Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2003:AQ6535

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
23-07-2003
Datum publicatie
09-08-2004
Zaaknummer
BK 191/03 Inkomstenbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Volgens de belanghebbende is de inspecteur tekort geschoten in zijn motiveringsplicht door in zijn uitspraak te motiveren ”Uw reactie van 16 december 2002 levert geen nieuwe gezichtspunten op om de in mijn brief van 20 november 2002 ingenomen standpunten te herzien.”

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:12, geldigheid: 2003-07-23
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK-03/00191 23 juli 2004

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwar-den, zesde enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van

X te Z (: de belanghebbende)

tegen de uitspraak van

de inspecteur Belastingdienst/Noord/kantoor Leeuwarden (: de inspecteur),

gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hem opgelegde aan-slag Inkomstenbelasting /Premie Volksverzekeringen 2000.

1. Het procesverloop:

1.1. Aan de belanghebbende is met dagtekening 11 september 2002 een aanslag in de Inkomstenbelasting/Premie Volksverzekeringen 2000 opgelegd.

1.2. Tegen deze aanslag heeft de belanghebbende bij een op 29 oktober 2002 bij de inspecteur binnengekomen bezwaarschrift bezwaar gemaakt.

1.3. Bij uitspraak van 31 januari 2003 is de inspecteur gedeeltelijk tegemoet gekomen aan het bezwaar van belanghebbende in die zin dat

ƒ 1.562,-- aan taxatiekosten in 2000 in mindering op het inkomen worden gebracht.

1.4. Van deze uitspraak is de belanghebbende bij een op 25 februari 2003 bij het hof binnengekomen beroepschrift in beroep gekomen.

1.5. Van de inspecteur is op 30 juni 2003 een verweerschrift met

bijlagen ontvangen.

1.6. Bij een door het hof op 21 juni 2004 ontvangen brief deelt de belanghebbende mee dat hij onderdeel 2 van zijn beroepschrift intrekt en dat hij niet ter zitting zal verschijnen.

1.7. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op de zitting van 30 juni 2004, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig was de inspecteur. De belanghebbende is zoals aangekondigd niet verschenen.

1.8. Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. Het geschil en de standpunten van partijen.

2.1. Volgens de belanghebbende is de inspecteur tekort geschoten in zijn motiveringsplicht door in zijn uitspraak te motiveren ”Uw reactie van 16 december 2002 levert geen nieuwe gezichtspunten op om de in mijn brief van 20 november 2002 ingenomen standpunten te herzien.”

2.2. Volgens de inspecteur voldoet de uitspraak primair aan de op hem rustende motiveringsplicht. Subsidiair is hij mening dat de klacht van belanghebbende niet zodanig zwaarwegend is dat dit tot gevolg zou moeten hebben dat het beroep gegrond moet worden verklaard.

3. De overweging met betrekking tot het geschil.

3.1. In zijn brief van 20 november 2002 schrijft de inspecteur aan belanghebbende dat belanghebbende volgens twee opgaven van de Postbank bedragen van ƒ 2.067,-- en ƒ 370,-- aan rente heeft ontvangen, dat hij op voorhand de bijtelling van de ontvangen rente handhaaft, doch dat indien mocht blijken dat de opgaven van de Postbank niet juist blijken te zijn, hij alsnog het bedrag van de ontvangen rente zal aanpassen.

3.2. In antwoord op deze brief schrijft de belanghebbende in zijn brief van 16 december 2002 onder meer: .........Ik vind het echter principieel onjuist dat u me dit wilt laten uitzoeken. Mijn taak zit er op...........

3.3. In het licht van beide brieven en met name het antwoord in de brief van 16 december 2002: Mijn taak zit er op... , waarbij bedacht moet worden dat de inspecteur gelet op het onder 3.1 vermelde de door hem voorgestane correctie voldoende aannemelijk had gemaakt, zodat thans de bewijslast van het tegendeel op de belanghebbende kwam te rusten, is de uitspraak van de inspecteur, dat bedoelde brief geen nieuwe gezichtspunten oplevert om zijn bij brief van 20 november 2002 ingenomen standpunten te herzien, voldoende gemotiveerd.

3.4. Het voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen beroep is, gelet op het voorgaande, ongegrond.

4. De proceskosten.

Het gerechtshof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5. De beslissing.

Het hof:

verklaart het beroep ongegrond.

Gedaan door mr Van der Meer, raadsheer als voorzitter, lid van de zesde enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van de heer Haarsma als griffier en in het openbaar uitgesproken te Leeuwarden op 23 juli 2004 door de voorzitter, in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier, De voorzitter,

M. Haarsma mr. G.M. van der Meer

Afschrift per aangetekende post

aan partijen verzonden op: 27 juli 2004