Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2004:AO3431

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
03-02-2004
Datum publicatie
11-02-2004
Zaaknummer
BK 1434/02 WOZ
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Partijen houdt verdeeld het antwoord op de vraag of de ambtenaar in de bezwaarfase het object mag vergroten door in de vastgestelde waarde de woning alsnog te betrekken.

Wetsverwijzingen
Wet waardering onroerende zaken 16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2004/512
FutD 2004-0279
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 1434/02 3 februari 2004

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, zesde enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van de heer X te Z

(: belanghebbende) tegen de uitspraak van de heffingsambtenaar van de gemeente Wûnseradiel (: de ambtenaar), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de ten aanzien van hem genomen beschikking ingevolge de Wet waardering onroerende zaken (: de Wet ).

1. Ontstaan en loop van het geding.

Ingevolge de Wet heeft de ambtenaar de waarde van de onroerende zaak aan de a-weg 17 te Z vastgesteld bij beschikking van 21 maart 2001 op ƒ 536.000, -. Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt, waarop de ambtenaar uitspraak heeft gedaan toegezonden op 7 mei 2002. Bij deze uitspraak is de waarde gehandhaafd.

Het beroepschrift (met bijlagen) is op 17 juni 2002 ter griffie van het hof ingekomen. De ambtenaar heeft op 6 september 2002 een verweerschrift (met bijlagen) ingezonden.

De mondelinge behandeling in deze zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van 11 november 2003, gehouden te Leeuwarden, alwaar zijn verschenen de heer mr. ing. A als gemachtigde van belanghebbende, belanghebbende en zijn echtgenote en namens de ambtenaar de heer B als taxateur verbonden aan C B.V. te L en de heer D. Ter zitting heeft de gemachtigde een pleitnota overgelegd en voorgelezen. Tegen overlegging van de bijlagen van de pleitnota is namens de ambtenaar geen bezwaar gemaakt.

Van alle vermelde (en hierna nog te vermelden) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten.

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting stelt het hof als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast:

2.1 Bij beschikking van 21 maart 2001 is door de ambtenaar ten aanzien van belanghebbende als eigenaar en gebruiker van de onroerende zaak gelegen aan de a-weg 17 te Z (: de onroerende zaak) de waarde van die onroerende zaak vastgesteld. De beschikking geldt voor het tijdvak van 1 januari 2001 tot en met 31 december 2004. De waardepeildatum is 1 januari 1999. De onroerende zaak is een stelpboerderij met een (inpandige) woning, een deel, mestkelders, ligboxenstallen, een werktuigenberging (wagenloods), een plaat- of sleufsilo en erf. De onroerende zaak is gelegen op een perceel met een oppervlakte van circa 5.000 m2.

2.2 De door de ambtenaar in de onder punt 2.1 vermelde beschikking toegekende waarde aan de onroerende zaak per waardepeildatum van 1 januari 1999 bedraagt ƒ 536.000, - (€ 243.226, -). Abusievelijk is in deze waardebeschikking en de aan die beschikking ten grondslag liggende objectgegevens, zoals deze uit het taxatieverslag blijken, de woning niet betrokken. Eveneens zijn in de waardebeschikking teveel vierkante meters grond in aanmerking genomen.

2.3 Naar aanleiding van belanghebbendes bezwaar tegen de waardebeschikking heeft de ambtenaar de onroerende zaak opnieuw getaxeerd. In de hertaxatie is de woning wel betrokken en ook het juiste aantal vierkante meters grond. De ambtenaar heeft in de hertaxatie geen aanleiding gevonden om de vastgestelde waarde verminderen. Bij uitspraak op bezwaar is de waarde gehandhaafd.

3. Het geschil en de standpunten van partijen.

3.1 Partijen houdt verdeeld het antwoord op de vraag of de ambtenaar in de bezwaarfase het object mag vergroten door in de vastgestelde waarde de woning alsnog te betrekken. Belanghebbende beantwoordt voormelde vraag ontkennend, waarbij hij zich beroept op het verbod van "reformatio in peius". De ambtenaar beantwoordt voormelde vraag bevestigend.

3.2 Subsidiair is in geschil het antwoord op de vraag of de ambtenaar bij het tot stand komen van zijn uitspraak op bezwaar het motiveringsbeginsel heeft geschonden. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat hiervan sprake is. De ambtenaar is van mening dat hij het motiveringsbeginsel niet geschonden heeft.

3.3 Voorts twisten partijen over de waarde van de onroerende zaak per 1 januari 1999. Belanghebbende is van mening dat de ambtenaar de waarde van de onroerende zaak op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. Zijn gemachtigde bepleit voor de onroerende zaak een waarde per waardepeildatum van 1 januari 1999 van € 206.125, -. Daarvoor verwijst hij naar het door hem opgemaakte taxatierapport van 14 juni 2002. De ambtenaar handhaaft de bij de bestreden uitspraak vastgestelde waarde onverkort.

3.4 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Zij hebben daaraan ter zitting geen argumenten toegevoegd. Voor een uitgebreide motivering van de standpunten van partijen verwijst het hof naar de gedingstukken.

4. De overwegingen omtrent het geschil.

4.1 Artikel 16 onder d van de Wet bepaalt dat voor de toepassing van de Wet als één onroerende zaak wordt aangemerkt: a. een gebouwd eigendom; b. een ongebouwd eigendom; c. een gedeelte van een in onderdeel a of onderdeel b bedoeld eigendom dat blijkens zijn indeling is bestemd om als een afzonderlijk geheel te worden gebruikt; d. een samenstel van twee of meer van de in onderdeel a of onderdeel b bedoelde eigendommen of in onderdeel c bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde belastingplichtige in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren.

4.2 Tussen partijen is niet in geschil dat de stelpboerderij met de (inpandige) woning, de deel, de mestkelders, ligboxenstallen, de werktuigenberging (wagenloods), de plaat- of sleufsilo, het erf en de grond tezamen voor de toepassing van de Wet één onroerende zaak vormen. Nu niet is gebleken dat partijen daarbij zijn uitgegaan van een onjuiste toepassing van de Wet, zal het hof hen in die zienswijze volgen. In de waardebeschikking van 21 maart 2001 is alsdan, mede gelet op de onder 2.2 vermelde feiten, op onjuiste wijze toepassing gegeven aan de objectafbakening als bedoeld in artikel 16 van de Wet door de aan belanghebbende in eigendom toebehorende en in gebruik zijnde woning niet mee te nemen in de objectkenmerken en de waardevaststelling. Uit het arrest van de Hoge Raad van 9 mei 2003, nr. 35 987, BNB 2003/270c*, leidt het hof af dat deze fout in de bezwaarfase door de ambtenaar niet mag worden hersteld door alsnog uit te gaan van een groter object, alhoewel in de uitspraak op bezwaar de waarde van de beschikking niet gewijzigd is.

4.3 Gelet op hetgeen is overwogen onder 4.2 moet de waardebeschikking worden vernietigd. Aan de beoordeling van de overige geschilpunten komt het hof niet toe.

4.4 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het gelijk aan de zijde van belanghebbende is. Het beroep zal gegrond worden verklaard.

5. De proceskosten.

Het hof acht termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht. Ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaalt het hof deze kosten op € 644, - (A x B x C = 2 x € 322, - x 1) ter zake van een tegemoetkoming in de kosten van de door de gemachtigde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, waaronder ook de kosten van het door de gemachtigde opgemaakte taxatierapport vallen.

6. De beslissing.

Het hof verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de uitspraak van de ambtenaar;

vernietigt de waardebeschikking genomen op grond van de Wet waardering onroerende zaken, met dagtekening 21 maart 2001, ten zake van de onroerende zaak aan de a-weg 17 te Z;

verstaat dat de ambtenaar het door belanghebbende betaalde griffierecht ad € 29, - aan hem vergoedt;

veroordeelt de ambtenaar tot betaling aan belanghebbende van een tegemoetkoming van door belanghebbende gemaakte proceskosten ten bedrage van € 644, -; en

wijst de gemeente Wûnseradiel aan om deze kosten te dragen.

Aldus vastgesteld op 3 februari 2004 door mr. Van der Meer, raadsheer, lid van de zesde enkelvoudige kamer, en op die dag in het openbaar uitgesproken door voornoemde raadsheer in tegenwoordigheid mr. De Jong-Braaksma als griffier en ondertekend door voornoemde raadsheer en griffier.

Afschrift aangetekend aan beide partijen verzonden

op: 11 februari 2004