Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2004:AO2090

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
16-01-2004
Datum publicatie
21-01-2004
Zaaknummer
BK 1311/02 WOZ
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is het antwoord op de vraag of de vastgestelde waarde overeenkomt met de waarde in het economische verkeer.

Wetsverwijzingen
Wet waardering onroerende zaken 17, geldigheid: 2004-01-16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Nr. 1311/02 16 januari 2004

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwar-den, tweede enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van

X te Z (: de belanghebbende)

tegen de uitspraak van

het hoofd afdeling Financiën van de gemeente Heerenveen (: de ambtenaar)

gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de aan hem uitgereikte waardebeschikking van nagenoemde onroerende zaak.

1. De procesgang

1.1 In het kader van de Wet waardering onroerende zaken (: de Wet) heeft de ambtenaar de waarde van de onroerende zaak a-straat 6 te Z (: de onroerende zaak) bij waardebeschikking d.d. 14 april 2001 per waardepeildatum 1 januari 1999 vastgesteld op

€ 319.007,--.

1.2. De belanghebbende heeft bij bezwaarschrift van 7 mei 2001 bezwaar gemaakt tegen de hoogte van de vastgestelde waarde.

1.3. Bij uitspraak van 12 april 2002 heeft de ambtenaar het bezwaarschrift gegrond verklaard en de waarde nader vastgesteld op

€ 260.923,--.

1.4. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende bij een op 24 mei 2002 ontvangen beroepschrift beroep ingesteld.

1.5. Het hof heeft op 14 augustus 2002 het verweerschrift van de ambtenaar ontvangen.

1.6. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op de zitting

van 27 okotober 2003 te Leeuwarden, alwaar zijn verschenen de belanghebbende en de gemachtigden van de ambtenaar.

1.7. Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. Het geschil en de standpunten van partijen.

2.1. In geschil is het antwoord op de vraag of de vastgestelde waarde overeenkomt met de waarde in het economische verkeer.

2.2. De belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend. Hij bepleit een waarde van € 201.025,--. De ambtenaar concludeert tot bevestiging van de beroepen uitspraak.

2.3. Voor een meer uitvoerige uiteenzetting van de standpunten van partijen verwijst het hof naar de gedingstukken.

Partijen hebben daaraan ter zittingen geen nadere gronden aangevoerd.

3. De overwegingen omtrent het geschil.

3.1. Ingevolge artikel 17 , lid 1, van de Wet wordt een waarde aan een onroerende zaak toegekend. Ingevolge lid 2 van dat artikel wordt de waarde bepaald op de waarde, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen.

3.2. Ingevolge artikel 18, lid 1, van de Wet wordt de waarde van een onroerende zaak bepaald naar de waarde die de zaak op de waardepeildatum (in casu 1 januari 1999) heeft naar de staat waarin de zaak op die datum verkeert.

3.3. Ingevolge artikel 4, lid 1 onder a, van de Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet waardering onroerende zaken (: de Uitvoeringsregeling), wordt de waarde, bedoeld in artikel 17, lid 2, van de Wet voor woningen onder meer bepaald door middel van een methode van vergelijking met referentieobjecten.

3.4. De ambtenaar, op wie te dezen de bewijslast rust, verwijst voor de onderbouwing van de waarde naar een taxatierapport d.d. augustus 2002 van A.

3.5. Uit dit rapport blijkt dat de waarde door middel van vergelijking met referentieobjecten. is bepaald op € 260.923,--.

3.6. In de beroepsfase heeft het hoofd de door hem vastgestelde waarde onderbouwd met andere dan de aanvankelijk opgevoerde vergelijkingsobjecten. Volgens de belanghebbende is een zodanige op nieuwe feiten gebaseerde onderbouwing een vorm van rechtsongelijkheid.

3.7. In dit verband overweegt het hof dat het partijen vrij staat om in elke stand van het geding andere vergelijkingsobjecten op te voeren voor de onderbouwing van hun standpunten. Derhalve stond de ambtenaar niets in de weg om in voornoemd taxatierapport andere dan de aanvankelijk opgevoerde vergelijkingsobjecten als onderbouwing te gebruiken, nu belanghebbende voldoende gelegenheid is gegund daarop te reageren. Deze grief faalt derhalve.

3.8. Voorzover de belanghebbende met betrekking tot het object b-straat 12 een beroep op het gelijkheidsbeginsel beoogt, overweegt het hof dat een zodanig beroep niet kan slagen nu, zo er al sprake is van een onjuiste taxatie van b-straat 12, in de meerderheid van de gevallen, waarbij met name wordt gedoeld op de in het taxatierapport gebruikte vergelijkingsobjecten, een correcte waarde is vastgesteld.

3.9. Op grond van de inhoud van het verweerschrift van de ambtenaar en het daarbij overgelegde taxatierapport is het hof van oordeel dat aannemelijk is dat de ambtenaar de waarde van de onroerende zaak niet hoger heeft vastgesteld dan de waarde in het economische verkeer per waardepeildatum 1 januari 1999. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat de grieven van belanghebbende niet tot een ander oordeel kunnen leiden.

3.10. Het beroep is gelet op het voorgaande ongegrond.

4. De proceskosten.

Het gerechtshof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5. De beslissing.

Het hof:

verklaart het beroep ongegrond.

Gedaan door mr Pruiksma, vice-president, voorzitter, lid van de tweede enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van de heer Haarsma als griffier en in het openbaar uitgesproken te Leeuwarden op 16 januari 2004.

De griffier, De voorzitter,

M. Haarsma mr H.S. Pruiksma

Op 21 januari 2004 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.

De griffier van het Gerechtshof

te Leeuwarden