Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2003:AO1577

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
19-11-2003
Datum publicatie
12-01-2004
Zaaknummer
WAHV 03-00418
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Sanctie bedraagt niet meer dan €Euro 70,-.; misbruik van procesrecht; De betrokkene is door de kantonrechter veroordeeld in de proceskosten wegens kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. De regeling in art. 13a WAHV kan naar het oordeel van het hof niet worden opgevat als een ontoelaatbare beperking van het in art. 6 EVRM gegarandeerde recht op toegang tot een onafhankelijke rechterlijke instantie, noch als een inbreuk op de in dat artikel voorkomende onschuldpresumptie. Geen doorbreking appelverbod. Ten onrechte geen afschrift van het zaakoverzicht aan de betrokkene toegezonden. Geen schending van zo fundamentele beginselen van een behoorlijke rechtspleging dat geen sprake is van een oneerlijke of een onpartijdige behandeling.

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 13a
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 14
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 11
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 03/00418

19 november 2003

CJIB 09055642175

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank te 's-Gravenhage

van 19 maart 2003

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats]

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement 's-Gravenhage ongegrond verklaard. Voorts heeft de kantonrechter de betrokkene veroordeeld in de kosten als bedoeld in art. 13a WAHV ten behoeve van de officier van justitie, tot een bedrag van Euro€ 80,50. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 14 WAHV kan tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep bij het gerechtshof te Leeuwarden worden ingesteld, indien de opgelegde administratieve sanctie bij die beslissing meer bedraagt dan Euro€ 70,--, of indien de betrokkene niet-ontvankelijk is verklaard wegens het niet of niet tijdig stellen van zekerheid als bedoeld in art. 11, derde lid, WAHV. De aan de betrokkene opgelegde sanctie bedraagt Euro€ 63,--, terwijl het laatstgenoemde geval zich niet voordoet.

3.2. In zijn hoger beroepschrift klaagt de betrokkene er over, dat door de kantonrechter fundamentele rechten als bedoeld in art. 6 EVRM zijn geschonden. De betrokkene voert de volgende punten aan:

- de officier van justitie heeft geweigerd door de betrokkene verlangde stukken aan hem toe te zenden, waardoor hij is beperkt in zijn recht op een goede verdediging;

- het dreigen met of het opleggen van een proceskostenveroordeling is volgens de betrokkene in strijd met de onschuldpresumptie en het opleggen van een kostenveroordeling betekent dat de rechter reeds van tevoren is uitgegaan van de schuld van de betrokkene;

- het gebruik maken van de bevoegdheid een kostenveroordeling uit te spreken vormt een belemmering in de vrije toegang tot de rechter;

- er is geen sprake van onredelijk gebruik van procesrecht door de betrokkene en de betreffende beslissing van de kantonrechter is niet gemotiveerd;

- een proceskostenveroordeling is te beschouwen als een zelfstandige criminal charge, waartegen de betrokkene zich niet heeft kunnen verdedigen.

3.3. Het hof is van oordeel dat, wanneer een beroep wordt gedaan op schending van zo fundamentele beginselen van behoorlijke rechtspleging dat geen sprake is van een eerlijke en onpartijdige behandeling en dit beroep gegrond moet worden geacht, doorbreking van het appelverbod van art. 14, eerste lid , WAHV gewettigd is.

3.4. Het hof overweegt in dit verband het volgende. Voor wat de rechtsgang bij de kantonrechter betreft en de vraag, in hoeverre de kantonrechter enig fundamenteel beginsel van behoorlijke procesorde heeft geschonden, is hier van belang art. 11, vierde lid WAHV, dat bepaalt:

"Alle op een beroepschrift betrekking hebbende stukken worden, indien zekerheidstelling heeft plaatsgevonden, nedergelegd ter griffie van de rechtbank. Hiervan wordt door de griffier mededeling gedaan aan degene die het beroep heeft ingesteld. De betrokkene of zijn gemachtigde kan binnen een door de kantonrechter bepaalde en aan hem door de griffier medegedeelde termijn, deze stukken inzien en daarvan afschriften of uittreksels vragen. Op de voor de verstrekking van afschriften en uittreksels aan de betrokkene of zijn gemachtigde in rekening te brengen vergoedingen is het ter zake bepaalde bij of krachtens de Wet tarieven in burgerlijke zaken van overeenkomstige toepassing."

3.5. De betrokkene heeft in zijn beroepschrift verzocht om toezending van de volgende stukken: het zaakoverzicht, een verklaring van onderzoek voor de gebruikte meetapparatuur, een ambtsedig proces-verbaal waaruit blijkt dat de apparatuur overeenkomstig de voorschriften is gebruikt en bediend en een certificaat waaruit blijkt dat de opsporingsambtenaar bevoegd was de radarapparatuur in te stellen en te bedienen.

3.6. Geen wettelijke bepaling schrijft voor, dat in een geval als het onderhavige de rapporten omtrent de meetapparatuur deel uitmaken van de stukken van het geding, dan wel dat omtrent het juiste en/of gecertificeerde gebruik van de apparatuur stukken aanwezig moeten zijn. Een en ander brengt mee, dat de betrokkene aan art. 11, vierde lid, WAHV geen aanspraak op inzage van die stukken of verstrekking van een afschrift daarvan kon ontlenen, terwijl een zodanige aanspraak in het kader van de onderhavige procedure evenmin uit enige andere wettelijke bepaling voortvloeit (vgl. HR 27 oktober 1998, VR 1999, nr. 53).

3.7. Aan de betrokkene is ten onrechte niet een afschrift van het zaakoverzicht gezonden. Echter in aanmerking nemende,

a. dat door de officier van justitie aan de betrokkene afschriften van de foto's van de gedraging die tot de inleidende beschikking hebben geleid zijn toegezonden,

b. dat de stukken voorafgaande aan de zitting ter inzage hebben gelegen en de betrokkene daarvan bericht heeft gekregen

c. dat in het zaakoverzicht niet veel meer gegevens zijn te vinden dan die opgenomen zijn op de inleidende beschikking,

kan niet gezegd worden, dat de kantonrechter zo fundamentele beginselen van een behoorlijke rechtspleging heeft geschonden dat geen sprake is van een eerlijke en onpartijdige behandeling.

De omstandigheid, dat de officier van justitie mogelijk ten onrechte geen afschriften van stukken aan de betrokkene heeft gezonden, kan op zichzelf beschouwd evenmin meebrengen dat geoordeeld moet worden dat de kantonrechter fundamentele beginselen van behoorlijke rechtsorde heeft geschonden.

3.8. Het hof overweegt ten aanzien van de kostenveroordeling het volgende. De wet voorziet in art. 13a WAHV in de bevoegdheid van de kantonrechter een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij het kantongerecht redelijkerwijs heeft moeten maken. De derde volzin van het eerste lid van die bepaling houdt in, dat een natuurlijke persoon slechts in de kosten kan worden veroordeeld in geval van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. Voorop moet worden gesteld dat deze regeling niet betekent dat er sprake is van een zelfstandige criminal charge. De regeling in art. 13a WAHV kan naar het oordeel van het hof niet worden opgevat als een ontoelaatbare beperking van het in art. 6 EVRM gegarandeerde recht op toegang tot een onafhankelijke rechterlijke instantie, noch als een inbreuk op de in dat artikel voorkomende onschuldpresumptie. Voor zover de betrokkene aanvoert, dat is gedreigd met een proceskostenveroordeling mist zijn verweer feitelijke grondslag. Voorts betekent de omstandigheid dat de kantonrechter heeft geoordeeld dat een onkostenveroordeling op zijn plaats was niet dat hij bij voorbaat reeds overtuigd was van de schuld van de betrokkene. Ook overigens zijn hier geen aanwijzingen voor.

3.9. Dat de betrokkene het niet eens is met de proceskostenveroordeling te zijnen laste en het ontbreken van een nadere motivering bekritiseert, maakt het voorgaande niet anders. Het enkele feit dat de kantonrechter de betrokkene heeft veroordeeld in de kosten van de procedure brengt niet mee dat hij is getreden buiten het toepassingsgebied van art. 13 WAHV dan wel dat hij zo fundamentele beginselen van behoorlijke rechtspleging heeft geschonden dat geen sprake is van een eerlijke en onpartijdige behandeling.

3.10. Het voorgaande brengt mee dat het hof met betrekking tot alle hiervoor vermelde onderdelen van oordeel is dat de kantonrechter niet zo fundamentele beginselen van behoorlijke rechtspleging heeft geschonden dat geen sprake is van een eerlijke en onpartijdige behandeling, noch dat hij getreden zou zijn buiten het toepassingsgebied van art. 13 WAHV. Voor doorbreking van het appelverbod van art. 14, eerste lid WAHV is derhalve geen plaats.

3.11. Voor zover de veroordeling in de kosten berust op het bepaalde in art. 1 onder a van het Besluit proceskosten bestuursrecht geeft het hof de advocaat-generaal - gelet op het arrest van dit hof d.d. 2 juli 2003 (WAHV 02/1128, AB 2003/373; JB 2003/251) - in overweging niet tot inning van het bedrag over te gaan.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door mr. Dijkstra, in tegenwoordigheid van mr. Hiemstra als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.