Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2004:AO2093

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
16-01-2004
Datum publicatie
21-01-2004
Zaaknummer
BK 1692/02 Inkomstenbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende van de Stichting B inkomsten in de zin van artikel 22, lid 1, letter b, van de Wet heeft genoten en of ter zake terecht een navorderingsaanslag met verhoging is opgelegd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 16, geldigheid: 2004-01-16
Algemene wet inzake rijksbelastingen 27e, geldigheid: 2004-01-16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2004-0161
V-N 2004/20.3

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: 1692/02 16 januari 2004

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwar-den, tweede meervoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid particulieren van de belastingdienst te Groningen, vestiging Hoogeveen (hierna: de inspec-teur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hem opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 1997 (aanslagnummer 0000.00.000.H.77).

1. Ontstaan en loop van het geding

Aan belanghebbende werd voor het jaar 1997 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen als bedoeld in de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna te noemen: de Wet) van f 92.397,- en een boete wegens navordering van (na

50 % kwijtschelding) f 8.953,-.

Op het tijdig ingediende bezwaarschrift van belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van 4 juli 2002 de aanslag en de boete gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift (met bijlagen), dat op 14 augustus 2002 is ingekomen en is aangevuld bij brief van 10 september 2002 (met bijlagen).

De inspecteur heeft een verweerschrift (met bijlagen) ingediend. Vervolgens heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden ter zitting van 24 oktober 2003, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig waren belanghebbende en zijn echtgenote, de gemachtigde van belanghebbende, alsmede de inspecteur, vergezeld van een collega. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de wederpartij.

Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. Feiten

Het hof stelt op grond van de stukken, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.1 Met dagtekening 15 mei 1998 is aan belanghebbende, overeenkomstig zijn aangifte, een definitieve aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1997 opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 55.363,-. Naderhand is genoemde navorderingsaanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen van

f 92.397,-.

Dit bedrag is als volgt berekend:

Aangegeven en primitief vastgesteld belastbaar

inkomen 1997 f 55.363,- Bijtelling in verband met inkomsten uit

andere arbeid als bedoeld in artikel

22, lid 1, letter b, van de Wet f 37.034,-

Nader vastgesteld belastbaar inkomen 1997 f 92.397,-

2.2 Belanghebbende is geboren op .. januari 19.. en was geheel 1997 gehuwd met A, geboren op .. mei 19... Belanghebbende heeft in 1997 volgens zijn aangifte f 41.494,- bruto inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking en een ww-uitkering van bruto f 17.777,- genoten.

2.3 Belanghebbende was in 1997 bestuurslid van de Stichting B. Hij bekleedde de functies van voorzitter en (tweede) penningmeester. Zijn echtgenote bekleedde de functie van secretaresse in het bestuur van genoemde stichting.

2.4 Medio augustus 2000 verschenen er in de media berichten dat er bij de Stichting B gedurende de jaren 1997 tot en met 1999 op grote schaal gefraudeerd zou zijn door de bestuursleden X en zijn echtgenote A. Er zouden door deze bestuursleden gedurende de jaren 1997 tot en met 1999 privé-aankopen zijn gedaan ten laste van de stichting. Voorts zouden er jaarlijks grote sommen aan contant geld aan de stichting zijn onttrokken. Naar aanleiding hiervan werd door het opvolgende bestuur van de stichting aangifte gedaan bij de politie. Door de Politie Drenthe is naar aanleiding van die aangifte een onderzoek ingesteld en proces-verbaal opgemaakt.

2.5 Begin 2001 is naar aanleiding van de berichtgeving in de media door de technische staf van de inspecteur een onderzoek ingesteld naar de juistheid van de aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1997 tot en met 1999 van belanghebbende.

2.6 In zijn aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over de jaren 1997 tot en met 1999 heeft belanghebbende geen inkomsten van de Stichting B aangegeven. In verband hiermee heeft de inspecteur aan de Officier van Justitie inzage gevraagd in het proces-verbaal en tevens om toestemming gevraagd om de inhoud van het proces-verbaal en de door belanghebbende aan de politie ter beschikking gestelde stukken voor fiscale doeleinden te mogen gebruiken. De gevraagde toestemming is op 2 april 2001 verleend. Het proces-verbaal is als bijlage 15 bij het verweerschrift gevoegd.

2.7 Het proces-verbaal maakt melding van uitgaven ten laste van de stichting, welke volgens de verbalisanten het karakter van privé-aankopen hebben (zie bijlage 15, blz. 15 tot en met 18). Deze privé-aankopen zijn aan de hand van aanwezige facturen over de jaren 1997 tot en met 1999 door de verbalisanten becijferd op f 46.817,-.

2.8 Volgens de verbalisanten zou belanghebbende voorts uitgaande van de nog aanwezige gegevens en verklaringen van getuigen gedurende de jaren 1997 tot en met 1999 f 32.770,- voordeel hebben genoten wegens niet afgedragen contante gelden. In het proces-verbaal (blz. 22 en 23) wordt aan de hand van schattingen van afgifte van contant geld aan belanghebbende het wederrechtelijk verkregen voordeel aan contant geld als volgt berekend:

In de stille periode van het jaar 39 weken a f 200,- = f 7.800,-

(Januari t/m mei en september t/m december)

In de zomerperiode 13 weken a f 500,- = f 6.500,-

Per jaar totaal f 14.300,-

Het totaal over de jaren 1997, 1998 en 1999 niet-afgedragen bedrag aan contante gelden is als volgt berekend: 3 x f 14.300,- minus stortingen op rekening van de stichting ad f 10.130,- is f 32.770,-.

2.9 Aan de hand van de cijfermatige gegevens uit het proces-verbaal heeft genoemde technische staf de volgende opstelling gemaakt:

jaar 1997

Berekening contante ontvangsten f 14.300,-

Gestort op rekening stichting f 3.450,-

Niet afgedragen f 10.850,-

Privé-aankopen t.l.v. stichting f 26.184,-

Totaal genoten voordeel f 37.034,-

Op grond van het bovenstaande zijn op 31 januari 2002 aan belanghebbende navorderingsaanslagen met boete over de jaren 1997 tot en met 1999 aangekondigd.

2.10 Naar aanleiding van de aangekondigde navorderingaanslagen met boete hebben belanghebbende, zijn echtgenote en hun advocaat op 26 februari 2002 een gesprek gehad met de twee medewerkers van de technische staf. Tijdens dat gesprek kwamen de volgende punten naar voren:

1. De Officier van Justitie heeft de zaak geseponeerd. De advocaat van belanghebbende geeft wel aan dat de Officier van Justitie meegedeeld heeft dat zij een aantal feiten uit het proces-verbaal bewezen acht.

2. De advocaat deelt mee dat de voormalige Stichting B heeft getracht haar vordering op belanghebbende te verhalen middels een civiele procedure. Tijdens de procedure heeft de rechter gelast dat een onafhankelijke accountant de administratie van de stichting diende te onderzoeken. De stichting heeft daarop van haar vordering afgezien.

3. Belanghebbende ontkent gelden en/of goederen te hebben onttrokken aan de Stichting B.

4. Door de Belastingdienst wordt voorgesteld aan de hand van door belanghebbende te overleggen bankafschriften van 1997 tot en met 2000 een waarschijnlijkheidscontrole uit te voeren. De be- langhebbende verklaart zich akkoord met dit voorstel.

Ad 2. Naar aanleiding van de mededeling van de advocaat heeft de technische staf contact gezocht met een voormalig bestuurslid van de stichting. Deze deelde desgevraagd mee dat het onderzoek door een onafhankelijke accountant f 10.000,- zou gaan kosten, welk bedrag geheel voor rekening van de stichting zou komen. De slechte financiële situatie van de stichting heeft het bestuur doen besluiten van de vordering op belanghebbende af te zien en de civiele procedure te staken.

Ad 4. De technische staf heeft van belanghebbende de bankafschriften over de jaren 1999 en 2000 ontvangen. Belanghebbende verklaarde dat de afschriften over 1997 en 1998 niet meer in zijn bezit zijn. Aan de hand van de overgelegde afschriften is een overzicht gemaakt van contante opnames en stortingen op de rekening (zie bijlage 11 bij het verweerschrift). In 1999 werd 12 keer kasgeld opgenomen van de rekening tot een bedrag van f 2.158,68. Er vonden drie contante stortingen plaats tot een totaal bedrag van f 4.550,-. Gedurende 2000 werd 72 keer geld opgenomen van de rekening tot een totaal bedrag van f 15.433,60. Gedurende de periode van 1 januari 2000 tot en met 12 april 2000 werd 5 keer geld opgenomen tot een bedrag van

f 1.200,-. In diezelfde periode is er f 9.250,- aan contant geld op de rekening gestort. Tevens is over de jaren 1999 en 2000 een vermogensvergelijking opgesteld (zie bijlage 12 bij het verweerschrift). Aan de hand van de prijsindexcijfers voor de gezinsconsumptie is een waarschijnlijkheidscontrole uitgevoerd. De uitkomst van die waarschijnlijkheidscontrole geeft voor het jaar 1999 een tekort van f 13.528,- en voor 2000 een tekort van f 6.613,-.

2.11 De technische staf heeft aan de advocaat van belanghebbende meegedeeld dat de bevindingen aan de hand van de vermogensvergelijking alsmede een onderzoek in de administratie van de stichting de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit het proces-verbaal bevestigen en dat er geen aanleiding is ten aanzien van de aangekondigde navorderingsaanslagen met boete een gewijzigd standpunt in te nemen. Op 5 april 2002 is van de zijde van de inspecteur nogmaals contact geweest met de advocaat van belanghebbende. De advocaat deelde bij deze gelegenheid mee de zaak af te willen doen middels een compromis. Hij geeft aan dat hij hierover contact zou opnemen. Vervolgens is bij de belastingdienst niets meer van hem vernomen.

2.12 De navorderingsaanslagen met boete over de jaren 1997, 1998 en 1999 zijn respectievelijk met dagtekening 17 april 2002, 13 april 2002 en 13 april 2002 opgelegd. Op 8 mei 2002 is namens belanghebbende door accountantskantoor C bezwaar gemaakt tegen de navorderingsaanslagen met boete. Tijdens de behandeling van de bezwaarschriften is door D van Accountantskantoor C enkele malen telefonisch contact geweest met de behandelaar van de bezwaarschriften (: de behandelfunctionaris). De gemachtigde geeft aan dat belanghebbende bereid is tot een compromis te komen. Daarop heeft de behandelfunctionaris de heer D geadviseerd contact op te nemen met de technische staf die het onderzoek uitgevoerd heeft. De behandelfunctionaris heeft in afwachting van een eventueel compromis de bezwaarschriften even terzijde gelegd. Echter toen medio juni 2002 bleek dat er geen contact geweest was tussen de accountant van belanghebbende en de technische staf, heeft de behandelfunctionaris de bezwaarschriften afgehandeld.

2.13 De behandelfunctionaris was in de bezwaarfase bekend met de lijsten, welke bij het aanvullende beroepschrift zijn gevoegd als bijlagen 11a tot en met 11h.

2.14 Op 18 juni 2002 is de motivering van de uitspraak op de bezwaarschriften verzonden en op 4 juli 2002 heeft de behandelfunctionaris uitspraak gedaan. De navorderingsaanslagen met boete zijn gehandhaafd.

2.15 Op 14 augustus 2002 diende belanghebbende pro-forma beroepschriften in tegen de navorderingsaanslagen met boete. Bij brief van 10 september 2002 werden de beroepen gemotiveerd.

2.16 De inspecteur heeft daarop contact opgenomen met de gemachtigde van belanghebbende om een afspraak te maken om te zien of zij tot een compromis konden komen. Op 29 oktober 2002 zijn belanghebbende en zijn gemachtigde bij de inspecteur op kantoor geweest. Er heeft een gesprek plaatsgevonden tussen belanghebbende, zijn gemachtigde, de heer E van de belastingdienst en de inspecteur. Tijdens dat gesprek verklaarde belanghebbende dat de gegevens waarmee hij zijn onschuld kan bewijzen, zoals rittenstaten en plaatsingsverklaringen, verdwenen zijn. De inspecteur heeft aangegeven dat de vermogensvergelijking, het overzicht van de kasstromen en het onderzoek in de administratie van de stichting de financiële gegevens zoals die zijn vermeld in het proces-verbaal bevestigen en dat belanghebbende niet heeft aangetoond dat de berekening van de bijtelling niet juist is.

2.17 Belanghebbende gaf tijdens dat gesprek aan dat een compromis er als volgt uit kon zien: de aanslagen worden vernietigd en belanghebbende ziet af van een schadevergoedingsclaim. De inspecteur gaf vervolgens aan dat dan geen sprake is van een compromis. Afgesproken werd dat de vermogensvergelijking naar de gemachtigde van belanghebbende zou worden gestuurd en dat belanghebbende daarop met een reactie zou komen. Op 5 november 2002 werden de vermogensvergelijking en de overzichten van de kasstromen 1999 en 2000 naar de gemachtigde van belanghebbende gezonden. Op 4 december 2002 ontving de inspecteur de reactie van belanghebbende. Belanghebbende zag af van elk compromis.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende van de Stichting B inkomsten in de zin van artikel 22, lid 1, letter b, van de Wet heeft genoten en of ter zake terecht een navorderingsaanslag met verhoging is opgelegd. Belanghebbende is van mening dat de fiscus er niet in geslaagd is om enig bewijs te laten zien van niet-aangegeven inkomen. De navorderingsaanslag is volledig gebaseerd op onbetrouwbare verklaringen van gebrouilleerde vrijwilligers van de stichting. Er wordt op geen enkele wijze gereageerd op verweren van belanghebbende. Belanghebbende stelt dat er geen sprake is van inkomen dat ten onrechte niet is aangegeven. Omdat er zijns inziens geen correctie op het inkomen dient plaats te vinden, is er volgens belanghebbende geen reden voor een verhoging.

De inspecteur is van opvatting dat de navorderingsaanslag met boete terecht is opgelegd.

4. De overwegingen omtrent het geschil

4.1 Naar het oordeel van het hof had in de bezwaarfase de behandelfunctionaris aan de hand van onder meer de brief van belanghebbende van 26 juni 2002 en de onder 2.13 genoemde bijlagen 11a tot en met 11h de verweren van belanghebbende -waarin hij de correcties gemotiveerd betwist- serieus en puntsgewijs moeten onderzoeken dan wel laten onderzoeken. Hetzelfde geldt ten aanzien van de door belanghebbende tegen de vermogensvergelijking ingebrachte bezwaren. Nu dit, gelet op het onder 2.12 en 2.13, in onderling verband beschouwd, onvoldoende is geschied, is uitermate onduidelijk gebleven of en zo ja, in welke mate belanghebbende gelden en/of goederen aan de stichting heeft onttrokken.

4.2 De inspecteur heeft in beginsel de bewijslast ten aanzien van de door hem opgelegde navorderingsaanslag. De inspecteur heeft in het onderwerpelijke geval, gelet op het onder 4.1 vermelde, onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de door hem aan de navordering ten grondslag gelegde correcties terecht zijn.

4.3 De inspecteur heeft gesteld dat belanghebbende zijn inkomen opzettelijk tot een te laag bedrag heeft opgegeven en derhalve de vereiste aangifte niet heeft gedaan, zodat ingevolge artikel 27e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen de bewijslast moet worden omgekeerd. Gelet op het onder 4.2 vermelde staat echter niet vast dat belanghebbende zijn inkomen opzettelijk tot een te laag bedrag heeft opgegeven, zodat de door de inspecteur bepleite omkering van de bewijslast niet kan worden toegepast.

4.4 Gelet op het voorgaande moet worden beslist als hierna te vermelden.

5. Proceskosten

In de omstandigheden van het geval vindt het Hof aanleiding op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht de inspecteur te veroordelen in de kosten, die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Daarbij wordt uitgegaan van drie samenhangende zaken, de onderhavige en de zaken van belanghebbende betreffende de jaren 1998 en 1999 (bij het hof bekend onder nummers BK 1693/02 en 1694/02). Het Hof bepaalt deze kosten voor de onderhavige zaak op grond van het Be-sluit proceskosten bestuursrecht op een derde van 2 (punten) x 1,5 (wegingsfactor) x € 322,-- = € 322,--, welke kosten dienen te worden gedragen door de Staat der Nederlanden.

6. De beslissing

Het hof verklaart het beroep gegrond, vernietigt de bestreden uitspraak en vernietigt de navorderingsaanslag met de daarin begrepen boete;

gelast dat het betaalde griffierecht ad € 29,- aan belanghebbende wordt vergoed door de inspecteur;

veroordeelt de inspecteur de kosten aan belanghebbende te vergoeden, die deze heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, te bepalen op € 322,-; en wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die deze kosten dient te dragen.

Aldus vastgesteld op 16 januari 2004 door mr. J. Huiskes, raadsheer en voorzitter, mr. F.J.W. Drion en mr. G.M. van der Meer, raadsheren, en op die dag in het openbaar uitgesproken door voornoemde voorzitter in tegenwoordigheid van de griffier mr. K. de Jong-Braaksma en ondertekend door voornoemde voorzitter en door voornoemde griffier.

Op 21 januari 2004 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.