarschrift van de belanghebbende tegen de ten aanzien van hem genomen beschikking ingevolge de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet).

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Ingevolge de Wet heeft de heffingsambtenaar de waarde met betrekking tot de onroerende zaak gelegen aan het a-pad 1 te Z bij beschikking vastgesteld op een bedrag van ƒ 646.998,-- (€ 293.595,--).

1.2. Op het tijdig ingediende bezwaar van de belanghebbende heeft de heffingsambtenaar voormelde waarde bij de bestreden uitspraak van 13 december 2001, verzonden op 14 december 2001, gehandhaafd.

1.3. De belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een pro forma beroepschrift (met bijlagen), hetwelk op 6 mei 2002 bij het CJIB is ingekomen. Dit beroepschrift is vervolgens op 4 juni 2002 ter griffie van het gerechtshof ingekomen. Bij brief (met bijlagen), ingekomen bij het gerechtshof op 10 juni 2002, heeft de belanghebbende dit beroepschrift voorzien van de gronden van het beroep.

1.4. De heffingsambtenaar heeft op 14 januari 2003 een verweerschrift (met bijlagen) ingediend bij het gerechtshof.

1.5. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van het gerechtshof op 15 december 2003, gehouden te Assen, alwaar aanwezig waren de belanghebbende, alsmede namens de heffingsambtenaar de heren A en B. Ter voormelde zitting heeft de gemachtigde van de heffingsambtenaar een door hem ter zitting voorgedragen pleitnota overgelegd. Daarnaast heeft de gemachtigde van de heffingsambtenaar - zonder bezwaar van de zijde van de belanghebbende - foto's van belanghebbendes onroerende zaak en twee vergelijkingspercelen alsmede een (voorbeeld)exemplaar van de bij de uitspraak op het bezwaarschrift gevoegde bijsluiter overgelegd.

1.6. Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:

2.1. Bij beschikking van 28 februari 2001 is door de heffingsambtenaar ten aanzien van de belanghebbende als eigenaar en/of gebruiker van de onroerende zaak gelegen aan het a-pad 1 te Z (: de onroerende zaak) de waarde van die onroerende zaak vastgesteld. De beschikking geldt voor het tijdvak van 1 januari 2001 tot en met 31 december 2004.

2.2. De door de heffingsambtenaar aan de onroerende zaak toegekende waarde bedraagt per waardepeildatum 1 januari 1999 ƒ 646.998,-- (€ 293.595,--). Bij de bestreden uitspraak d.d. 13 december 2001, verzonden op 14 december 2001, is deze vastgestelde waarde gehandhaafd.

3. Het geschil en de standpunten van partijen

3.1. Partijen twisten over de waarde van de onroerende zaak per 1 januari 1999.

3.2. De belanghebbende is van mening dat de heffingsambtenaar de waarde van de onroerende zaak op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. Hij bepleit een waarde van ƒ 447.000,--.

3.3. De heffingsambtenaar houdt vast aan de bij de onderhavige beschikking vastgestelde waarde.

3.4. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Zij hebben daaraan ter zitting geen argumenten toegevoegd.

4. De overwegingen omtrent het geschil

4.1. Ingevolge de artikelen 6:7 en 6:9 van de Algemene wet bestuursrecht (: Awb) juncto artikel 30 van de Wet juncto de artikelen 26 en 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen kan tegen een uitspraak van de heffingsambtenaar op een bezwaarschrift binnen zes weken na dagtekening dan wel bekendmaking van die uitspraak beroep worden ingesteld bij het gerechtshof.

4.2. De bestreden uitspraak is gedagtekend 13 december 2001 en verzonden (bekendgemaakt) op 14 december 2001. Het beroepschrift is op 6 mei 2001 - wegens het door de belanghebbende foutief vermelde postbusnummer - bij het CJIB en vervolgens op 4 juni 2002 bij het gerechtshof ingekomen. Het beroepschrift is dus zowel bij het CJIB als bij het gerechtshof ruim na het verstrijken van de onder punt 4.1 bedoelde termijn ingekomen. Het gerechtshof merkt hierbij op dat namens de heffingsambtenaar ter zitting onweersproken is verklaard dat (standaard) bij elke uitspraak een bijsluiter wordt gevoegd, waarin staat vermeld door wie, binnen welke termijn en bij welk orgaan beroep kan worden ingesteld. Een (voorbeeld)exemplaar van een dergelijke bijsluiter - waarin onder meer de betreffende termijn alsmede de adresgegevens van het gerechtshof duidelijk staan vermeld - heeft de gemachtigde van de heffingsambtenaar ter zitting overgelegd. Hoewel uit de gedingstukken niet blijkt dat een dergelijke bijsluiter bij de bestreden uitspraak was gevoegd, gaat het gerechtshof - gelet op hetgeen namens de heffingsambtenaar ter zitting hieromtrent te berde is gebracht - er vanuit dat de belanghebbende wel een dergelijke bijsluiter heeft ontvangen. De belanghebbende heeft onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd die nopen tot een andersluidend oordeel. Ook overigens heeft de belanghebbende onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan in de zin van artikel 6:11 van de Awb redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat hij in verzuim is geweest.

4.3. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het gerechtshof de belanghebbende niet kan ontvangen in zijn beroep. Dit houdt in dat het gerechtshof niet toekomt aan de beoordeling van de inhoudelijke geschilpunten.

4.4. Het gerechtshof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.

5. De beslissing

Het gerechtshof verklaart het beroep niet-ontvankelijk

Aldus vastgesteld op 13 februari 2004 door mr. Pruiksma, vice-president, lid van de tweede enkelvoudige belastingkamer en op die dag in het openbaar uitgesproken te Leeuwarden door voornoemde vice-president in tegenwoordigheid van de griffier mw. mr. Hiemstra en ondertekend door voornoemde vice-president en voornoemde griffier.

Op 18 februari 2004 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.