Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2004:AO2094

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
16-01-2004
Datum publicatie
21-01-2004
Zaaknummer
BK 1589/02 Leges
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Te dezen is in geschil het antwoord op de vraag of de heffingsambtenaar terecht en tot het juiste bedrag leges in rekening heeft gebracht.

Wetsverwijzingen
Gemeentewet 229
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2004/395
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 1589/02 16 januari 2004

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, tweede meervoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van de heffingsambtenaar van de gemeente Aa en Hunze te Gieten (hierna: de heffingsambtenaar, respectievelijk de gemeente), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hem uitgereikte factuur ter zake van leges voor een door de gemeente gegeven aanlegvergunning in het jaar 2001.

1. Ontstaan en loop van het geding

Aan belanghebbende werd gedateerd 16 maart 2001 een factuur uitgereikt ter zake van leges voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verkrijgen van een aanlegvergunning, op grond van de Rechtenverordening 1998 met bijbehorende Tarieventabel, gelijk geldend voor het jaar 2000 (nader: de verordening), tot een bedrag van ƒ 9.116,25 (€ 4.136,77).

Op het tijdig ingediende bezwaar van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij de bestreden uitspraak van 6 juni 2002 de heffing gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift (met bijlagen), hetwelk op 15 juli 2002 is ingekomen.

Nadat de heffingsambtenaar zijn verweerschrift (met bijlagen) heeft ingezonden, heeft hij op telefonisch verzoek van het hof afschriften ingezonden van een door belanghebbende bij de gemeente ingediend verzoek om bestemmingswijziging ten behoeve van bosaanplant, van de door de gemeente gegeven aanlegvergunning van 12 februari 2001, de wijziging van het bestemmingsplan, een brief van belanghebbende van 28 februari 2001 aan Burgemeester en wethouders van de gemeente en van de derde en vierde wijziging van de verordening (en tarieventabel).

Vervolgens heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden ter zitting van 24 oktober 2003, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig waren belanghebbende zomede de gemachtigden van de heffingsambtenaar.

Ter voormelde zitting heeft belanghebbende de door hem ter zitting voorgedragen pleitnota overgelegd. De gemachtigden van de heffingsambtenaar hebben eveneens een pleitnota voorgedragen en overgelegd. Tegen overlegging van enige schriftelijke stukken bij deze laatste pleitnota had belanghebbende geen bezwaar.

Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten.

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:

2.1 Tussen 12 april 1999 en 12 februari 2001 is tussen belanghebbende en de gemeente meermalen contact geweest betreffende de realisatie van (uitbreiding van) het landgoed A.

2.2 Bij schrijven van 15 mei 2000 heeft belanghebbende namens B BV, als directeur/groot-aandeelhouder van die vennootschap, bij de gemeente een aanvraag ingediend voor bestemmingswijziging conform artikel 11 van de Wet Ruimtelijke Ordening (nader: de wet RO) ten behoeve van bosaanplant op percelen voor uitbreiding van het landgoed A.

2.3 Volgens belanghebbendes verklaring ter zitting waren de betreffende onroerende zaken ten tijde van het indienen van de aanvraag privébezit en zijn zij vervolgens ingebracht in de hiervoor genoemde vennootschap.

2.4 Bij besluit van Burgemeester en wethouders van de gemeente, gedateerd 29 augustus 2000, nummer 35/13, is het vigerende bestemmingsplan Buitengebied L gewijzigd zoals is verzocht.

2.5 In artikel 5, lid 8, sub a, onder 5, van voormeld bestemmingsplan is bepaald dat voor de aanleg van bos een door de gemeente te geven aanlegvergunning benodigd is.

2.6 Bij besluit van 12 februari 2001, verzonden 14 februari 2001, is aan belanghebbende een aanlegvergunning verstrekt. Daarbij is vermeld dat een bedrag van f.9.116,25 (€ 4.136,77) aan leges zou worden geheven.

2.7 Gedateerd 16 maart 2001 is aan belanghebbende een factuur gezonden voor de te betalen leges. Een daartegen gericht bezwaarschrift van belanghebbende is op maandag 1 mei 2001 bij de gemeente ingekomen. Bij uitspraak van 6 juni 2002 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar ongegrond verklaard en de factuur gehandhaafd.

2.8 Het legesbedrag is gebaseerd op aanlegkosten voor het bos ad f.10.000,-- per hectare, verhoogd met een toeslag voor bodemvoorbereiding en laan ad f.1.000,-- per hectare , in totaal uitkomend op een bedrag van f.467.500,--. Naar tussen partijen vaststaat komt dit bedrag overeen met de werkelijke kosten van ontwerp, grondverzet en grondbewerking, tijdelijk raster, aanleg lanenstructuur en plantsoen, alsmede beplanting.

3. Het geschil.

Te dezen is in geschil het antwoord op de vraag of de heffingsambtenaar terecht en tot het juiste bedrag leges in rekening heeft gebracht.

4. De standpunten van partijen.

Belanghebbende heeft op gronden, gelijk vervat in zijn beroepschrift en voormelde pleitnota, primair het standpunt ingenomen dat hij geen aanvraag tot het verlenen van een aanlegvergunning heeft ingediend, subsidiair dat er voor de aanleg van het bos geen aanlegvergunning is vereist, meer subsidiair dat onderdeel 5.9.3 van de Tarieventabel van toepassing is en meest subsidiair dat de aanlegkosten op een te hoog bedrag zijn berekend.

De heffingsambtenaar heeft daartegenover op gronden, gelijk weergegeven in zijn verweerschrift, het standpunt verdedigd dat de leges terecht en tot het juiste bedrag in rekening zijn gebracht.

Partijen hebben ter zitting hun onderscheidene standpunten gehandhaafd.

5. De overwegingen omtrent het geschil.

5.1 Nu in artikel 5, lid 8, sub a, onder 5, van het vigerende bestemmingsplan voor werkzaamheden als het aanleggen van bos is bepaald dat een door de gemeente te geven aanlegvergunning vereist is, kon de gemeente, naar 's hofs oordeel, in redelijkheid belanghebbendes aanvraag van 15 mei 2000 voor bestemmingswijziging ten behoeve van aanleg van het bos zo opvatten dat daarmee tevens het verlenen van een aanlegvergunning werd verzocht.

5.2 Ingevolge het bepaalde in artikel 2 van de verordening en onder 5.8.1 van de bij de verordening behorende tarieventabel (tekst 2000) bedraagt het tarief 1,3% van de aanlegkosten, welk bedrag ingevolge het bepaalde onder 5.8.3 van de tarieventabel wordt verhoogd met 50% ingeval -zoals in het onderhavige geval- de aanvraag betrekking heeft op werken of werkzaamheden waarvoor een aanlegvergunning moet worden verleend met toepassing van artikel 11 van de wet RO.

5.3 Het bepaalde in de tarieventabel onder 5.9.3 is te dezen niet van toepassing nu dat onderdeel ziet op toepassing van artikel 10 van de wet RO.

5.4 Belanghebbende bepleit de aanlegkosten te bepalen op een bedrag van f.181.893,--, zijnde de totale kosten van de realisatie van het bos

verminderd met de kosten van beplanting (inclusief lanenstructuur) en de kosten van plantsoen. Belanghebbende verwijst daarbij naar het begrip bouwkosten bij het verlenen van een bouwvergunning, waarbij de inrichtingskosten niet zijn inbegrepen. Eveneens wijst belanghebbende erop dat bij wijziging van bestemming van grond van bos in (landbouw-)cultuurgrond, de kosten van inzaaien of planten van gewas ook niet onder de aanlegkosten worden begrepen.

5.5 Naar 's hofs oordeel omvat het begrip "bos" naast de grond tevens de bomenopstand, daar bij grond zonder bomen geen sprake is van bos. De gemeente heeft derhalve terecht de kosten van beplanting en plantsoen in de aanlegkosten begrepen.

5.6 Naar tussen partijen niet in geschil is dienen de aanlegkosten, en daarmee de heffingsgrondslag, gelet op het onder 2.8 en 5.5 overwogene, te worden gesteld op f.467.500,--. De heffing is derhalve niet naar een te hoge grondslag berekend.

5.7 Het beroep is mitsdien ongegrond.

6. Proceskosten.

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. De beslissing.

Het hof

verklaart het beroep ongegrond.

Gedaan op 16 januari 2004 door mr. Drion, raadsheer als voorzitter, mr. Huiskes en mr. Van der Meer, raadsheren, en op die dag in het openbaar uitgesproken door voornoemde voorzitter in tegenwoordigheid van de griffier Braaksma en ondertekend door de voorzitter en de griffier.

Op 21 januari 2004 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.