Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2004:AO2095

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
16-01-2004
Datum publicatie
21-01-2004
Zaaknummer
BK 429/99 BPM
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende in de zin van artikel 4, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) in Duitsland (standpunt belanghebbende) of in Nederland (standpunt inspecteur) woonde op 3 februari 1999.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 4
Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2004/21.1.10
FutD 2004-0164
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 429/99 16 januari 2004

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, vierde enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van mevrouw X te Z

(: belanghebbende) tegen de uitspraak van het hoofd van de Belastingdienst/Douane district Groningen, (hierna: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de naheffingsaanslag in de belasting van personenauto's en motorrijwielen (: BPM)) met boete, met nummer D 00000000000000) en dagtekening 22 februari 1999.

1.A Ontstaan en loop van het geding

Aan belanghebbende werd genoemde naheffingsaanslag met boete opgelegd op grond van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 (: de Wet) tot een bedrag van f 38.574,- aan enkelvoudige belasting en f 9.640,- aan boete. Op het tijdig ingediende bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van 22 juni 1999 het bezwaar afgewezen.

Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift (met bijlagen), dat op 19 juli 1999 is ingekomen en is aangevuld bij brief (met bijlagen), ingekomen op 15 november 1999.

De inspecteur heeft een verweerschrift (met bijlagen) ingezonden. Belanghebbende heeft bij brief, ingekomen op 3 januari 2001 (met bijlagen) en bij brief, ingekomen op 12 maart 2001 (met bijlagen) nog haar visie verduidelijkt. Hiervan is afschrift gestuurd naar de inspecteur. De inspecteur heeft nog een brief gedagtekend 6 maart 2001 (met bijlagen) ingezonden, waarvan afschrift is gezonden aan belanghebbende. De eerste mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 19 maart 2001 te Groningen. Aldaar zijn verschenen en gehoord de gemachtigde van belanghebbende en de inspecteur, vergezeld van de heren A en Bg. De inspecteur heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan belanghebbende. Naar aanleiding van het ter zitting door het Hof tot belanghebbende gerichte verzoek om schriftelijk nadere inlichtingen te verstrekken heeft belanghebbende een brief (met bijlagen) ingezonden, gedagtekend 8 juni 2001. De inspecteur heeft hierop gereageerd bij brief van 9 juli 2001 (met bijlagen), waarvan afschrift is gezonden aan belanghebbende. Bij brief van 11 februari 2002 heeft de inspecteur opnieuw een brief (met bijlagen) aan het Hof gericht, waarvan weer afschrift is gestuurd aan belanghebbende. De tweede mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 10 december 2003 te Leeuwarden. Aldaar zijn verschenen en gehoord de gemachtigde van belanghebbende en de inspecteur, vergezeld van de heer C. De inspecteur heeft ter zitting wederom een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan belanghebbende. Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

1.B Door belanghebbende gevraagd uitstel van de mondelinge behandeling

De onderhavige zaak is vertraagd doordat belanghebbende uitstel heeft gevraagd van de volgende geplande zittingen:

28 juli 2000; 8 januari 2001; 7 mei 2002 en 16 mei 2002. Dit uitstel is steeds verleend. Voor de zitting van 10 december 2003 had belanghebbende weer uitstel gevraagd, maar dit uitstel is niet verleend omdat een onredelijke vertraging in het afwikkelen van de zaak zou ontstaan. Overigens is de gemachtigde van belanghebbende op die zitting verschenen.

2. De feiten

Blijkens de gedingstukken en het verhandelde ter beide zittingen staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:

2.1 Belanghebbende is gehuwd met de heer D. Samen hebben zij twee kinderen, E en F.

2.2 Zowel belanghebbende als haar echtgenoot zijn aangetroffen in in de Bondsrepubliek Duitsland geregistreerde personenauto's, terwijl zij gebruik maakten van de openbare weg in Nederland. Belanghebbende in een Mercedes Benz, type E420, voorzien van het kenteken YYY-YY 000, haar echtgenoot in een Porsche 911, voorzien van het kenteken XXX-XX 000.

2.3 Na een onderzoek naar de fiscale woonplaats van belanghebbende, heeft de Douane het standpunt ingenomen dat deze in Nederland gelegen was, en wel aan de a-singel 11 te Z. Omdat de heer D aangaf dat zij beiden werkzaam waren voor een Duits bedrijf, heeft de Douane/Post Veendam aangegeven dat zij mogelijk in aanmerking kwamen voor een vergunning woning-werkverkeer op basis van artikel 2 of 3 van het Uitvoeringsbesluit BPM. De heer D reageerde hierop bij schrijven van 30 oktober 1998 en stelde dat zijn hoofdverblijfplaats in Duitsland was gelegen (bijlage 5 bij het verweerschrift). De Douane gaf per brief van 25 november 1998 aan dat onderzoek naar de hoofdverblijfplaats tot resultaat had gehad dat er geen woonverblijf was aangetroffen op de door de heer D aangegeven adressen (bijlage 6 verweerschrift). Tevens werd hij gewaarschuwd dat de BPM zou worden nageheven, indien hij opnieuw zou worden aangetroffen.

2.4 Op het adres a-strasse 4 te L werd een leegstaand gebouw aangetroffen (zie foto bijlage 7 verweerschrift). De heer D heeft dit pand gehuurd van 1 april 1994 tot 31 december 1997. De verhuurder van het pand, de heer G, a-strasse 7 te L verklaarde dat de heer D het pand alleen had gebruikt voor bedrijfsmatige doeleinden, en dat het gezin D er nooit in had gewoond. Tevens werd vastgesteld dat in het pand aan de b-strasse in L geen woonverblijf aanwezig was (foto's bijlage 8 verweerschrift).

2.5 De heer D heeft op 14 december 1998 verzocht om een aanvraagformulier ter verkrijging van een dergelijke vergunning woning-werkverkeer (bijlage 9 verweerschrift). Hij gaf aan in aanmerking te willen komen voor de uitgebreide woon-werkverkeervergunning van artikel 2 Uitvoeringsbesluit BPM, omdat hij noch directeur, noch aandeelhouder was van het Duitse bedrijf. Op 1 februari 1999 stuurde de Douane de heer D een brief, waarin aangegeven werd dat er nog steeds geen verzoek voor een dergelijke vergunning was binnengekomen. Tevens werd nogmaals een waarschuwing gegeven dat indien de heer D of zijn echtgenote in één van de genoemde auto's zou worden aangetroffen, de BPM zou worden nageheven en een boete zou worden opgelegd (bijlage 10 verweerschrift). Telkens werd de correspondentie gezonden aan het adres a-singel 11 te 0000 YY Z. Kort na de laatstgenoemde brief werd door de Douane een geopende brief ontvangen, met daarin het oningevulde aanvraagformulier en de vermelding "Retour afzender Op de a-singel 11 woont geen D." (bijlage 11 verweerschrift).

2.6 Belanghebbende werd op 3 februari 1999 op de openbare weg te Z aangetroffen in bovengenoemde Mercedes met het kenteken YYY-YY 100. Aan haar werd op 22 februari 1999 een naheffingsaanslag BPM met boete opgelegd (bijlage 1 verweerschrift).

2.7 Belanghebbendes bezwaarschrift werd ontvangen op 1 april 1999. Op 19 mei 1999 werd belanghebbende op de hoogte gesteld van het voornemen om het bezwaar af te wijzen. Tevens werd zij in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord. Van dit hoorrecht heeft belanghebbende geen gebruik gemaakt. Bij beschikking van 22 juni 1999, kenmerk 960, werd het bezwaarschrift ongegrond verklaard (bijlage 3 verweerschrift). Het beroepschrift is bij het hof ontvangen op 19 juli 1999.

2.8 Op verzoek van belanghebbendes voormalige gemachtigde (mr. H van I Advocaten en Procureurs) en belanghebbendes huidige gemachtigde heeft er op 13 september 1999 nog een nadere bespreking plaatsgevonden met de inspecteur en de ontvanger van het Douanedistrict Groningen. Van dit gesprek is een verslag gemaakt, dat op 27 september 1999 aan haar toenmalige gemachtigde is opgestuurd (bijlage 12 verweerschrift).

2.9 Belanghebbende heeft zich per 2 januari 1995 laten uitschrijven uit de basisadministratie van de gemeente Z (bijlage 13 verweerschrift). Zij heeft de inspecteur een "Aufenthaltsbescheinigung" van de gemeente L getoond, waaruit zou blijken dat zij in de periode van 16 mei 1994 tot 22 augustus 1996 haar "Hauptwohnsitz" aan de a-strasse 4 te L heeft gehad. Uit een kopie van een "Anmeldebestätigung" blijkt dat de familie D per 16 mei 1994 is aangemeld, waarbij als adres wordt vermeld de a-strasse 4 te L.

2.10 Belanghebbende is vanaf 1996 in dienst van "J GmbH: als bewijs hiervoor heeft belanghebbende een "Gewerbe-ummeldung" van de gemeente L aan de inspecteur overgelegd, waaruit blijkt dat het bedrijf verplaatst wordt van de a-strasse 4 te L naar de b-strasse 12 te L. Belanghebbende stelt impliciet ook hier te hebben gewoond. Tijdens de bespreking op 13 september 1999 (zie 2.8) werd verklaard dat men op dat moment verbleef aan de c-strasse 19 te M.

2.11 Belanghebbende heeft een Duits rijbewijs en een Nederlands paspoort, afgegeven door de Consul-Generaal te Hamburg.

2.12 Belanghebbende is bestuurder van K B.V., gevestigd aan de a-singel 11 te Z. Deze rechtspersoon heeft als bedrijfsomschrijving onder andere "groothandel in fietsen en fietsonderdelen". Tevens exploiteert de B.V. een restaurant "O" aan de b-straat 4 te Z (bijlage 14 verwqeerschrift). De aandelen van bovenstaande B.V. worden gehouden door "Stichting P". Belanghebbende is ook functionaris van deze stichting (bijlage 15 verweerschrift). Genoemde B. V. heeft begin 1997 met de Stichting R een sponsorovereenkomst gesloten (bijlage 16 verweerschrift). Nadien heeft K B.V. nauwe banden met voetbalclub S. Er zijn betalingen gedaan in verband met het V.O.S.-Iidmaatschap van S over het seizoen 1998/1999 (bijlage 17 verweerschrift). Ook uit een krantenbericht blijkt de nauwe betrokkenheid van de familie D bij de voetbalclubs R en S (bijlage 18 verweerschrift). Beide clubs richten hun correspondentie aan de heer D, a-singel 11 te Z.

2.13. Belanghebbende en haar echtgenoot hebben al op 27 augustus 1992 de gehele inventaris van hun woning (toen nog aan de d-straat 7 te V) verkocht aan K B.V. Tevens werd bepaald dat er een huursom zal worden opgevoerd (bijlage 19 verweerschrift). In bijlage 4 van het accountantsrapport van 1 oktober 1998 inzake K B.V. te Z wordt nog steeds huuropbrengst van (o.a.) het adres a-singel 11 te Z verantwoord (bijlage 20 verweerschrift). Op 28 september 1999 heeft de ontvanger van het Douanedistrict Groningen beslag laten leggen op deze inventaris. De inventarislijst van deze beslaglegging toont aan dat het inventaris betreft (zowel met betrekking tot de aard als de waarde daarvan) die door een gezin wordt gebruikt dat daar dagelijks gebruik van maakt, en niet slechts een bijkomend of incidenteel gebruik (bijlage 21 verweerschrift). De woning aan de a-singel 11 te Z staat op naam van K B.V. en de onroerende-zaak- belasting en de energienota's worden ook door deze B.V. betaald. 2.14 Uit waarnemingen van de zijde van de inspecteur blijkt dat het gezin D nagenoeg permanent verblijft op het adres a-singel 11 te Z. De Douane heeft deze waarnemingen zeer regelmatig gedaan, ook gedurende de weekeinden, 's avonds en in de vroege morgen. Telkens stonden afwisselend de Duits gekentekende Mercedes en Porsche voor de deur. Belanghebbendes gemachtigde heeft dit tijdens de bespreking van 13 september 1999 ook niet ontkend. Toegegeven werd dat gewoonlijk overnacht werd in het huis aan de a-singel te Z, dat beide kinderen daar ook verblijven en dat de oudste dochter elke morgen vanaf dit adres naar de christelijke basisschool wordt gebracht (bijlage 12 verweerschrift). 2.15 Ook tijdens de controle op 3 februari 1999 verklaarde belanghebbende dat zij elke dag in Nederland verblijft (bijlage 22 verweerschrift, vraag 6).

2.16 Tijdens de controle op 5 augustus 1999 waarbij de heer D werd aangetroffen in voornoemde Duits gekentekende Porsche, verklaarde hij dat hij persoonlijke bindingen in Nederland had (vrouw en oudste kind) en dat deze woonden in Z (bijlage 23 verweerschrift).

2.17 De oudste dochter van belanghebbende bezoekt de Christelijke Basisschool "U" te Z. Blijkens de inschrijvingskaart bezocht zij daarvoor de peuterspeelzaal "W" te Z (bijlage 24 verweerschrift). Bij de directie van deze basisschool staat het gezin D bekend als woonachtig aan de a-singel 11 te Z. Dit is ook het adres waarnaar wordt gebeld indien dit nodig blijkt te zijn. Bij eventuele afwezigheid van de ouders moet contact worden opgenomen met de oma, die woonachtig is aan de e-laan 15 te Z. Dit is dicht bij de a-singel 11.

2.18. De Douane heeft een onderzoek ingesteld naar de door belanghebbende en haar gemachtigde opgegeven woonadressen in Duitsland. Hierbij werd het volgende vastgesteld:

- Op het adres a-strasse 4 te L heeft de familie nimmer gewoond. Het huurcontract vermeldt alleen het zakelijke gedeelte (bijlage 25). De overeenkomst is aangegaan met het bedrijf "AA. De verhuurder heeft verklaard dat de heer D alleen de begane grond had gebruikt voor zakelijk doeleinden, dat het woongedeelte op de eerste etage nooit in gebruik is geweest en dat daar ook nooit huur voor is afgedragen. Twee ambtenaren van de gemeente L, de heren BB en CC, verklaarden dat de familie D nooit feitelijk woonachtig is geweest op het adres a-strasse 4;

- Op het adres b-strasse waar de bedrijfsruimte was gevestigd, was in en naast het pand geen woonverblijf aanwezig. Er was geen vaste verbinding met de eventueel als woonruimte te gebruiken bovenetage. Er stond enkel een ladder. De aannemer/verhuurder van het pand, de heer EE, verklaarde telefonisch dat de bovenetage niet gebruikt kon worden. Beneden was een showroom van fietsen, verder was het pand niet ingericht;

- Op het adres c-strasse 19 te M is een parfumerie gevestigd. Boven de parfumerie was een kantoor ingericht. Op 30 november 1999 heeft verhuisbedrijf FF te Z in opdracht van de heer D de inventaris overgebracht van dit adres naar de opslaglocatie van FF (bijlage 26 verweerschrift). Uit dit overzicht blijkt dat het voornamelijk om kantoorinventaris gaat. Volgens de heer GG van het Amtsgericht in M is geen (woon)lokatie aanwezig geweest waar de familie D heeft verbleven.

2.19 Een ambtenaar van de Belastingdienst/Ondernemingen te Groningen heeft in 1998 twee maal de woning aan de a-singel 11 te Z bezocht. Bij beide gelegenheden verrichtte belanghebbende huishoudelijke werkzaamheden. De woning was ingericht als een normale woning waarvan dienstovereenkomstig gebruik werd gemaakt door de familie D (bijlage 27 verweerschrift). Gedurende de periode februari 1997 tot (in ieder geval) 1999 heeft de familie D gebruik gemaakt van de diensten van "HH schoonmaakbedrijf vof" te II. Een deel van de werkzaamheden van dit bedrijf is tijdelijk verricht door de Stichting "JJ" te Z, die zorgt voor de tewerkstelling van langdurig werklozen ("Melkertbanen"). In dit kader verrichten "witte schoonmaaksters" huishoudelijke werkzaamheden. Hoewel het contract is afgesloten met K B.V. (bijlage 28 verweerschrift), bestonden de werkzaamheden volgens de planner van genoemde stichting uit hulp in de huishouding.

2.20 In het kader van een matchingprocedure van intracommunautaire leveringen en verwervingen berichtte het Bundesamt für Finanzen op 10 september 1999 aan de Centrale Eenheid Intracommunautaire Transacties te Deventer: "Der Betrieb der deutschen Firma wurde in diesem Jahr eingestellt. Der ehemalige Inhaber ist nicht auffindbar. Er soll jetzt in den Niederlanden ansassig sein: NL-0000 YY Z, a-single 11.", en : "D gründete zum 02.08.1994 eine GmbH. Neue Umsatzsteuernummer 00000000000. Ab 06.02.1996 übernahm seine Ehefrau X die Firma. Lt. Unterlagen des FA M hatte die Firma ausser für das Jahr 1994 innergemeinschaftlichen Erwerbe gemeldet. Es kann jedoch nicht nachgeprüft werden, ob die Meidungen die Bareinkäufe in den Niederlanden beinhalten. Die Eheleute D waren unter der letzten Privatanschrift (c-strasse 19, 00000 M) nicht auffindbar." (bijlage 29 verweerschrift).

2.21 . Op .. november 19.. werd door de arrondissementsrechtbank te Groningen het faillissement uitgesproken van D (belanghebbendes echtgenoot). Vermeld wordt: v/h wonende te V, f-weg 180, thans verblijvende te 0000 YY Z, a-singel 11." (bijlage 30 verweerschrift).

2.21 Uit kopieën van de bankafschriften van de jaren 1998 en 1999 van een bankrekening van belanghebbende blijkt het volgende:

- in Nederland heeft zij meerdere verzekeringen lopen (onder meer een ziektekostenverzekering),

- het gezin heeft in Nederland een huisarts (KK), een tandarts (LL), een huidarts (MM), en een fysiotherapeut (NN),

- er wordt contributie betaald aan een sportvereniging (OO), de Stichting thuiszorg groene kruis, een muziekschool, Vrienden van het Noorderdierenpark, de provinciale bibliotheek en het Wereld Natuur Fonds,

- Belanghebbende betaalt periodiek bedragen in het kader van twee PP Spaarbeleg-overeenkomsten en heeft ook nog andere polissen bij PP lopen,

- er worden voorts bedragen betaald aan de peuterspeelzaal, de basisschool, KPN Telecom en het St. Lucas Ziekenhuis,

- beelanghebbende doet voorts kennelijk mee aan winkelacties voor "Pampers" en "Lotion Care".

2.22 Belanghebbende is geabonneerd op de NCRV-gids en betaalt sinds september 1999 abonnementkosten voor "QQ" (kunstuitleen) bijlage 32 verweerschrift).

2.23 In het kader van een opsporingsonderzoek van de opsporingsdienst regio Noord-Oost van Gak Nederland BV, werd een verklaring afgelegd door een medewerkster van het restaurant O, waaruit blijkt dat het echtpaar D in het perceel a-singel 11 te Z woont (bijlage 33 verweerschrift).

2.24 De inspecteur heeft in zijn brief van 11 februari 2002 aangegeven dat de naheffingsaanslag kan worden verminderd tot een bedrag van f 28.793,- (€ 13.066,-) aan enkelvoudige belasting en

f 7.198,- (€ 3.266,-) aan boete. Belanghebbende heeft daartegen geen verweer gevoerd.

3. Het geschil en de standpunten van partijen

3.1 In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende in de zin van artikel 4, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) in Duitsland (standpunt belanghebbende) of in Nederland (standpunt inspecteur) woonde op 3 februari 1999. Voor het geval het gelijk hier aan de zijde van de inspecteur is, is belanghebbende van mening dat zij dan materieel recht zou hebben gehad op een vergunning woning-werkverkeer. De inspecteur is van opvatting dat een zodanige vergunning dan in ieder geval vòòr 3 februari 1999 had moeten worden aangevraagd, hetgeen niet is geschied.

3.2 Gelet op het onder 2.24 vermelde gaat het hof er van uit dat tussen partijen niet meer in geschil is dat voor het geval belanghebbende op 3 februari 1999 in Duitsland woonde de naheffingsaanslag en de boete moeten worden vernietigd en dat voor het geval belanghebbende op die datum in Nederland woonde de naheffingsaanslag en de boete moeten worden verminderd zoals aangegeven onder 2.24 indien de inspecteur gelijk heeft ten aanzien van de vergunning.

3.3 Voorts wordt verwezen naar de gedingstukken voor een meer uitgebreide omschrijving van de standpunten van partijen.

4. De overwegingen omtrent het geschil

4.1 Gelet op hetgeen vermeld is onder de punten 2.12, 2.14 tot en met 2.17, 2.19 en 2.21 tot en met 2.23, in onderling verband en samenhang beschouwd, moet worden aangenomen dat belanghebbende op 3 februari 1999 in de zin van artikel 4, lid 1, Awr in Nederland woonde.

4.2 Voor zover hetgeen onder 2.9 en 2.10 is vermeld aanleiding zou geven tot twijfel, moet op grond van hetgeen is vermeld onder 2.3 (één na laatste volzin), 2.4, 2.18 en 2.20, in onderling verband en samenhang beschouwd, worden geconcludeerd dat er geen enkele reden is om aan te nemen dat belanghebbende op 3 februari 1999 in Duitsland woonde.

4.3 Het Hof heeft belanghebbende op de eerste zitting (19 maart 2001) nog in de gelegenheid gesteld aannemelijk te maken dat zij op 3 februari 1999 toch in Duitsland woonde. Belanghebbende kwam toen met de stelling dat zij toen in M woonde (zie haar brief van 8 juni 2001 met bijlagen). Het Hof is met de inspecteur (zie zijn brief van 9 juli 2001 met bijlagen) van oordeel dat deze stelling van belanghebbende niet aannemelijk is geworden.

4.4 Ten aanzien van de vrijstelling van artikel 2 of 3 van het Uitvoeringsbesluit BPM geldt dat slechts met vrucht een beroep op deze vrijstelling kan worden gedaan indien deze vòòr de aanvang van het gebruik van de weg is gevraagd en bij -voor bezwaar vatbare- beschikking is verleend. In het onderhavige geval is dit niet gebeurd, zodat een beroep op de vrijstelling faalt.

4.5 Gelet op het onder 4.1 tot en met 4.3 vermelde is het Hof voorts van oordeel dat de inspecteur er ten aanzien van de boete terecht van is uitgegaan dat sprake is van grove schuld bij belanghebbende. Er was naar het oordeel van het Hof geen reële discussie mogelijk over de vraag waar belanghebbende woonde en zij moet zich dit hebben gerealiseerd. Het Hof acht op grond van artikel 67f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen de onder 2.24 genoemde boete passend en geboden.

4.6 Het gelijk is mitsdien aan de zijde van de inspecteur, zodat moet worden beslist als hierna te vermelden (zie ook 3.1 jo. 2.24).

5. Proceskosten

In de omstandigheden van het geval vindt het Hof aanleiding op grond van artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken de inspecteur te veroordelen in de kosten, die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Het Hof bepaalt deze kosten op grond van het Besluit proceskosten fiscale procedures op 1 (punt) x 1,5 (wegingsfactor) x € 322,-- = € 483,-- ter zake van het "voorlopig" beroepschrift van advocaat mr. H € € 75,- aan reiskosten voor het bijwonen van beide zittingen door belanghebbendes opvolgende gemachtigde D, welke kosten dienen te worden gedragen door de Staat der Nederlanden.

6. De beslissing

Het Hof

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de uitspraak van de inspecteur op het bezwaar;

vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van f 28.793,-

(€ 13.066,-) aan enkelvoudige belasting en f 7.198,- (€ 3.266,-) aan boete;

gelast dat het betaalde griffierecht ad € 38,57 aan belanghebbende wordt vergoed door de inspecteur;

veroordeelt de inspecteur de kosten aan belanghebbende te vergoeden, die deze heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, te bepalen op € 558,- in totaal; en

wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die deze kosten dient te dragen.

Aldus vastgesteld op 16 januari 2004 door mr. J. Huiskes, raadsheer, en op die dag in het openbaar uitgesproken door voornoemde raadsheer in tegenwoordigheid van de griffier mr. H. de Jong en ondertekend door voornoemde voorzitter en door voornoemde griffier.

Op 21 januari 2004 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.