Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2004:AO2538

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
23-01-2004
Datum publicatie
28-01-2004
Zaaknummer
BK 1908/02 WOZ
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is het antwoord op de vraag of de vastegestelde waarde in overeenstemming is met de waarde in het economische verkeer.

Wetsverwijzingen
Wet waardering onroerende zaken 17, geldigheid: 2004-01-23
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2004-0209

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Nr. 1908/02 23 januari 2004

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, tweede enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van

X te Z (: de belanghebbende)

tegen de uitspraak van

de heffingsambtenaar van de gemeente Wymbritseradiel (: de ambtenaar)

gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de aan hem uitgereikte waardebeschikking d.d. 28 februari 2002 van nagenoemde onroerende zaak.

1. De procesgang

1.1. In het kader van de Wet waardering onroerende zaken (: de Wet) heeft de ambtenaar de waarde van de onroerende zaak a-straat 6 te Z (: de onroerende zaak) bij waardebeschikking d.d. 28 februari 2001 per waardepeildatum 1 januari 1999, geldend voor het tijdvak van 1 januari 2001 tot 1 januari 2005, vastgesteld op € 248.217,--.

1.2. Een tegen deze beschikking door belanghebbende ingediend bezwaarschrift is door de ambtenaar bij uitspraak van 26 september 2002 ongegrond verklaard.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft de belanghebbende bij een door het hof op 22 oktober 2002 ontvangen beroepschrift beroep ingesteld.

1.4. Het verweerschrift van de ambtenaar is op 17 december 2002 door het hof ontvangen.

1.5. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op de zitting

van 1 december 2003 te Leeuwarden, alwaar is verschenen de gemachtigde van de ambtenaar. De belanghebbende is met bericht van verhindering niet verschenen.

1.6. Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. Het geschil en de standpunten van partijen.

2.1. In geschil is het antwoord op de vraag of de vastegestelde waarde in overeenstemming is met de waarde in het economische verkeer.

2.2. De belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de ambtenaar bevestigend.

2.3. Voor een meer uitvoerige uiteenzetting van de standpunten van partijen verwijst het hof naar de gedingstukken.

Partijen hebben daaraan ter zittingen geen nadere gronden aangevoerd.

3. De overwegingen omtrent het geschil.

3.1. Ingevolge artikel 17 , lid 1, van de Wet wordt een waarde aan een onroerende zaak toegekend. Ingevolge lid 2 van dat artikel wordt die waarde bepaald op de aan de onroernede zaak toe te kennen waarde, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevind, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen.

3.2. Ingevolge artikel 18, lid 1, van de Wet wordt de waarde van een onroerende zaak bepaald naar de waarde die de zaak op de waardepeildatum (in casu 1 januari 1994) heeft naar de staat waarin de zaak op die datum verkeert.

3.3. Ingevolge artikel 4, lid 1 onder a, van de Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet waardering onroerende zaken, wordt de waarde, bedoeld in artikel 17, lid 2, van de Wet

voor woningen onder meer bepaald door middel van een methode van vergelijking met referentieobjecten.

3.4. De ambtenaar, op wie te dezen de bewijslast rust, verwijst voor de onderbouwing van de waarde naar een taxatierapport van A consultants BV d.d. 9 december 2002.

3.5. Blijkens dit taxatierapport is de waarde bepaald door middel van een methode van vergelijking met referentiewoningen. De aangevoerde vergelijkingspanden kunnen dienen voor de onderbouwing van de waarde van de onderhavige woning per peildatum. De verschillen met de onderhavige woning worden in voldoende mate tot uitdrukking gebracht.

3.6. De belanghebbende heeft aangevoerd dat het object een nieuwbouwwoning betreft waarvan de koopprijs op basis van een koop-aannemingsovereenkomst d.d. 6 mei 1998 tot stand is gekomen. Volgens hem moet de waarde per 1 januari 1999 worden gerelateerd aan die door hem overeengekomen koopprijs, aldus dat de koopprijs wordt vermeerderd met een tot 1 januari 1999 geldende prijsstijging.

3.7. Te dezen dient in aanmerking te worden genomen dat de waarde op basis van de fictie dat de woning op de waardepeildatum 1 januari 1999 reeds bestond dient te worden vastgesteld op de prijs, welke bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze, na de beste voorbereiding op de waardepeildatum door de meest biedende gegadigde naar de toestand van de woning bij het begin van het tijdvak zou zijn besteed. De door belanghebbende overeengekomen koopprijs is, mede gelet op de in het taxatierapport genoemde verkoopcijfers van vergelijkingspanden, met vorenbedoelde prijs niet gelijk te stellen.

3.8. Het beroep is gelet op het voorgaande ongegrond.

4. De proceskosten.

Het gerechtshof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5. De beslissing.

Het hof:

verklaart het beroep ongegrond.

Gedaan door mr Drion , raadsheer als voorzitter, plaatsvervangend lid van de tweede enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van de heer Haarsma als griffier en in het openbaar uitgesproken te

Leeuwarden op 23 januari 2004 en door de voorzitter ondertekend, zijnde de griffier buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

Op 28 januari 2004 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.