Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2004:AO2086

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
16-01-2004
Datum publicatie
21-01-2004
Zaaknummer
BK 1222/02 WOZ
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is het antwoord op de vraag of de vastgestelde waarde overeenkomt met de waarde in het economische verkeer.

Wetsverwijzingen
Wet waardering onroerende zaken 17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2004/377
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Nr. 1222/02 16 januari 2004

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwar-den, tweede enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van

X te Z (: de belanghebbende)

tegen de uitspraak van

de directeur van de Dienst Algemene Zaken van de gemeente Leeuwarden (: de ambtenaar)

gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de aan haar uitgereikte waardebeschikking van nagenoemde onroerende zaak.

1. De procesgang

1.1 In het kader van de Wet waardering onroerende zaken (: de Wet) heeft de ambtenaar de waarde van de onroerende zaak a-weg 45 te Z (: de onroerende zaak) bij waardebeschikking d.d. 30 april 2001 per waardepeildatum 1 januari 1999 vastgesteld op € 118.890,--.

1.2. De belanghebbende heeft bij bezwaarschrift van 8 juni 2001 bezwaar gemaakt tegen de hoogte van de vastgestelde waarde.

1.3. Bij uitspraak van 30 maart 2002 heeft de ambtenaar onder handhaving van de waarde het bezwaarschrift ongegrond verklaard.

1.4. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende bij een op 13 mei 2002 ontvangen beroepschrift beroep ingesteld.

1.5. Het hof heeft op 9 september 2002 het verweerschrift van de ambtenaar ontvangen.

1.6. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op de zitting

van 27 okotober 2003 te Leeuwarden, alwaar zijn verschenen de gemachtigde van belanghebbende en de gemachtigde van de ambtenaar.

1.7. Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. Het geschil en de standpunten van partijen.

2.1. In geschil is het antwoord op de vraag of de vastgestelde waarde overeenkomt met de waarde in het economische verkeer.

2.2. De belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend. Zij bepleit een lagere waarde. De ambtenaar concludeert tot bevestiging van de beroepen uitspraak.

2.3. Voor een meer uitvoerige uiteenzetting van de standpunten van partijen verwijst het hof naar de gedingstukken.

Partijen hebben daaraan ter zittingen geen nadere gronden aangevoerd.

3. De overwegingen omtrent het geschil.

3.1. Ingevolge artikel 17 , lid 1, van de Wet wordt een waarde aan een onroerende zaak toegekend. Ingevolge lid 2 van dat artikel wordt de waarde bepaald op de waarde, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen.

3.2. Ingevolge artikel 18, lid 1, van de Wet wordt de waarde van een onroerende zaak bepaald naar de waarde die de zaak op de waardepeildatum (in casu 1 januari 1999) heeft naar de staat waarin de zaak op die datum verkeert.

3.3. Ingevolge artikel 4, lid 1 onder a, van de Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet waardering onroerende zaken (: de Uitvoeringsregeling), wordt de waarde, bedoeld in artikel 17, lid 2, van de Wet voor woningen onder meer bepaald door middel van een methode van vergelijking met referentieobjecten.

3.4. De ambtenaar, op wie te dezen de bewijslast rust, verwijst voor de onderbouwing naar vergelijkingsobjecten a-straat 31 te Z en a-weg 63 te Z.

Uit deze verwijzing kan niet worden afgeleid in hoeverre en in welke mate deze vergelijkingsobjecten afwijken van de woning van belanghebbende nu daarvan geen gegevens bekend zijn. Evenmin kan worden afgeleid in hoeverre en in welke mate de waarde is bepaald naar de staat waarin de onroerende zaak op de peildatum verkeerde. Naar het oordeel van het hof is de ambtenaar er dan ook niet in geslaagd te bewijzen dat hij de woz-waarde van de onroerende zaak niet hoger heeft vastgesteld dan de waarde in het economische verkeer per peildatum 1 januari 1999.

3.5. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op hetgeen door partijeen voor het overige is aangevoerd, stelt het hof de waarde van de onroerende zaak in goede justitie vast op ƒ 240.000,-- (€ 108.907,--).

3.6. Het beroep is gelet op het voorgaande gegrond.

4. De proceskosten.

Het gerechtshof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5. De beslissing.

Het hof:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de uitspraak waarvan beroep;

vermindert de bij beschikking vastgestelde waarde tot een waarde van

ƒ 240.000,-- (€ 108.907,--);

gelast dat de gemeente Leeuwarden het griffierecht ad € 29,-- aan belanghebbende vergoedt.

Gedaan door mr Pruiksma, vice-president, voorzitter, lid van de tweede enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van de heer Haarsma als griffier en in het openbaar uitgesproken te Leeuwarden op 16 januari 2004.

Op 21 januari 2004 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.