Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2004:AO2235

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
20-01-2004
Datum publicatie
23-01-2004
Zaaknummer
BK 1092/02 WOZ
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar is de waarde van de onroerende zaak op waardepeildatum (1 januari 1999) in geschil.

Wetsverwijzingen
Wet waardering onroerende zaken 17, geldigheid: 2004-01-20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2004/22.1.14

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Nr. 1092/02 20 januari 2004

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, vijfde enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z tegen de heffingsambtenaar van de gemeente Hoogezand-Sappermeer (hierna: de heffingsambtenaar), gedaan op het bezwaarschrift van de belanghebbende tegen de ten aanzien van hem genomen beschikking ingevolge de Wet waardering onroerende zaken (hierna: WOZ).

1. Ontstaan en loop van het geding.

1.1 Ingevolge de Wet WOZ heeft de heffingsambtenaar de waarde met betrekking tot de onroerende zaak de a-kade 24 te Z waarvan de belanghebbende eigenaar en/of gebruiker is, vastgesteld bij beschikking onder nummer 00000, gedateerd 23 februari 2001. Daarbij is de waarde vastgesteld op f 391.000,-, zijnde € 177.428,-.

1.2 Na bezwaar van belanghebbende is, bij de uitspraak waarvan beroep, gedagtekend 25 maart 2002 en verzonden 22 maart 2002, de vastgestelde waarde ad € 177.428,- met € 26.320,-, zijnde f 58.000,-, verminderd tot € 151.108,-, zijnde f 333.000,-.

1.3 Het beroepschrift (met bijlagen) is op 26 april 2002 ter griffie ingekomen. De heffingsambtenaar heeft met dagtekening 19 november 2002, ingekomen op 20 november 2002, een verweerschrift (met bijlagen) ingediend. Bij brief met dagtekening 30 september 2003 heeft belanghebbende een aanvulling op het beroepschrift gegeven en tevens aangegeven dat hij niet op de hem aangekondigde zitting zal verschijnen.

1.4 Bij de mondelinge behandeling van 22 oktober 2003, gehouden te Groningen, waren aanwezig mevrouw A en de heer B (taxateur) namens de heffingsambtenaar. De belanghebbende is, terwijl hij kennis had van datum en tijdstip van de zitting, niet verschenen.

Ter voormelde zitting heeft de heffingsambtenaar een door hem ter zitting voorgedragen pleitnota overgelegd.

1.5 Het gerechtshof heeft op 5 november 2003 mondeling uitspraak gedaan; afschriften van het daarvan opgemaakte proces-verbaal zijn op 19 november 2003 met bericht van ontvangst aan de partijen verzonden.

Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

Op 1 december 2003 is bij het gerechtshof een verzoek van de belanghebbende ingekomen om de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke.

Het door de belanghebbende verschuldigde griffierecht is op 12 december 2003 voldaan.

2. De feiten.

Op grond van de gedingstukken en het ter zitting verhandelde staat tussen de partijen als niet, dan wel onvoldoende weersproken het volgende vast:

2.1 Bij beschikking, in het kader van de WOZ van 23 februari 2001 is door de heffingsambtenaar ten aanzien van belanghebbende als eigenaar en gebruiker de waarde van de onroerende zaak gelegen aan de a-kade 24 te Z (hierna: de onroerende zaak) vastgesteld. Deze beschikking geldt voor het tijdvak 1 januari 2001 tot en met 31 december 2004. Het betreft een omstreeks 1890 gebouwde voormalige directeurswoning, met een inhoud van circa 1.100m3 en een oppervlakte van circa 1.890m2. De woning heeft als bijgebouwen een berging/schuur met een oppervlakte van 12m2 en een serre met een inhoud van 50m3.

2.2 De waarde die door de heffingsambtenaar aan de onroerende zaak is toegekend, bedraagt op de waardepeildatum f 391.000,-, zijnde € 177.428,-. Tegen deze beschikking heeft belanghebbende met dagtekening van 24 maart 2001, ontvangen op 27 maart 2001, een bezwaarschrift ingediend.

2.3 Bij de bestreden uitspraak met dagtekening van 25 maart 2002, verzonden 22 maart 2002, is de vastgestelde waarde ad € 177.428,- met € 26.320,-, zijnde f 58.000,-, verminderd tot € 151.108,-, zijnde f 333.000,-.

3. Het geschil en de standpunten van partijen.

3.1 Tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar is de waarde van de onroerende zaak op waardepeildatum (1 januari 1999) in geschil.

3.2 Belanghebbende is van mening dat de heffingsambtenaar de waarde van de onroerende zaak op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. Hij voert daartoe aan dat (1) onvoldoende rekening is gehouden met de bestemming 'industrieterrein' in het bestemmingsplan en (2) dat de waarde van de onroerende zaak in vergelijking met de taxatie voor het tijdvak 1999-2000 70% in waarde is gestegen.

3.3 De heffingsambtenaar bepleit in zijn verweerschrift bevestiging van de bij uitspraak op bezwaar vastgestelde waarde ad f 333.000,-. Hij voert ter onderbouwing een taxatierapport aan, dat als bijlage bij het verweerschrift is overgelegd. Hij stelt dat (1) in vergelijking met de referentieobjecten bij de taxatie van Werfkade 24 rekening is gehouden door voor a-kade 24 een lagere grondwaarde te hanteren dan voor de referentieobjecten en (2) dat de stijging ten opzichte van de vorige waardepeildatum irrelevant is, nu iedere taxatie op zichzelf dient te worden bezien.

4. De overwegingen omtrent het geschil:

4.1 Zoals blijkt uit het bepaalde in de artikelen 17 en 18, eerste lid van de Wet wordt de waarde bepaald op de waarde die per 1 januari 1999 aan de onderhavige onroerende zaak dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin deze zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen (hierna: de waarde in het economisch verkeer).

4.2 Ingevolge artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van de Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet waardering onroerende zaken, wordt de in artikel 17, tweede lid, van de Wet bedoelde waarde voor woningen onder meer bepaald door middel van een methode van vergelijking met referentieobjecten (de zogenaamde 'vergelijkingsmethode').

4.3 Op de heffingsambtenaar rust - bij betwisting - de last aannemelijk te maken dat de waarde per 1 januari 1999 - met inachtneming van de Wet - niet hoger is vastgesteld dan de waarde in het economisch verkeer per genoemde datum. Ter onderbouwing van de door hem vastgestelde waarde voert de heffingsambtenaar een taxatierapport aan.

4.4 Naar het oordeel van het gerechtshof is de heffingsambtenaar, gelet op aangevoerde referentieobjecten en de door de heffingsambtenaar ter zitting overgelegde pleitnota in zijn bewijslast geslaagd. De heffingsambtenaar hanteert blijkens zijn verweerschrift en pleitnota de 'vergelijkingsmethode', die besloten ligt in artikel 17 van de Wet en artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van de Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet waardering onroerende zaken.

4.5 Naar het oordeel van het gerechtshof heeft de heffingsambtenaar bij de waardevaststelling van de onroerende zaak voldoende rekening gehouden met de door belanghebbende gestelde bestemming 'industrieterrein', waarvan niet in geschil is dat deze bestemming voor de onroerende zaak van toepassing is, maar niet voor de referentieobjecten.

4.6 De heffingsambtenaar heeft naar het oordeel van het gerechtshof in zijn verweerschrift, nader toegelicht in zijn pleitnota, inzichtelijk en aannemelijk gemaakt dat met voornoemde bestemming rekening is gehouden, doordat bij de waardevaststelling van de onroerende zaak een lagere grondwaarde is gehanteerd dan voor de referentieobjecten.

4.7 Belanghebbende heeft wel gesteld, doch niet aannemelijk gemaakt dat de waardedrukkende invloed van het bestemmingsplan in de waardevaststelling onvoldoende tot uitdrukking is gekomen. Het hof gaat voorbij aan de stelling dat de onroerende zaak in vergelijking met de vorige WOZ-taxatie 70% hoger is getaxeerd, nu iedere waardevaststelling in het kader van de Wet op zichzelf dient te worden bezien. Belanghebbende heeft met deze stelling en ook overigens naar het oordeel van het gerechtshof niet aannemelijk gemaakt dat de waarde van de onroerende zaak op een te hoog bedrag is vastgesteld.

5. De conclusie

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het beroep van de belanghebbende ongegrond is.

6. De proceskosten

Het gerechtshof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. De beslissing

Het gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.

Gedaan op 20 januari 2004 te Leeuwarden door mr. H.H.A. Fransen, voorzitter van de vijfde enkelvoudige belastingkamer in tegenwoordigheid van de griffier mr. E. Thomas en ondertekend door voornoemde voorzitter en voornoemde griffier.

Op 23 januari 2004 afschrift

aangetekend verzonden aan beide

partijen.