Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2003:AO1860

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
23-12-2003
Datum publicatie
19-01-2004
Zaaknummer
WAHV 03/00618
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

art. 14 WAHV; hoogte sanctie; sanctie lager dan €Euro 70,-; De betrokkene voert aan dat het appelverbod dient te worden doorbroken, nu de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de officier van justitie te Soesterberg (Bureau Verkeershandhaving Openbaar MInisterie) bevoegd is om in casu te beslissen op het (administratief) beroep. De kantonrechter heeft gemotiveerd geoordeeld dat van relatieve onbevoegdheid van het BVOM geen sprake is. Wat er van het oordeel van de kantonrechter ook zij, het enkele feit dat de kantonrechter het verweer niet heeft gehonoreerd brengt niet mee dat zo fundamentele beginselen van behoorlijke rechtspleging zijn geschonden dat geen sprake is van eerlijke en onpartijdige behandeling. Geen doorbreking appelverbod. De kantonrechter heeft de behandeling van de zaak geschorst en aangehouden. Weliswaar kent de WAHV niet de mogelijkheid om de behandeling van een zaak aan te houden of te schorsen, maar op grond van de beginselen van een behoorlijke procesorde moet de kantonrechter worden geacht wèl over deze bevoegdheden te beschikken. Is de beslissing van de kantonrechter een tussenbeslissing of een eindbeslissing?

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 14, geldigheid: 2003-12-23
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 13, geldigheid: 2003-12-23
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2004/96
VR 2004, 92

Uitspraak

WAHV 03/00618

23 december 2003

CJIB 59046411175

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissingen

van de kantonrechter van de rechtbank te Dordrecht

van 27 maart 2003 en 24 april 2003

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

gevestigd te [plaatsnaam],

voor wie als gemachtigde optreedt mr.drs. M.J.G. Schroeder, wonende te Rotterdam.

1. De beslissingen van de kantonrechter

De kantonrechter heeft op 27 maart 2003 het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie (Bureau Verkeershandhaving Openbaar Ministerie, hierna BVOM, te Soesterberg) ongegrond verklaard. Bij beschikking van 24 april 2003 heeft de kantonrechter een kostenvergoeding aan de betrokkene toegekend. De beslissingen van de kantonrechter zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissingen van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Hierbij is verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal heeft een reactie gegeven op de nadere toelichting op het beroep.

3. Beoordeling

3.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 14 WAHV kan tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep bij het gerechtshof te Leeuwarden worden ingesteld, indien de opgelegde administratieve sanctie bij die beslissing meer bedraagt dan Euro€ 70,--, of indien de betrokkene niet-ontvankelijk is verklaard wegens het niet of niet tijdig stellen van zekerheid als bedoeld in art. 11, derde lid, WAHV. De aan de betrokkene opgelegde sanctie bedraagt ƒ 90,-- (= €Euro 40,84). Op grond van het bovenstaande dient de betrokkene niet-ontvankelijk te worden verklaard in het hoger beroep.

3.2. De betrokkene stelt zich op het standpunt dat de kantonrechter door de officier van justitie (het hof leest: BVOM) te Soesterberg ten onrechte relatief bevoegd te achten om op het administratief beroep te beslissen, zo fundamentele beginselen van behoorlijke rechtspleging heeft geschonden dat geen sprake is van een eerlijke en onpartijdige behandeling.

3.3. Het hof is van oordeel dat, wanneer een beroep wordt gedaan op schending van zo fundamentele beginselen van behoorlijke rechtspleging dat geen sprake is van een eerlijke en onpartijdige behandeling en dit beroep gegrond moet worden geacht, doorbreking van het appelverbod van art. 14, eerste lid, WAHV gewettigd is.

3.4. Blijkens de gedingstukken heeft de betrokkene in het beroepschrift in de procedure bij de kantonrechter (onder meer) gemotiveerd aangevoerd, dat het BVOM te Soesterberg niet bevoegd is om te beslissen op het beroep tegen de inleidende beschikking. Ter zitting van de kantonrechter d.d. 6 november 2002 heeft de gemachtigde van de betrokkene zijn standpunt nader toegelicht. Uit de beslissing kan worden afgeleid, dat de officier van justitie in de gelegenheid is gesteld om zijn standpunt naar voren te brengen. Bij beslissing van 20 november 2002 heeft de kantonrechter gemotiveerd geoordeeld, dat van relatieve onbevoegdheid van het BVOM geen sprake is. Wat er van het oordeel van de kantonrechter ook zij, het enkele feit dat de kantonrechter het verweer niet heeft gehonoreerd brengt niet mee dat hij zo fundamentele beginselen van behoorlijke rechtspleging heeft geschonden dat geen sprake is van een eerlijke en onpartijdige behandeling. Voor doorbreking van het appelverbod van art. 14, eerste lid, WAHV op deze grond is derhalve geen plaats.

3.5. De betrokkene voert verder aan, dat de kantonrechter is getreden buiten het toepassingsgebied van art. 13 WAHV door de behandeling van de zaak bij beslissing van 20 november 2002 aan te houden en bij beslissing van 19 februari 2003 te schorsen, terwijl de WAHV deze uitspraakbevoegdheden niet kent.

3.6. Weliswaar kent Hoofdstuk V van de WAHV (beroep bij de kantonrechter van de rechtbank) niet de mogelijkheid om de behandeling van een zaak aan te houden of te schorsen, maar op grond van de beginselen van een behoorlijke procesorde moet de kantonrechter worden geacht wèl over deze bevoegdheden te beschikken. Het hof kan zich niet verenigen met de stelling van de betrokkene dat de officier van justitie daardoor wordt bevoordeeld. Het kan immers ook in het belang van de betrokkene zijn dat de behandeling van een zaak wordt aangehouden of geschorst. Te denken valt hierbij bijvoorbeeld aan aanhouding van de zaak, omdat een betrokkene is verhinderd om ter zitting te verschijnen of om de betrokkene in de gelegenheid te stellen om nadere stukken in het geding te brengen. Daarom kan naar het oordeel van het hof niet worden gezegd, dat de kantonrechter is getreden buiten het toepassingsgebied van art. 13 WAHV. Ook op deze grond is er geen plaats voor doorbreking van het appelverbod van art. 14, eerste lid, WAHV. Derhalve zal het hof het beroep verwerpen.

3.7. De gemachtigde van de betrokkene heeft beroep ingesteld tegen: "de beslissing (...) van de kantonrechter te Dordrecht d.d. 24 april 2003 (...), met tussenbeslissingen d.d. 27 maart 2003 (...), 19 februari 2003 (...) en 20 november 2002 (...).". Het hof ziet aanleiding in verband hiermee het volgende te overwegen. De gemachtigde van de betrokkene beroept zich op het arrest van de Hoge Raad d.d. 22 februari 2000, VR 2000, 147, alsmede op een rechtsoverweging ten overvloede in het arrest van dit hof d.d. 17 april 2002 (WAHV 01/00517, VR 2002, 151). Uit het arrest van de Hoge Raad blijkt met zoveel woorden, dat slechts om proceseconomische redenen de beslissing, waarbij door de kantonrechter ten gronde op het beroep van de betrokkene is beslist, is aangemerkt als een tussenbeslissing en de naderhand gevolgde beslissing van de kantonrechter over de proceskosten als de eindbeslissing. In die zaak was reeds beroep in cassatie ingesteld door de betrokkene tegen de beslissing van de kantonrechter, waarbij de zaak ten gronde was beslist, omdat niet op een verzoek tot vergoeding van de proceskosten was beslist. In plaats dat de stukken ter behandeling werden opgezonden naar de Hoge Raad, werd door de kantonrechter alsnog een beslissing gegeven ten aanzien van de proceskosten, waartegen de betrokkene eveneens in cassatie is opgekomen. Uit dit arrest van de Hoge Raad kan niet volgen, dat de uitspraak van de kantonrechter over de zaak zelf in díe zin als een tussenbeslissing moet worden beschouwd, dat - indien door de kantonrechter alsnog een aparte beslissing over de proceskosten wordt gegeven - de appeltermijn tegen de beslissing ten gronde zou aanvangen na de beslissing over de proceskosten. Ten aanzien van de vraag of en wanneer hoger beroep openstaat tegen de beslissing van de kantonrechter over de zaak zelf geldt, dat de termijn aanvangt met ingang van de dag na verzending van die beslissing en dat de bezwaren tegen die beslissing in beginsel in dat beroepschrift dienen te zijn geformuleerd. In het onderhavige geval is het beroep, ingesteld na de beslissing op de kostenvergoeding, tevens ingesteld binnen de zes weken na de dag van verzending van de beslissing ten gronde, zodat het kan worden ontvangen.

3.8. Voor een vergoeding van proceskosten is geen aanleiding. Derhalve zal het hof het verzoek om een kostenvergoeding afwijzen.

3.9. Gelet op het vorenoverwogene komt het hof niet toe aan beoordeling van de vraag of het BVOM bevoegd is om in een aantal gevallen te beslissen op het beroep tegen een inleidende beschikking.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

verwerpt het beroep;

wijst het verzoek om een kostenvergoeding af.

Dit arrest is gewezen door mrs. Dijkstra, Van Dijk en Weenink, in tegenwoordigheid van mr. Wijma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.