Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2004:AO2075

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
16-01-2004
Datum publicatie
21-01-2004
Zaaknummer
BK 1034/02 Omzetbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

3.1 In geschil is het antwoord op de vraag of de belanghebbende

ondernemer is in de zin van de omzetbelastingwetgeving dan wel of

de inspecteur onderhavige naheffingsaanslag heeft opgelegd in strijd

met het vertrouwensbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en/of een

bestendig gevoerde gedragslijn.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 20
Wet op de omzetbelasting 1968 7
Wet op de omzetbelasting 1968 15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2004, 133
FutD 2004-0158
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

BK 1034/02 16 januari 2004

Uitspraak van het gerechtshof te Leeuwarden, tweede meervoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid ondernemingen van de belastingdienst te Emmen (hierna: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hem opgelegde naheffingsaanslag omzetbelasting over het tijdvak juli 2000 tot en met september 2000.

1. Ontstaan en loop van het geding.

1.1. Aan belanghebbende is op grond van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet) door de inspecteur een naheffingsaanslag opgelegd tot een bedrag van ƒ 2.625,-- aan enkelvoudige belasting zonder dat in die naheffingsaanslag een verhoging of heffingsrente is begrepen.

1.2. Op het tijdig ingediende bezwaar heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van 8 maart 2002 de naheffingsaanslag gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift met bijlage, hetwelk op 18 april 2002 is ingekomen en is aangevuld bij brief (met bijlage) van 15 juli 2002.

1.4. Van de inspecteur is bij het gerechtshof op 23 december 2002 een verweerschrift (met bijlagen) ingekomen.

1.5. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van het gerechtshof van 21 november 2003, gehouden te Leeuwarden, alwaar de inspecteur aanwezig was. Belanghebbendes gemachtigde is met kennisgeving van verhindering niet verschenen.

1.6. Van alle genoemde en hierna nog te noemen stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten.

Blijkens de gedingstukken, en op grond van het verhandelde ter zitting, staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:

2.1. Belanghebbende heeft in december 1999 het door de belastingdienst aan hem toegezonden formulier 'registratie nieuwe ondernemer' ingevuld teruggezonden aan de inspecteur. Hij wilde zich gaan bezig houden met de verhuur van de aan de a-straat 41 te Z te bouwen onroerende zaak, bestaande uit een bedrijfshal en woning. Naar aanleiding van deze registratie zijn aan de belanghebbende aangiftebiljetten omzetbelasting uitgereikt.

2.2. Op 17 mei 2000 is door de belastingdienst een boekenonderzoek ingesteld. Het onderzoek beperkte zich tot een fiscale beoordeling van de bouw van voornoemde onroerende zaak. Daarbij kwam naar voren dat over de bestemming van de onroerende zaak nog geen duidelijkheid bestond; òf belanghebbende zou de zaak verhuren aan een ondernemer òf aan zijn dochter òf hij zou het zelf gaan bewonen en eventueel exploiteren.

2.3. Bij de aangiften omzetbelasting over het eerste en tweede kwartaal 2000 vraagt de belanghebbende ter zake van de bouw van de onroerende zaak respectievelijk een bedrag van ƒ 21.938,-- en van

ƒ 21.000,-- aan voorbelasting terug. Er wordt geen verschuldigde omzetbelasting aangegeven.

2.4. De inspecteur heeft beide bedragen niet aan de belanghebbende teruggegeven omdat hij op grond van het ingestelde boekenonderzoek van mening is dat de belanghebbende, zolang geen duidelijkheid bestaat over de bestemming van de onroerende zaak, niet als ondernemer kan worden aangemerkt. Bij brief van 17 mei 2000 heeft de controleambtenaar de zienswijze van de inspecteur aan de belanghebbende meegedeeld en omstreeks 30 mei 2000 heeft hij hierover telefonisch contact gehad met de gemachtigde van de belanghebbende.

2.5. Bij de aangifte over het derde kwartaal 2000 vraagt de belanghebbende een bedrag van ƒ 2.625,-- aan voorbelasting terug. Op 10 november 2000 is deze teruggaaf aan de belanghebbende verleend. Bij de onderhavige aanslag, gedagtekend 25 juli 2001, heeft de inspecteur de teruggaaf nageheven. Het daartegen tijdig ingediende bezwaarschrift heeft de inspecteur bij uitspraak van 8 maart 2002 ongegrond verklaard.

3. Het geschil en de standpunten van partijen.

3.1 In geschil is het antwoord op de vraag of de belanghebbende

ondernemer is in de zin van de omzetbelastingwetgeving dan wel of

de inspecteur onderhavige naheffingsaanslag heeft opgelegd in strijd

met het vertrouwensbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en/of een

bestendig gevoerde gedragslijn.

3.2 De belanghebbende stelt zich primair op het standpunt dat hij er op

mag vertrouwen dat de inspecteur zijn aangifte over het derde

kwartaal 2000 met de meeste zorgvuldigheid heeft behandeld zodat

het vertrouwensbeginsel aan de naheffing in de weg staat. Het

zorgvuldigheidsbeginsel wordt zijns inziens geschonden omdat

zonder enig nieuw feit wordt nageheven. Subsidiair verdedigt de

belanghebbende de opvatting dat de inspecteur hem door het

uitreiken van aangiftebiljetten voor de bouwfase al heeft aangemerkt

als ondernemer en dat het in strijd is met een bestendige gedragslijn

om dan de teruggaaf van omzetbelasting te weigeren.

3.3 De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de belanghebbende niet

kan worden aangemerkt als ondernemer voor de omzetbelasting, dat

hij geen nieuw feit nodig heeft om te kunnen naheffen en dat hij niet

in strijd met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur heeft

gehandeld.

3.4 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door

hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Ter zitting

heeft de inspecteur daaraan geen argumenten toegevoegd.

4. De overwegingen omtrent het geschil

4.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 7 van de Wet is ondernemer een ieder die een bedrijf zelfstandig uitoefent. Onder bedrijf wordt mede verstaan de exploitatie van een vermogensbestanddeel om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen.

4.2. Voor de vraag op welk moment de exploitatie van een vermogens-bestanddeel/onroerende zaak een aanvang neemt is van belang het antwoord op de vraag of de te bouwen onroerende zaak zal worden aangewend voor een (belastbare) economische activiteit. Over de bestemming van de onroerende zaak moet derhalve duidelijkheid bestaan. De belanghebbende, die om aftrek verzoekt, heeft hiervan de bewijslast.

4.3. Gelet op de onder 2.2 vermelde feiten is de belanghebbende naar het oordeel van het gerechtshof niet in die bewijslast geslaagd, zodat de inspecteur hem terecht niet heeft aangemerkt als ondernemer in de zin van de omzetbelastingwetgeving. Nu geen sprake is van ondernemer-schap, bestaat er geen recht op teruggaaf van omzetbelasting. De inspecteur heeft derhalve in zoverre belanghebbendes verzoek om teruggaaf terecht geweigerd.

4.4. De omstandigheid dat aan de belanghebbende naar aanleiding van het door hem ingezonden formulier 'registratie nieuwe ondernemer' aangiftebiljetten zijn toegezonden, rechtvaardigt geen andere conclusie. Het enkel uitreiken van de aangiftebiljetten (en toekennen van een omzetbelastingnummer) kan, anders dan de belanghebbende meent, niet worden aangemerkt als een bestendige gedragslijn van de inspecteur waaraan het in rechte te beschermen vertrouwen kan worden ontleend dat de belanghebbende als ondernemer in de zin van de omzetbelastingwetgeving wordt aangemerkt. Dit geldt te meer nu niet gebleken is dat voorafgaande aan het uitreiken van de aangiftebiljetten een onderzoek heeft plaatsgevonden en de eerste twee verzoeken om teruggaaf van voorbelasting juist zijn geweigerd op grond van het ontbreken van het ondernemerschap.

4.5. Door het verzoek om teruggaaf van voorbelasting over het derde kwartaal 2000 te honoreren heeft de inspecteur geenszins het in rechte te beschermen vertrouwen gewekt dat de teruggaaf terecht is verleend en dat zou worden afgezien van correctie. Zowel uit de brief van 17 mei 2000, het daarna gevoerde telefoongesprek tussen belanghebbendes gemachtigde en de controleambtenaar als uit de geweigerde teruggaven over de eerste twee kwartalen van 2000, heeft de belanghebbende moeten begrijpen dat de teruggaaf over het derde kwartaal 2000 op een vergissing berustte. Bovendien staat het systeem van voldoening op aangifte - waarbij in alle gevallen (dus zonder nieuw feit) waarin de belasting die op aangifte behoort te worden voldaan, niet of tot een te gering bedrag is betaald dan wel tot een te hoog bedrag is teruggegeven, naheffing kan plaatsvinden - aan een zodanige gebondenheid aan een eenmaal verleende teruggaaf in de weg.

4.6. Gelet op vorenstaande is het hof van oordeel dat belanghebbendes beroep op het vertrouwensbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, dan wel enig ander algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, niet kan slagen.

4.7. Het beroep van de belanghebbende is ongegrond.

5. Proceskosten

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing.

Het gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.

Gedaan op 16 januari 2004 door mr. G.M. van der Meer, raadsheer en voorzitter, mrs. F.J.W. Drion en H.H.A. Fransen, raadsheren, en op die dag in het openbaar uitgesproken door voornoemde voorzitter in tegenwoordigheid van de griffier mr. J. de Jong en ondertekend door voornoemde voorzitter en door voornoemde griffier.

Op 21 januari 2004 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.