Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2004:AO2088

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
16-01-2004
Datum publicatie
21-01-2004
Zaaknummer
BK 441/02 WOZ
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is het antwoord op de vraag of de vastgestelde waarde overeenkomt met de waarde in het economische verkeer.

Wetsverwijzingen
Wet waardering onroerende zaken 17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2004-0162
Belastingblad 2004/425
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Nr. 441/02 16 januari 2004

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwar-den, tweede enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van

mevrouw X te Z namens de erven van A (: de belanghebbende)

tegen de uitspraak van

het Hoofd van de afdeling Financiën van de gemeente Ooststellingwerf (: de ambtenaar)

gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de aan hem uitgereikte waardebeschikking van nagenoemde onroerende zaak.

1. De procesgang

1.1 In het kader van de Wet waardering onroerende zaken (: de Wet) heeft de ambtenaar de waarde van de onroerende zaak a-straat 12 te L (: de onroerende zaak) bij waardebeschikking d.d. 16 maart 2001 per waardepeildatum 1 januari 1999 voor het tijdvak 1 januari 2001 tot en met 31 december 2004 vastgesteld op € 112.537,--.

1.2. De belanghebbende heeft bij bezwaarschrift van 25 april 2001 bezwaar gemaakt tegen de hoogte van de vastgestelde waarde.

1.3. Bij uitspraak van 22 januari 2002 heeft de ambtenaar onder handhaving van de waarde het bezwaarschrift ongegrond verklaard.

1.4. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende bij beroepschrift van 20 februari 2002 beroep ingesteld.

1.5. Het hof heeft op 29 augustus 2002 het verweerschrift van de ambtenaar ontvangen. Vervolgens zijn conclusies van re- en dupliek gewisseld.

1.6. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op de zitting

van 27 okotober 2003 te Leeuwarden.

1.7. Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. Het geschil en de standpunten van partijen.

2.1. In geschil is het antwoord op de vraag of de vastgestelde waarde overeenkomt met de waarde in het economische verkeer.

2.2. De belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend. Zij bepleit een waarde van ƒ 170.000,--. De ambtenaar concludeert tot bevestiging van de beroepen uitspraak.

2.3. Voor een meer uitvoerige uiteenzetting van de standpunten van partijen verwijst het hof naar de gedingstukken.

Partijen hebben daaraan ter zitting geen nadere gronden aangevoerd.

3. De overwegingen omtrent het geschil.

3.1. Ingevolge artikel 17 , lid 1, van de Wet wordt een waarde aan een onroerende zaak toegekend. Ingevolge lid 2 van dat artikel wordt de waarde bepaald op de waarde, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen.

3.2. Ingevolge artikel 18, lid 1, van de Wet wordt de waarde van een onroerende zaak bepaald naar de waarde die de zaak op de waardepeildatum (in casu 1 januari 1999) heeft naar de staat waarin de zaak op die datum verkeert.

3.3. Ingevolge artikel 4, lid 1 onder a, van de Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet waardering onroerende zaken (: de Uitvoeringsregeling), wordt de waarde, bedoeld in artikel 17, lid 2, van de Wet voor woningen onder meer bepaald door middel van een methode van vergelijking met referentieobjecten.

3.4. De ambtenaar, op wie te dezen de bewijslast rust, heeft voor de onderbouwing van de door hem vastgestelde waarde gebruik gemaakt van een taxatierapport van B bv d.d. 15 augustus 2002.

3.5. Blijkens dit rapport is de waarde van de onroerende zaak door middel van een methode van vergelijking met referentieobjecten als bedoeld in de Uitvoeringsregeling bepaald op € 112.537,--.

3.6. De gemachtigde heeft in de van haar afkomstige stukken gemotiveerd aangegeven dat de tot de onroerende zaak behorende woning zich in slechte bouwkundige staat en onderhoudstoestand bevindt. Dit wordt van de zijde van de ambtenaar niet weersproken. Aan het gerechtshof is evenwel niet duidelijk geworden in hoeverre de aan de woning klevende gebreken tot uitdrukking zijn gekomen in het taxatierapport van de ambtenaar nu in het rapport de getaxeerde waarde van de onroerende zaak niet is uitgesplitst in een waarde voor de woning en een waarde voor het perceel. De taxateur, dhr C heeft dit ter zitting erkend en daarbij aangegeven dat de waarde van de onroerende zaak hoofdzakelijk is gelegen in de waaarde die het perceel vertegenwoordigt. Vorenoverwogene brengt het gerechtshof tot het oordeel dat de ambtenaar het geheel van de waardevaststelling onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt. Het gerechtshof acht de ambtenaar dus niet geslaagd in de op hem rustende bewijslast.

3.7. Het gerechtshof zal de waarde van de onroerende zaak in goede justitie vastsellen op € 105.000,--. Het gerechtshof heeft bij zijn afweging rekening gehouden met de door de ambtenaar in het geding gebrachte vergelijkingsobjecten zoals genoemd in het van hem afkomstige taxatierapport. De door de gemachtigde voorgestane lagere lagere waarde van de onroerende zaak wordt niet onderbouwd en inzichtelijk gemaakt. De enkele bewering is in dit verband onvoldoende en er zijn anderszins geen feiten of omstandigheden door de gemachtigde naar voren gebracht die een verdere verlaging dan die tot op € 105.000,-- rechtvaardigen.

3.8. Het beroep is gelet op het voorgaande gegrond.

4. De proceskosten.

Het gerechtshof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5. De beslissing.

Het hof:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de uitspraak waarvan beroep;

vermindert de bij beschikking vasatgestelde waarde van de onroerende zaak a-straat 12 te L tot een waarde van € 105.000,--;

verstaat dat de gemeente Ooststellingwerf een bedrag van € 29,-- aan belanghebbende vergoedt terzake van het betaalde griffierecht.

Gedaan door mr Pruiksma, vice-president, voorzitter, lid van de tweede enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van de heer Haarsma als griffier en in het openbaar uitgesproken te Leeuwarden op 16 januari 2004.

Op 21 januari 2004 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.