Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2004:AO2997

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
30-01-2004
Datum publicatie
04-02-2004
Zaaknummer
BK 169/03 Inkomstenbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is de ontvankelijkheid van het beroepschrift.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:7
Algemene wet bestuursrecht 6:9
Algemene wet bestuursrecht 8:55
Algemene wet inzake rijksbelastingen 26
Algemene wet inzake rijksbelastingen 26c
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2004-0259
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Nr. 169/03 30 januari 2004

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, eerste enkelvoudige belastingkamer, op het verzet namens X te Z tegen de uitspraak van de tweede enkelvoudige belastingkamer van 28 maart 2003.

De belastingkamer van het hof heeft voormelde uitspraak gedaan op het door belanghebbende ingestelde beroep tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid ondernemingen van de belastingdienst te Emmen (hierna: het hoofd), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting over het jaar 2000.

Ingevolge de artikelen 26, eerste lid, en 26c, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, juncto de artikelen 6:7 en 6:9 van de Algemene wet bestuursrecht kan hij, die bezwaar heeft tegen een uitspraak van het hoofd binnen zes weken na de dagtekening van het afschrift van de uitspraak in beroep komen bij de rechter tot wiens rechtsgebied de standplaats van het hoofd behoort.

De uitspraak van het hoofd is gedagtekend 16 december 2002 en het beroepschrift is ter griffie van het gerechtshof ingekomen op 18 februari 2003, derhalve niet binnen zes weken na dagtekening van de uitspraak.

Om die reden heeft de belastingkamer bij voormelde uitspraak het beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen deze uitspraak is belanghebbende tijdig in verzet gekomen bij een verzetschrift dat is ingediend op 7 mei 2003.

Het hoofd is bij schrijven van 12 mei 2003 uitgenodigd om een verweerschrift in te dienen. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

Belanghebbende heeft niet verzocht om een mondelinge behandeling van de zaak terwijl het hof geen aanleiding heeft gevonden hem uit eigen beweging te horen.

De gemachtigde van belanghebbende stelt in zijn verzetschrift dat de uitspraak van het hoofd van 18 december 2002 slechts een van de zijde van het hoofd gedane toelichting was. De gemachtigde stelt dat de voor beroep vatbare uitspraak door het hoofd is gedaan op 22 januari 2003, waarvan de gemachtigde bij dit verzetschrift een afschrift overlegt. Derhalve was het beroep, ingediend op 18 februari 2003, tijdig.

Het hof is van oordeel dat, nu de gemachtigde bij zijn verzetschrift een afschrift van de uitspraak op het bezwaarschrift van 22 januari 2003 overlegt, het beroep tijdig op 18 februari 2003 was ingediend.

Op grond van het vorenoverwogene dient te worden beslist als volgt:

Het gerechtshof, uitspraak doende, verklaart het verzet gegrond.

Gedaan op 30 januari 2004 door prof. mr. Aardema, vice-president, lid van de eerste enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van de griffier Lorist en ondertekend door voornoemde vice-president en door voornoemde griffier.

Op 4 februari 2004 afschrift

aangetekend aan partijen verzonden