Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2004:AO3005

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
30-01-2004
Datum publicatie
04-02-2004
Zaaknummer
BK 1850/02 Parkeerbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is primair het antwoord op de vraag of belanghebbende terecht in haar bezwaar niet is ontvangen. Daarnaast is in geschil het antwoord op de vraag of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:5, geldigheid: 2004-01-30
Algemene wet inzake rijksbelastingen 11, geldigheid: 2004-01-30
Algemene wet inzake rijksbelastingen 20, geldigheid: 2004-01-30
Gemeentewet 225, geldigheid: 2004-01-30
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2004-0239

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 1850/02 30 januari 2004

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, eerste enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z

(: belanghebbende) tegen de uitspraak van de heffingsambtenaar van de gemeente Haren (: de heffingsambtenaar), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de haar opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting onder aanslagnummer 0000.

1. Ontstaan en loop van het geding

Aan belanghebbende werd op grond van de Verordening Parkeerbelastingen 2000, gelijk deze verordening voor het onderhavige jaar gold (hierna: de Verordening) een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting opgelegd tot een bedrag van € 0,24 terzake van het parkeren van een voertuig, vermeerderd met een bedrag aan kosten ad € 38,79. Op het tijdig ingediende bezwaar van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij de bestreden uitspraak van 15 augustus 2002, verzonden op 16 augustus 2002, belanghebbende niet ontvankelijk verklaard in haar bezwaar.

Het beroepschrift (met bijlagen) is op 2 oktober 2002 ter griffie van het hof ingekomen. De heffingsambtenaar heeft geen verweerschrift ingediend.

De mondelinge behandeling in deze zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van 16 oktober 2003 te Groningen, alwaar aanwezig waren belanghebbende en namens de heffingsambtenaar de heer A. Ter zitting heeft de voorzitter belanghebbende een termijn van één maand gegeven teneinde haar beroepschrift te motiveren. De voorzitter heeft de heffingsambtenaar eveneens een termijn van één maand gegeven waarbinnen hij op het schriftelijke stuk van belanghebbende, mag reageren. Partijen hebben ter zitting hun toestemming gegeven een nadere mondelinge behandeling achterwege te laten. De voorzitter heeft daarop het onderzoek ter zitting gesloten. Op 12 november 2003 is ter griffie van het hof een brief (met bijlagen) binnengekomen van belanghebbende. Op 13 november 2003 is een afschrift van deze brief verzonden aan de heffingsambtenaar. Van de heffingsambtenaar is op 8 december 2003 ter griffie van het hof een brief (met bijlagen) d.d. 4 december 2003 ingekomen waarvan een afschrift werd gezonden aan belanghebbende.

Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten.

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:

De onderhavige naheffingsaanslag (belasting € 0,24 en kosten

€ 38,79) is na oplegging daarvan en onder vermelding van het kenteken YY-YY-00 aangebracht op de auto van belanghebbende.

De naheffingsaanslag is op 21 mei 2002 opgelegd omdat belanghebbende op die dag de auto had geparkeerd op het Haderaplein te Haren zonder dat daarvoor parkeergeld was betaald.

3. Het geschil en de standpunten van partijen.

In geschil is primair het antwoord op de vraag of belanghebbende terecht in haar bezwaar niet is ontvangen. Daarnaast is in geschil het antwoord op de vraag of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.

Belanghebbende is van mening dat zij het bezwaar toereikend had gemotiveerd middels haar brief d.d. 16 juli 2002. Ten aanzien van de geldigheid van de naheffingsaanslag weerspreekt belanghebbende de feiten niet, doch is zij van mening dat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd. Belanghebbende voert hiertoe aan dat zij beschikte over een parkeervergunning en dat het gebruikelijk is dat bij het achteraf tonen van deze vergunning de naheffingsaanslag alsnog wordt ingetrokken. Daarnaast verzoekt zij de heffingsambtenaar de Verordening en het aanwijzingsbesluit, alsmede gegevens waaruit de bevoegdheid blijkt van de betreffende parkeercontroleur over te leggen. Voorts plaatst belanghebbende vraagtekens bij het bedrag van de naheffingsaanslag.

De heffingsambtenaar verdedigt de juistheid van de naheffingsaanslag stellende dat de feiten niet in geschil zijn. Daarnaast worden door hem bij zijn brief d.d. 4 december 2003 onder meer de volgende bescheiden overgelegd: de Verordening, het Besluit burgemeester en wethouders tot aanwijzing van terreinen en weggedeelten (betaald parkeren), het aanstellingsbesluit van een gemeentelijke parkeerwachter, alsmede de akte van opsporingsbevoegdheid en de akte van beëdiging van dezelfde parkeercontroleur.

Voor een meer uitvoerige motivering van de standpunten van partijen verwijst het hof naar de gedingstukken.

4. De overwegingen omtrent het geschil.

Onder verwijzing naar artikel 6:5 lid 1 onderdeel d van de Algemene wet bestuursrecht heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van belanghebbende ongegrond geoordeeld. Gelet evenwel op de brief van belanghebbende d.d. 16 juli 2003, waarvan niet in geschil is dat deze tijdig door de heffingsambtenaar is ontvangen, waarin zij een verklaring verzoekt voor het bedrag van de naheffingsaanslag, is het hof van oordeel dat aan het motiveringsvereiste is voldaan. Hierbij dient bedacht te worden dat volgens vaste jurisprudentie in het algemeen geen hoge eisen gesteld worden aan de motivering van een bezwaarschrift.

Ingevolge de artikelen 1 tot en met 5 (+ de tarieventabel) van de op de artikelen 219 en 225 van de Gemeentewet berustende Verordening, is parkeerbelasting verschuldigd op de in artikel 6 eerste, dan wel tweede lid van de Verordening vermelde tijd en wijze.

Niet in geschil is dat voor het parkeren van een voertuig op de onderwerpelijke parkeerplaats parkeerbelasting moet worden voldaan. Voorts staat vast dat belanghebbende deze belasting niet op de voorgeschreven wijze heeft voldaan, doch belanghebbende beroept zich op de bij haar in bezit zijnde parkeervergunning.

De heffingsambtenaar erkent dat in het verleden de opgelegde naheffingsaanslag werd ingetrokken indien naderhand alsnog een geldige parkeervergunning werd getoond. Hij stelt evenwel dat de gemeente Haren vanaf 1 januari 2002 een plastichoesje voor de parkeervergunning verstrekt waarmee deze aan de binnenzijde van de voorruit kan worden bevestigd. Het gevaar van het wegwaaien van de vergunning bij het sluiten van de autoportier wordt daarmee ondervangen. Eén en ander staat aangegeven in het door de heffingsambtenaar bij zijn brief d.d. 4 december 2003 overgelegde artikel "Parkeren in de kom van Haren" in het Harener weekblad van Donderdag 20 december 2001. Voorzover belanghebbende een beroep doet op het vertrouwensbeginsel overweegt het hof dat dit beroep niet gehonoreerd kan worden. De door de heffingsambtenaar gestelde wijziging is kenbaar gemaakt door middel van voormelde publicatie. Gelet op deze publicatie kan belanghebbende niet langer een in rechte te beschermen vertrouwen ontlenen aan de gang van zaken vóór 1 januari 2002. Voorzover bij belanghebbende nog onduidelijkheid bestaat ten aanzien van het bedrag van de naheffingsaanslag en de bevoegdheid van de parkeercontroleur, overweegt het hof dat deze vragen afdoende zijn beantwoord middels deze door de heffingsambtenaar bij zijn brief d.d. 4 december 2002 zijn overgelegd. Immers uit de Evaluatie Parkeernota Haren in combinatie met de Wijziging verordening parkeerbelasting 2000 blijkt dat de kosten van de naheffingsaanslag met ingang van 1 januari 2002 ƒ 86,--, ofwel € 39,03 bedragen, gelijk aan het wettelijk toegestane maximumbedrag.

Uit het vorenoverwogene volgt dat de onderhavige naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht aan belanghebbende is opgelegd.

5. De conclusie.

Het beroep van belanghebbende is gegrond, voorzover dit is gericht tegen het niet-ontvankelijkheidsoordeel van de heffingsambtenaar in de bezwaarfase. Het beroep is voor het overige ongegrond.

6. De proceskosten.

Het gerechtshof acht termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht en zal deze kosten bepalen op een bedrag van

€ 26,65 aan door belanghebbende gemaakte reiskosten op basis van de kosten van openbaar vervoer.

7. De beslissing.

Het gerechtshof verklaart het beroep ten dele gegrond;

vernietigt de uitspraak waarvan beroep;

verklaart het bezwaar alsnog ontvankelijk, doch overigens ongegrond;

verklaart het beroep overigens ongegrond;

gelast de heffingsambtenaar het door belanghebbende betaalde griffierecht ad € 29,-- aan haar te vergoeden;

veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van een tegemoetkoming in de proceskosten ten bedrage van € 26,56, en

wijst de gemeente Haren aan als rechtspersoon die deze kosten dient te dragen.

Gedaan op 30 januari 2004 door prof. mr Aardema, vice-president, in tegenwoordigheid van de griffier mevrouw mr De Jong en ondertekend door voornoemde vice-president en door voornoemde griffier.

Afschrift aangetekend aan beide partijen verzonden

op: 4 februari 2004