Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2004:AO2998

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
30-01-2004
Datum publicatie
04-02-2004
Zaaknummer
BK 1533/02 WOZ
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is het antwoord op de vraag welke waarde per 1 januari 1999 aan het complex en aan 10 B moet worden toegekend.

Wetsverwijzingen
Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten 26, geldigheid: 2004-01-30
Wet waardering onroerende zaken 17, geldigheid: 2004-01-30
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2004/517
V-N 2004/22.1.13

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 1533/02 30 januari 2004

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, tweede meervoudige belastingkamer, op het beroep van X C.V. te Z

(: belanghebbende) tegen de uitspraak van de heffingsambtenaar van de gemeente Meppel (: de heffingsambtenaar), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de ten aanzien van haar genomen beschikking ingevolge de Wet waardering onroerende zaken (: de Wet) met dagtekening 28 februari 2001 en nummer 0000/0000 (: de beschikking).

1. Ontstaan en loop van het geding

Ingevolge de Wet heeft de heffingsambtenaar de waarde met betrekking tot 4 afzonderlijke onroerende zaken, van welke onroerende zaken belanghebbende eigenaar en/of gebruiker is, vastgesteld bij de beschikking. Bij de uitspraak waarvan beroep van 29 mei 2002 is het (tijdige) bezwaarschrift gegrond verklaard.

Het beroepschrift (met bijlagen) is op 5 juli 2002 ter griffie van het hof ingekomen en is aangevuld bij brief van 11 juli 2002 (met bijlagen). De heffingsambtenaar heeft vervolgens op 19 maart 2003 een verweerschrift (met bijlagen) ingezonden. Ter griffie van het hof is voorts op 29 oktober 2003 een van belanghebbende afkomstige brief (met bijlage) ingekomen, waarvan afschrift is gezonden aan de heffingsambtenaar. De mondelinge behandeling in deze zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van 12 november 2003, gehouden te Leeuwarden, alwaar is verschenen de heer A als gemachtigde van belanghebbende, alsmede mw. B namens de heffingsambtenaar en de heer C, werkzaam bij D.

Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. De heffingsambtenaar heeft ter zitting zonder bezwaar van belanghebbende een krantenbericht overgelegd.

Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten.

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:

2.1 Bij de beschikking is door de heffingsambtenaar ten aanzien van belanghebbende als eigenaar en/of gebruiker van vier onroerende zaken de waarde van die onroerende zaken vastgesteld. De waardepeildatum is 1 januari 1999. De beschikking geldt voor het tijdvak van 1 januari 2001 tot en met 31 december 2004.

2.2 Op de beschikking zijn 4 afzonderlijke onroerende zaken vermeld met bijbehorende waarden.

2.3 Bij de uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar het standpunt ingenomen dat sprake is van

a. een samenstel in de zin van artikel 16, aanhef en letter d, van de Wet, bestaande uit de volgende objecten:

- a-weg 10 A;

- a-weg 11 MAG;

- a-straat 15,

van welk samenstel de waarde € 2.933.688,- (f 6.465.000,-) bedraagt; en

b. een onroerende zaak a-weg 10 B (: 10 B), waarvan de waarde € 65.798,- (f 145.000,-) bedraagt.

2.4 Het onder 2.3 sub a genoemde samenstel (: het complex) betreft een varkensslachterij, gebouwd vanaf 1964.

10 B betreft een dienstwoning, gesticht in 1964.

3. Het geschil en de standpunten van partijen.

3.1 In geschil is het antwoord op de vraag welke waarde per 1 januari 1999 aan het complex en aan 10 B moet worden toegekend.

Belanghebbende bepleit een waarde van € 1.700.000,-. De heffingsambtenaar blijft bij de waarden, die door hem bij de uitspraak op bezwaar zijn vastgesteld.

3.2 Voor een meer uitvoerige motivering van de standpunten van partijen verwijst het hof naar de gedingstukken.

4. De overwegingen omtrent het geschil.

4.1 Zoals blijkt uit het bepaalde in de artikelen 17 en 18, eerste lid, van de Wet wordt de waarde bepaald op de waarde die per 1 januari 1999 aan het complex en aan 10 B dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen.

4.2 Ingevolge artikel 4, eerste lid, onderdeel a en b, van de Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet waardering onroerende zaken, kan de in artikel 17, tweede lid, van de Wet bedoelde waarde voor het complex onder meer worden bepaald door middel van de huurkapitalisatiemethode en voor 10 B onder meer door middel van een methode van vergelijking met referentiewoningen.

4.3 Op de heffingsambtenaar rust - bij betwisting - de last aannemelijk te maken dat de waarde per 1 januari 1999 - met inachtneming van de Wet - niet hoger is vastgesteld dan de waarde in het economische verkeer per genoemde datum. Ter onderbouwing van de door hem vastgestelde waarde verwijst de heffingsambtenaar onder meer naar de in maart 2003 door Ing. E (ten aanzien van het complex) en F (ten aanzien van 10 B), gediplomeerd WOZ-taxateurs, verbonden aan D te L, opgemaakte taxatierapporten.

4.4 Naar het oordeel van het gerechtshof is de heffingsambtenaar, gelet op de goed onderbouwde taxatierapporten, in de op hem rustende bewijslast geslaagd. Blijkens de onderwerpelijke taxatierapporten is het complex getaxeerd aan de hand van de huurkapitalisatiemethode en 10 B aan de hand van de onder punt 4.2 bedoelde vergelijkingsmethode.

4.5 Belanghebbende heeft aangevoerd dat bij haar vestiging te Emmen, die in 2003 is gesloten, de waarde na bezwaar door de gemeente Emmen is vastgesteld op 50%. Naar het oordeel van het Hof faalt het beroep op het gelijkheidsbeginsel omdat niet vast is komen te staan dat sprake is van gelijke gevallen. De heffingsambtenaar heeft er immers op gewezen dat de vestiging in Emmen juist is gesloten om die in Meppel levensvatbaar te houden, hetgeen het Hof aannemelijk voorkomt. Voorts gaat het bij de gemeente Emmen om een andere gemeente dan in het onderhavige geval, zodat de heffingsambtenaar ook op die grond niet gebonden is aan hetgeen door de gemeente Emmen is besloten.

4.6 Belanghebbende beroept zich voorts op de moeilijke situatie in de slachterijbranche. Tegenover het gemotiveerde verweer van de heffingsambtenaar in zijn verweerschrift (zie onder "Beschouwing") en de opmerking van de taxateur in het taxatierapport van het complex onder "Omschrijving" laatste volzin, heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de bij uitspraak op bezwaar vastgestelde waarden op grond van die situatie moeten worden herzien.

4.7 Belanghebbende heeft ook anderszins geen argumenten naar voren gebracht die een verlaging van de bij uitspraak op bezwaar vastgestelde waarden kunnen rechtvaardigen.

5. De proceskosten.

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld op 30 januari 2004 door mr. J. Huiskes raadsheer en voorzitter, mr. H.S. Pruiksma, vice-president, en mr. F.J.W. Drion, raadsheer, en op die dag in het openbaar uitgesproken door voornoemde voorzitter in tegenwoordigheid van de griffier mr. E. Thomas en ondertekend door voornoemde voorzitter en door voornoemde griffier.

Afschrift aangetekend aan beide partijen verzonden

op: 4 februari 2004