Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2004:AO3434

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
04-02-2004
Datum publicatie
11-02-2004
Zaaknummer
BK 1540/02 Accijns
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Te dezen is in geschil het antwoord op de vraag of de naheffingsaanslag met betrekking tot het gedeelte dat betrekking heeft op de leveranties aan B, groot f.88.520,25 of € 40.168,74 terecht is opgelegd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 20
Wet op de accijns 1
Wet op de accijns 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 1540/02 4 februari 2004

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, tweede meervoudige belastingkamer, op het beroep van X B.V. (thans: Y bv) te Z tegen de uitspraak van het hoofd van het Douane district Groningen van de belastingdienst te Groningen (hierna: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de haar opgelegde naheffingsaanslag in de accijns van bier voor het tijdvak 6 juli 1998 tot 1 augustus 2001.

1. Ontstaan en loop van het geding

Aan belanghebbende werd voor het tijdvak 6 juli 1998 tot 1 augustus 2001 een naheffingsaanslag in de accijns opgelegd op grond van de Wet op de accijns, gelijk deze wet voor het onderhavige tijdvak gold, (hierna te noemen: de Wet) van ƒ 205.049,-- voor accijns van bier en f. 6.772,-- voor accijns van wijn. Daarbij werd tevens een boete opgelegd ter hoogte van f. 52.955,-- en f. 16.756,-- aan heffingsrente in rekening gebracht.

Op het tijdig ingediende bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van 23 mei 2002 de aanslag gehandhaafd en de boete laten vervallen.

Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift (met bijlage), hetwelk op 5 juli 2002 is ingekomen (en gelet op het poststempel niet later dan 4 juli 2002 ter post is bezorgd) en is aangevuld bij schrijven (met bijlagen) van 23 augustus 2002.

Nadat de inspecteur haar verweerschrift (met bijlagen) heeft ingezonden, heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden ter zitting van 12 november 2003, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig waren de directeur van belanghebbende en de inspecteur, ter bijstand vergezeld van mr. A.

Ter voormelde zitting is zowel namens belanghebbende als door de inspecteur een pleitnota voorgedragen en overgelegd. De inspecteur heeft geen bezwaar tegen overlegging, door de belanghebbende, van enige schriftelijke stukken als bijlage bij de pleitnota.

Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten.

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:

2.1 In de onderhavige periode was belanghebbende in het bezit van een vergunning Accijns Goederen Plaats en een vergunning Inrichting Verbruiksbelasting. Op grond van deze vergunningen was het aan belanghebbende toegestaan onveraccijnsde goederen in voorraad te hebben.

2.2 Bij een bij belanghebbende administratieve controle, waarvan het rapport op 26 november 2001 is verschenen, is gebleken dat relatief veel accijnsgoederen belanghebbendes accijnsgoederenplaats (nader: AGP) hebben verlaten door gebruik te maken van een administratief geleide document (nader: AGD). Het AGD maakt het mogelijk om goederen onder schorsing van accijns te vervoeren. Deze goederen waren hoofdzakelijk bestemd voor de Zweedse markt.

2.3 Voorts bleek van enige onregelmatigheid met de uitgaande AGD's doordat zij niet waren voorzien van een doorlopende nummering en doordat van een aantal AGD's geen afgetekend derde exemplaar kon worden overgelegd. Van het niet terugontvangen van het derde exemplaar (het terugzendexemplaar) heeft belanghebbende geen melding gedaan bij de inspecteur.

2.4 Tenslotte werden voor ontvangst afgetekende AGD's in belanghebbendes administratie aangetroffen van (voor de inspecteur) onbekende afnemers. Eén van deze afnemers betrof B AB te L, Zweden (nader: B). Op de betreffende AGD's is de naam van dit bedrijf in diverse variaties vermeld, zoals B, B, enzovoorts. Bij de bevoegde autoriteiten in Zweden is B bekend met het organiasatienummer 0000000-0000.

2.5 Dilenda ontving onder schorsing van de accijns bier van belanghebbende. Uit onderzoek van de inspecteur en na een verzoek om wederzijdse bijstand aan de bevoegde autoriteiten in Zweden is de inspecteur gebleken dat B niet in het bezit is of was van enige vergunning om accijnsvrij goederen te mogen ontvangen uit een andere lidstaat van de Europese Unie. B is ook niet vermeld in de databank SEED, waarin gegevens zijn opgenomen over vergunninghouders van AGP'', belastingentrepots, geregistreerde en niet geregistreerde bedrijven in de hele Europese Unie. De gegevens voor deze databank worden via electronisch verkeer aangeleverd door alle lidstaten van de Europse Unie.

2.6 Omdat B bij navraag door belanghebbende bij de douane te Groningen niet bekend was als bezitter van een accijnsvergunning heeft belanghebbende, alvorens over te gaan tot onveraccijnsd leveren aan Dilenda, telefonisch navraag gedaan bij de douane-autoriteiten te Ludvika, Zweden, waar de bekendheid met het bedrijf en het organisatienummer werd bevestigd.

2.7 Bij de onderhavige naheffingsaanslag heeft de inspecteur ter zake van de leveringen aan B f. 88.520,25 of € 40.186,74 aan accijns van bier nageheven. Op het tijdig ingediende bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak de naheffingsaanslag gehandhaafd.

3. Het geschil.

Te dezen is in geschil het antwoord op de vraag of de naheffingsaanslag met betrekking tot het gedeelte dat betrekking heeft op de leveranties aan B, groot f.88.520,25 of € 40.168,74 terecht is opgelegd.

4. Het standpunt van belanghebbende.

Namens belanghebbende is - voor zover te dezen van belang, kort samengevat - gesteld in het beroepschrift en mondeling ter zitting:

4.1 Alvorens over te gaan tot het onveraccijnsd leveren aan B is voldoende zorgvuldig gecontroleerd of B in het bezit was van de benodigde vergunningen. Het in Zweden geverifieerde nummer van B komt wat betreft samenstelling overeen met de daar gebruikelijke vergunningnummering en is door de Zweedse douane gecontroleerd.

4.2 De Zweedse douane heeft bij schrijven van 2 september 1999 van mevrouw C verklaard dat zij het terugzendexemplaar van AGD's niet aftekent, doch dit overlaat aan de ontvanger van de goederen. B heeft de betreffende exemplaren afgetekend.

4.3 Uit de ervaringen met de databank SEED, ook van de inspecteur zelf, blijkt dat deze databank niet volledig is. Dat B daarin niet zou zijn vermeld wil daarom nog niet zeggen dat zij geen vergunning heeft.

4.4 Uit de afgetekende AGD's blijkt dat het bier in Zweden is ontvangen. De Zweedse belastingdienst heeft geen actie ondernomen om accijns op belanghebbende te verhalen, zodat kan worden aangenomen dat het bier in Zweden in het vrije verkeer is gebracht.

4.5 Een belastbaar feit heeft zich in Nederland niet voorgedaan. De accijns is in Zweden verschuldigd.

5. Het standpunt van de inspecteur.

De inspecteur heeft daartegenover -voor zover te dezen van belang, kort samengevat- aangevoerd in het verweerschrift en mondeling ter zitting:

5.1 De goederen zijn buiten de AGP van belanghebbende gebracht, hetgeen inhoudt dat uitslag van de goederen heeft plaatsgevonden. Alsdan is de accijns verschuldigd, tenzij de heffing van accijns wordt opgeschort door een schorsingsregeling zoals vervoer onder dekking van een AGD.

5.2 De naleving van de voorwaarden van de schorsingsregeling is gelegd bij de verzender van de goederen, in casu belanghebbende.

5.3 Belanghebbende is onvoldoende zorgvuldig geweest bij de controle of aan de voorwaarden van de schorsingsregeling is voldaan. Belanghebbende had zich tot de Nederlandse douane kunnen wenden om via de databank SEED te laten verifiëren of B vergunninghouder was. Dit heeft belanghebbende nagelaten. Voorts is het onwaarschijnlijk dat belanghebbende bij de Zweedse autoriteiten heeft geverifieerd of B vergunninghouder was.

5.4 Omdat B geen vergunning had om onveraccijnsde goederen te ontvangen was vervoer onder de schorsingsregeling niet mogelijk, zodat daarmee uitslag moet worden aangenomen uit belanghebbendes AGP in Nederland, hetgeen accijnsheffing in Nederland meebrengt.

5.5 Om dubbele heffing van accijns te voorkomen is belanghebbende in de gelegenheid gesteld om aan te tonen dat in Zweden accijns is betaald. Dit heeft belanghebbende, buiten het tonen van door B afgetekende AGD's, niet gedaan.

5.6 Belanghebbende heeft niet aangetoond dat de goederen Nederland hebben verlaten. Noch in de zogenaamde ICL-listing, noch in belanghebbendes financiële administratie komt in de betreffende periode de naam van B of het nummer SE 0000000-0000 voor.

6. De overwegingen omtrent het geschil.

6.1 Ingevolge het bepaalde in artikel 1 van de Wet wordt onder de naam accijns belasting geheven van onder meer bier en wordt de accijns verschuldigd ter zake van de uitslag van bier. Daarentegen wordt ingevolge het bepaalde in artikel 2, lid 3, aanhef en letter a tot en met d, van de Wet, als uitslag niet aangemerkt het, met inachtneming van bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden, brengen van een accijnsgoed vanuit een AGP naar een andere AGP, een belastingentrepot, een in een andere lidstaat gevestigd geregistreerd bedrijf of een in een andere lidstaat gevestigd niet-geregistreerd bedrijf.

6.2 Volgens artikel 1a van de Wet wordt onder een geregistreerd of een niet-geregistreerd bedrijf verstaan, samengevat voor zover te dezen van belang, een rechtspersoon die op grond van een afgegeven vergunning gemachtigd is om bij de bedrijfsuitoefening -al dan niet incidenteel- accijnsgoederen onder schorsing van accijns uit een andere lidstaat te ontvangen.

6.3 De Wet is wat betreft het bepaalde in artikel 2 en artikel 1a in overeenstemming met de richtlijn 92/12 EEG d.d. 25 februari 1992 (Pb.EG 1992, L76).

6.4 Belanghebbende stelt dat zij alvorens tot levering aan B over te gaan voldoende zorgvuldig heeft nagegaan of onder schorsing van accijns de goederen naar B konden worden verzonden.

6.5 Uit de door belanghebbende aangevoerde correspondentie met de Zweedse belastingautoriteiten (belanghebbendes brief van 29 juli 1999 en als antwoord daarop de verklaring van 2 september 1999 van mevrouw C) blijkt echter niet dat is gevraagd naar of verklaard is over het al dan niet verleend zijn van een vergunning aan B tot het ontvangen van onveraccijnsde goederen.

6.6 Nu de inspecteur stelt dat B niet is vermeld in de databank SEED, en bovendien dat na een verzoek om wederzijdse bijstand door de Zweedse autoriteiten is bevestigd dat B niet in het bezit is of ooit is geweest van een vergunning voor een AGP, een belastingentrepot, een geregistreerd bedrijf, een niet-geregistreerd bedrijf of enige andere vergunning waarmee accijnsvrij goederen mogen worden ontvangen uit een andere lidstaat, hetwelk blijkt uit bijlage 8 bij het verweerschrift, en hetwelk door belanghebbende in die zin niet is bestreden, gaat het hof er van uit dat aan B geen vergunning was verleend om accijnsvrij goederen van belanghebbende te ontvangen.

6.7 Tengevolge van het vorenstaande is sprake van uitslag, als bedoeld in artikel 1, lid 2, van de Wet, zonder dat de in artikel 2 van de Wet daarop gemaakte uitzondering toepassing vindt. Dientengevolge is belanghebbende ter zake van uitslag de accijns verschuldigd geworden.

6.8 Aan het vorenstaande doet niet af de vraag of belanghebbende haar onderzoek naar B voldoende zorgvuldig heeft uitgevoerd, nu uit de resultaten daarvan niet gebleken is van zodanig concrete inlichtingen, door de Zweedse belastingautoriteiten verstrekt, die in tegenspraak zouden zijn met de aan de inspecteur verstrekte gegevens, dat deze laatste gegevens in twijfel getrokken moeten worden.

6.9 De naheffingsaanslag is derhalve terecht aan belanghebbende opgelegd.

6.10 Naar 's hofs oordeel heeft belanghebbende niet, althans onvoldoende, aangetoond dat de goederen in Zweden aan accijnsheffing onderworpen zijn geworden, zodat de naheffingsaanslag te dezer zake niet tot een te hoog bedrag is opgelegd , nu het toegepaste tarief tussen partijen niet in geschil is gebracht.

6.11 Het beroep is derhalve ongegrond.

7. De proceskosten.

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing.

Het hof verklaart het beroep ongegrond.

Gedaan op 4 februari 2004 door mr. Pruiksma , vice-president en voorzitter, mr. Drion en mr. Huiskes, raadsheren, en op die dag in het openbaar uitgesproken door voornoemde voorzitter in tegenwoordigheid van de griffier mr. Thomas en ondertekend door de voorzitter en de griffier.

Op 11 februari 2004 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.