Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2004:AO3002

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
30-01-2004
Datum publicatie
04-02-2004
Zaaknummer
BK 1391/02 Vermogensbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Te dezen is in geschil het antwoord op de vraag of de inspecteur terecht en op goede gronden tot navordering van vermogensbelasting onder oplegging van een boete van 25 procent is overgegaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2004-0252

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 1391/02 30 januari 2004

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, tweede meervoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid ondernemingen van de belastingdienst te Heerenveen (hierna: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hem opgelegde navorderingsaanslag in de vermogensbelasting voor het jaar 1998 met boete.

1. Ontstaan en loop van het geding

Belanghebbende werd aanvankelijk voor het jaar 1998 in de vermogensbelasting aangeslagen naar een belastbaar vermogen als bedoeld in de Wet op de vermogensbelasting 1964, gelijk deze wet voor het onderhavige jaar gold, (hierna te noemen: de Wet) van ƒ 1.392.583,-. Met dagtekening 7 juni 2001 werd aan belanghebbende de thans bestreden navorderingsaanslag opgelegd naar een gecorrigeerd belastbaar vermogen van f 1.872.583,-. Bij de navorderingsaanslag werd een boete van 25 procent opgelegd.

Op het tijdig ingediende bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van 29 april 2002 de navorderingsaanslag en de boete van 25 procent gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift (met bijlagen), hetwelk op 10 juni 2002 is ingekomen.

Nadat de inspecteur een verweerschrift had ingezonden, heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden ter zitting van 12 november 2003, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig waren de gemachtigde van belanghebbende, zomede de inspecteur die zich liet bijstaan door de taxateur A.

Ter voormelde zitting heeft de gemachtigde van belanghebbende de door hem ter zitting voorgedragen pleitnota overgelegd.

Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten.

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:

2.1 Het pand a-kade 38 te Z is door belanghebbende in 1994 aangekocht voor f 420.000,-. Het naastgelegen pand a-kade 39-40 werd door hem in 1973 in eigendom verworven voor een bedrag van f 350.000,-. Nadien zijn diverse verbouwingen uitgevoerd.

2.2 De panden a-kade 38 en 40 worden door belanghebbende verhuurd aan B B.V., een vennootschap die een onderneming in kampeerartikelen drijft. Belanghebbende is directeur-grootaandeelhouder van die B.V.. Nummer 39 (bovenwoning) is de privé-woning van belanghebbende.

2.3 Op 30 juni 2000 verkoopt belanghebbende de panden a-kade 38 en 40 aan zijn zoon C voor een prijs van

f 1.200.000,- (nummer 38) en f 1.600.000,- (nummer 39-40), ofwel in totaal f 2.800.000,-. Desgevraagd verklaarde de gemachtigde van belanghebbende ter zitting dat die prijs van f 2.800.000,- op zakelijke wijze tussen partijen is totstandgekomen.

2.4 Voorafgaand aan voormelde transactie zijn in april 2000 twee taxaties uitgebracht, door respectievelijk Makelaardij D en Makelaardij E. D taxeerde de panden op f 2.100.000,-, terwijl E op een waarde van f 3.150.000,- kwam. Ter zitting verklaarde de gemachtigde dat de zoon geen kennis heeft gekregen van de taxatie van D ad f 2.100.000,-, aangezien hij anders niet bereid zou zijn geweest tot koop voor f 2.800.000,-. Die taxatie van D bleek overigens uit te gaan van een onjuiste bruto-oppervlakte van 3.380 m2, waar E en de ambtelijke taxateur een bruto-oppervlakte van 4.415 m2 berekenden.

2.5 Belanghebbende nam voormelde panden steeds op in zijn aangiften vermogensbelasting 1998, 1999 en 2000 voor respectievelijk f 552.000,- (nummer 38) en f 1.168.000,- (nummer 39-40), derhalve totaal f 1.720.000,-.

2.6 Voor de toepassing van de Wet waardering onroerende zaken voor het jaar 2000 was de waarde van de onderhavige panden bepaald op f 1.820.000,-.

2.7 Bij een vanwege de inspecteur op 22 februari 2002 ingesteld onderzoek is de waarde in het economisch verkeer van nummer 38 en nummer 40 per 1 januari 1998, 1999 en 2000 bepaald op f 2.768.000,-. De huurcapaciteit werd daarbij gesteld op f 308.500,-. Bij die waardering is door de ambtelijke taxateur rekening gehouden met de na de verkoop aan de zoon uitgevoerde verbouwingen en verbeteringen in die zin dat de waarde daarvan niet is meegeteld.

2.8 De huuropbrengst van de panden a-kade 38 en 40 bedroeg in 1998 f 229.000,-, en in 1999 f 228.000,-.

2.9 Vorenvermelde feiten zijn voor de inspecteur de aanleiding geweest de waarde van de panden a-kade 38 en 40 voor de vermogensbelasting 1998 nader te bepalen op f 2.200.000,-, hetgeen een correctie op het aangegeven vermogen impliceerde van

f 480.000,-. Het aldus nader door de inspecteur vastgestelde belastbaar vermogen per 1 januari 1998 ad f 1.872.583,- werd begrepen in de onderhavige navorderingsaanslag. Bij de navorderingsaanslag werd tevens een boete van 25 procent opgelegd.

2.10 In bezwaar heeft belanghebbende zich verzet tegen de correctie. Bij de bestreden uitspraak heeft de inspecteur volhard in zijn standpunt.

3. Het geschil.

Te dezen is in geschil het antwoord op de vraag of de inspecteur terecht en op goede gronden tot navordering van vermogensbelasting onder oplegging van een boete van 25 procent is overgegaan.

4. Het standpunt van belanghebbende.

Namens belanghebbende is - voor zover te dezen van belang, kort samengevat - gesteld in het beroepschrift en mondeling ter zitting:

4.1 De verschillen tussen de aangegeven waarde van de panden en de uitkomsten van de drie taxaties (D, E en Belastingdienst) zijn niet zodanig noemenswaardig dat navordering van vermogensbelasting dient plaats te vinden.

4.2 Voor het opleggen van een boete bestaat naar de mening van belanghebbende in het geheel geen aanleiding.

5. Het standpunt van de inspecteur.

De inspecteur heeft daartegenover -voor zover te dezen van belang, kort samengevat- aangevoerd in het verweerschrift en mondeling ter zitting:

5.1 Uitgangspunt is dat belanghebbende de panden aan zoon C heeft overgedragen voor een zakelijke prijs, dat wil zeggen tegen de waarde in het economisch verkeer. Kennelijk wilde hij voorkomen dat zijn twee andere zoons zouden worden benadeeld. Dat verklaart ook waarom belanghebbende twee taxaties heeft laten uitvoeren. De aangegeven waarde van de onderhavige panden is dan ook significant te laag, zodat navordering dient plaats te vinden.

5.2 Het verschil tussen de aangegeven waarde en de waarde in het economisch verkeer is dusdanig groot (VB '98 27,9%, VB '99 45%, en VB 2000 60,9%) dat geen sprake kan zijn van een mogelijk als gebruikelijk aan te merken afwijking in waarde. Belanghebbende wist c.q. had redelijkerwijs kunnen weten dat de waarde in het economisch verkeer hoger was dan de aangegeven waarde. Die onachtzaamheid bij het doen van aangifte rechtvaardigt een boete van 25%.

Partijen hebben ter zitting hun onderscheidene standpunten gehandhaafd, zonder daartoe overigens nadere gronden te hebben aangevoerd.

6. De overwegingen omtrent het geschil.

6.1 Naar luid van artikel 9, eerste lid, van de Wet op de vermogensbelasting 1964 (: de wet) worden de bezittingen (en schulden) in aanmerking genomen naar de waarde welke daaraan in het economische verkeer kan worden toegekend.

6.2 Die waarde in het economische verkeer is voor onroerende zaken als de onderhavige te stellen op de verkoopprijs, waaronder moet worden verstaan de prijs die bij aanbieding van de zaak ten verkoop op de meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meestbiedende gegadigde daarvoor zou zijn besteed.

6.3 Niet in geschil is dat de transactieprijs van de onderhavige panden van in totaal f 2.800.000,- bij de verkoop door de vader aan de zoon op 30 juni 2000, op volstrekt zakelijke wijze tussen partijen is bepaald, en aldus heeft te dienen als de waarde bedoeld onder 6.2 hiervoor. Overigens zijn ook geen feiten of omstandigheden gesteld die in een andere richting wijzen.

6.4 Het vorenstaande vindt bovendien bevestiging in de taxaties die op verzoek van belanghebbende door E en op verzoek van de inspecteur door de ambtelijke taxateur zijn uitgevoerd. Het hof hecht in zoverre minder belang aan de taxatie van D, nu niet weersproken is dat die van een beduidend lagere bruto-oppervlakte is uitgegaan dan in feite aanwezig is. Daarnaast maken de taxaties van E en de ambtelijke taxateur een nauwkeuriger gespecificeerde indruk dan die van D.

6.5 Waar E op 11 april 2000 de waarde in het economische verkeer van de panden bepaalde op f 3.150.000,-, en de ambtelijke taxateur die waarde per 1 januari 1998, 1999 en 2000 bepaalde op

f 2.768.000,-, is belanghebbende met al hetgeen hij heeft aangevoerd, mede gelet op de door hem gerealiseerde verkoopprijs van f 2.800.000,-, er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat hij in zijn aangifte vermogensbelasting 1998 met f 1.720.000,- de onderhavige panden tegen een reële waarde heeft opgenomen.

6.5 Onder die omstandigheden heeft de inspecteur, die eerst naderhand zicht heeft kunnen krijgen op de werkelijke waarde in het economische verkeer van de panden, op goede gronden tot het besluit kunnen komen een navorderingsaanslag op te leggen. Door daarbij die waarde per 1 januari 1998 nader op f 2.200.000,- te stellen, is hij daarbij, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, niet van een te hoge waarde uitgegaan. In zoverre is het beroep ongegrond.

6.6 Door te handelen als hij deed, heeft belanghebbende van een vorm van onachtzaamheid blijk gegeven die onder de bestaande omstandigheden als grove schuld dient te worden gekwalificeerd. Opmerkelijk is daarbij dat in de aangifte VB 1997 voor de panden nog een waarde van f 2.000.000,- werd aangegeven, terwijl een verklaring voor de verlaging per 1 januari 1998 tot f 1.720.000,- niet is gegeven. Dat bedrijfspanden als de onderhavige in waarde zouden zijn gedaald, is gesteld noch gebleken.

6.7 Nu naar het oordeel van het hof grove schuld zijdens belanghebbende aanwezig is, heeft de inspecteur met de oplegging van een vergrijpboete van 25% een juiste uitvoering gegeven aan artikel 67e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Het hof acht de opgelegde boete overigens ook passend en geboden. Ook in zoverre faalt het beroep dat belanghebbende tegen de uitspraak van de inspecteur heeft ingesteld.

7. De slotsom.

Het beroep is in al zijn onderdelen ongegrond.

8. De proceskosten.

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

9. De beslissing.

Het hof

verklaart het beroep ongegrond;

Gedaan op 30 januari 2004 door mr. H.S. Pruiksma , vice-president, mr. F.J.W. Drion en mr. J. Huiskes, raadsheren, in tegenwoordigheid van de griffier mr. E. Thomas en op die dag in het openbaar uitgesproken en ondertekend door voornoemde vice-president en door voornoemde griffier.

Op 4 februari 2004 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.