Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2003:AO1210

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
22-12-2003
Datum publicatie
08-01-2004
Zaaknummer
24-000835-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ten aanzien van verdachte acht het hof - met eenparigheid van stemmen - bewezen dat:

onder 1 primair:

hij in de periode van 3 augustus 2002 tot en met 4 augustus 2002 in de gemeente Assen, althans in Nederland, door geweld en andere feitelijkheden en bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer]

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer: 24-000835-03

Arrest d.d. 22 december 2003 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank te Assen d.d. 18 juni 2003, in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

thans verblijvende in Huis van Bewaring Zwolle,

Huib van Doornestraat 15, 8013 NR Zwolle,

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsvrouw,

mw. mr. J.A.M. Kwakman, advocate te GRONINGEN.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank te Assen heeft de verdachte bij voormeld vonnis op tegenspraak vrijgesproken van het hem onder 1, onder 2 primair, subsidiair en meer subsidiair, en onder 3 tenlastegelegde, heeft de teruggave aan verdachte gelast van een inbeslaggenomen voorwerp en heeft voorts beslist op de vordering van de benadeelde partij, één en ander als in het vonnis nader omschreven.

Aanwending van het rechtsmiddel

De officier van justitie is d.d. 19 juni 2003 op de voorgeschreven wijze en tijdig van voormeld vonnis in hoger beroep gekomen en heeft blijkens een op 2 juli 2003 uitgereikt gerechtelijk schrijven het ingestelde hoger beroep aan verdachte betekend.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Het hof heeft gelet op het onderzoek ter 's hofs terechtzitting van 8 december 2003 en op het onderzoek in eerste aanleg als voorgeschreven bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis, waarvan beroep, vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan dit arrest is gehecht een fotokopie van de inleidende dagvaarding, waaruit de inhoud van de tenlastelegging geacht moet worden hier te zijn overgenomen.

Het hof heeft ter terechtzitting op de vordering van de advocaat-generaal de tenlastelegging gewijzigd overeenkomstig die vordering, waarvan een fotokopie aan dit arrest is gehecht.

Vrijspraak

Het hof acht niet - wettig - bewezen hetgeen aldus onder 2 primair, subsidiair en meer subsidiair, en onder 3 aan verdachte is tenlastegelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.

Naast de op zichzelf overtuigende verklaring van aangeefster [slachtoffer] is immers geen concreet steunbewijs voorhanden.

Bewezenverklaring

Ten aanzien van verdachte acht het hof - met eenparigheid van stemmen - bewezen dat:

onder 1 primair:

hij in de periode van 3 augustus 2002 tot en met 4 augustus 2002 in de gemeente Assen, althans in Nederland, door geweld en andere feitelijkheden en bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte

- zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] gebracht en

- voorwerpen in de vagina van die [slachtoffer] geduwd en

- zijn penis in de anus van die [slachtoffer] gebracht en

- in de mond van die [slachtoffer] geürineerd

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkheden of die bedreiging met geweld hierin dat verdachte

- die [slachtoffer] heeft geschopt en gestompt en/of geslagen en

- die [slachtoffer] met haar hoofd tegen een ruit van een auto heeft geslagen en

- die [slachtoffer] aan haar haren heeft getrokken en

- dreigend tegen die [slachtoffer] heeft gezegd (nadat hij haar had mishandeld): "Dat is nog niet alles. Het feest begint pas als we thuis zijn" en

- dreigend ten overstaan van die [slachtoffer] een mes heeft geslepen en

- dreigend een mes op de keel en een oor van die [slachtoffer] heeft gezet en

- dat mes dreigend op die [slachtoffer] heeft gericht en dat mes zichtbaar voor die [slachtoffer] heeft vastgehouden en

- dreigend tegen die [slachtoffer] heeft gezegd, dat hij haar zo van kant kon maken en dat hij haar zo kon doodsteken en dat hij haar kon laten verdrinken in haar bloed en

- dreigend een deel van de kleding van die [slachtoffer] op borsthoogte heeft stukgesneden en stukgetrokken en

- die [slachtoffer] gedeeltelijk van de door haar gedragen kleding heeft ontdaan en

- met eerdergenoemd mes in een hand van die [slachtoffer] heeft gesneden en

- de keel van die [slachtoffer] heeft dichtgeknepen en enige tijd dichtgeknepen heeft gehouden en

- die [slachtoffer] heeft bevolen haar kleren uit te doen en naakt op een bed te gaan liggen en

- op die [slachtoffer] is gaan zitten en

- die [slachtoffer] heeft bevolen zijn plas te drinken en

- dreigend tegen die [slachtoffer] heeft gezegd, dat hij moest poepen en dat zij dat moest opeten en

- die [slachtoffer] heeft bevolen zijn anus te likken en haar tong in zijn anus te duwen en

- die [slachtoffer] heeft bevolen op hem te gaan liggen en

- die [slachtoffer] heeft bevolen op hem te gaan zitten en

- die [slachtoffer] in haar billen en haar borsten heeft geknepen en

- die [slachtoffer] aan haar tepels heeft getrokken

en aldus voor die [slachtoffer] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 primair meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Hetgeen het hof als bewezen heeft aangenomen levert op het misdrijf:

onder 1 primair:

verkrachting.

Strafbaarheid

Omtrent de persoon van de verdachte is gerapporteerd door T.A. Wouters, psychiater, en H.E.W. Koornstra, psycholoog, beiden vast gerechtelijk deskundigen en beiden verbonden aan het Pieter Baan Centrum (PBC) te Utrecht.

Het door hen opgemaakte rapport, gedateerd 23 april 2003, houdt - zakelijk weergegeven - als conclusie in:

Op grond van het bovenstaande zijn wij van mening dat onderzochte ten tijde van het plegen van het hem ten laste gelegde feit weliswaar de ongeoorloofdheid hiervan heeft kunnen inzien, doch in mindere mate dan de gemiddeld normale mens in staat is geweest zijn wil in vrijheid - overeenkomstig een dergelijk besef - te bepalen.

In antwoord op de in hoofde gestelde vraag concluderen de ondergetekenden dat onderzochte ten tijde van het plegen van het hem ten laste gelegde feit lijdende was aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling zijner geestvermogens, dat dat feit - indien bewezen - hem slechts in verminderde mate kan worden toegerekend.

Indachtig de gedingstukken en mede op grond van de indruk die het hof zelf ter terechtzitting van de persoon van de verdachte heeft gekregen, kan het hof zich met deze conclusie verenigen.

Het hof neemt de conclusie van de deskundigen Wouters en Koornstra over en maakt die tot de zijne. Het hof is dan ook van oordeel dat het onder 1 primair bewezenverklaarde feit de verdachte slechts in verminderde mate kan worden toegerekend.

Het hof acht verdachte te dezer zake strafbaar, nu ten opzichte van hem - ook overigens - geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafmotivering

De meervoudige kamer van de rechtbank te Assen heeft verdachte bij vonnis d.d. 18 juni 2003 vrijgesproken van het hem tenlastegelegde. De officier van justitie heeft d.d. 19 juni 2003 tegen dat vonnis hoger beroep ingesteld. Op de terechtzitting van het hof heeft de advocaat-generaal gevorderd, dat verdachte ter zake van het onder 1 primair tenlastegelegde, "verkrachting", zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, alsmede dat aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege zal worden opgelegd.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verkrachting. Gelet op de aard en de ernst van dit zedendelict - waardoor op zeer grove wijze de lichamelijke en psychische integriteit van het slachtoffer wordt aangetast, waarvan deze (naar de ervaring leert) ook in de toekomst nog langdurig ernstige psychische problemen kan blijven ondervinden - komt alleen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf als strafmodaliteit in aanmerking.

In de periode van 3 augustus 2002 tot en met 4 augustus 2002 heeft verdachte [slachtoffer] - met wie hij een relatie had - op een weerzinwekkende manier verkracht.

De (perverse) seksuele handelingen waartoe het slachtoffer door de verdachte is gedwongen, bestonden onder meer daaruit dat verdachte zijn penis en voorwerpen - een deodorantbus en een massageoliefles - in de vagina van het slachtoffer heeft gebracht respectievelijk geduwd, dat verdachte zijn penis in de anus van het slachtoffer heeft gebracht en dat verdachte in de mond van het slachtoffer heeft geürineerd. Ook is het slachtoffer bevolen de anus van verdachte te likken en haar tong in zijn, verdachtes, anus te duwen. Voornoemd handelen van de verdachte getuigt van een overheersende seksuele preoccupatie. Zijn eigen lustgevoelens en de bevrediging daarvan, heeft hij op de voorgrond gesteld ten koste van de lichamelijke en de psychische integriteit van zijn slachtoffer.

De wijze waarop [slachtoffer] tot deze handelingen werd gebracht is ronduit bruut te noemen. Verdachte heeft haar geschopt en gestompt en/of geslagen. Hij heeft haar met haar hoofd tegen de ruit van de auto geslagen en haar aan haar haren getrokken. Voorts heeft verdachte dreigend ten overstaan van het slachtoffer een mes geslepen, haar dat mes dreigend op de keel en het oor gezet en met dat mes de kleding van het slachtoffer op borsthoogte stukgesneden. Ook heeft verdachte het slachtoffer de keel dichtgeknepen en enige tijd dichtgeknepen gehouden. Vervolgens werd het slachtoffer bevel gegeven naakt op bed te gaan liggen, waarna de (perverse) seksuele handelingen plaatsvonden.

Het hof rekent de verdachte het bewezenverklaarde feit zwaar aan. Naast de algemene aard en ernst van het delict verkrachting wordt door het hof in het bijzonder in aanmerking genomen dat verdachte zeer gewelddadig is opgetreden en geen enkel oog heeft gehad voor de gevoelens en belangen van het slachtoffer. Verdachte heeft [slachtoffer] totaal vernederd.

Het hof heeft kennis genomen van de medische verklaring van M.A.P. Schellens, huisarts te Assen, inhoudende dat hij bij [slachtoffer] een "indrukwekkende" hoeveelheid aan bloeduitstortingen heeft waargenomen. Deze verklaring wordt bevestigd door de zich in het dossier bevindende foto's, die op de terechtzitting aan de orde zijn gesteld.

Bij het voorgaande komt dat verdachte - blijkens een hem betreffend uittreksel uit het algemeen documentatieregister van 9 oktober 2003 - eerder is veroordeeld ter zake van soortgelijke strafbare feiten. Op 29 november 1996 heeft het gerechtshof te Arnhem hem, verdachte, wegens (onder meer) "verkrachting" en "feitelijke aanranding van de eerbaarheid" veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaren en op 29 januari 1997 heeft het gerechtshof te 's-Hertogenbosch hem wegens (onder meer) "verkrachting, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaren. Bij beide arresten is aan verdachte tevens de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege opgelegd.

Deze omstandigheid heeft een strafverzwarend effect. Duidelijk is dat van verdachte een groot recidivegevaar uitgaat. Het onderhavige feit is gepleegd gedurende een verlof in het kader van de verdachte eerder opgelegde terbeschikkingstelling(en). Dit heeft de verdachte evenwel niet ervan weerhouden zich weer aan een ernstig zedendelict schuldig te maken. Geconcludeerd moet worden dat de behandeling van verdachte in het kader van de eerder opgelegde terbeschikkingstelling(en) nog géén, althans onvoldoende, effect heeft gesorteerd.

Anderzijds heeft het hof bij de straftoemeting rekening gehouden met de omstandigheid dat het bewezenverklaarde feit de verdachte slechts in verminderde mate kan worden toegerekend.

Op grond van al het bovenstaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof tot het oordeel gekomen dat de door de advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraf alleszins passend is, zodat het hof die straf zal opleggen.

Deze gevangenisstraf dient in het bijzonder ter vergelding van het leed dat verdachte zijn slachtoffer heeft aangedaan en dient mede - naast na te melden maatregel - ter bescherming van de maatschappij tegen het gevaar dat van verdachte uitgaat.

Terbeschikkingstelling

Het rapport van de deskundigen Wouters en Koornstra d.d. 23 april 2003 houdt onder andere in:

"Betr. is een thans 36-jarige man bij wie - nog steeds - sprake is van een ernstige persoonlijkheidsstoornis met vermijdende, paranoïde en narcistische kenmerken. Uiterlijk is er evenwel sprake van een zogenaamd "mask of sanity": betr. toont zich buitengewoon sociaal vaardig en verbergt zijn pathologie volledig achter een sociaal wenselijke presentatie. Zodra de façade echter doorbroken wordt, blijkt hij zeer krenkbaar en rancuneus te zijn.

De achtergrond van de pathologie moet begrepen worden vanuit zijn jeugd, toen hij opgroeide in een overbeschermend en afschermend gezin hetgeen zijn ontwikkelingsmogelijkheden sterk heeft ingeperkt. Betr. was in wezen gevangen in "een web" van welhaast verstikkende wederzijdse afhankelijkheid en onderlinge controle, een gezinsconstellatie waarin de ontwikkeling van afzonderlijke gezinsleden tot onafhankelijke en zelfstandig functionerende individuen met een eigen identiteit feitelijk taboe was. Het systeem hield zichzelf in stand en versterkte mettertijd de ontoegankelijkheid voor en de correctie van de buitenwereld. De vrijwaring van externe kritiek werkte zodoende herbekrachtigend. In die buitenwereld - bij uitstek in het persoonlijk contact - werd betr. daardoor uiterst gevoelig voor het ervaren van eventuele disloyaliteit jegens hemzelf. Vanuit de bescherming en automatische herbevestiging van zijn persoon binnen het vroeger zichzelf in stand houdende gezinssysteem, wordt door betr. elk verschil van mening op een paranoïde wijze in de actualiteit als vorm van "geplande" afwijzing geïnterpreteerd. Hierdoor wordt heftige agressie geluxeerd die - door de besloten context van het individuele contact waarin die (agressie) ontstaat - obligaat moet, maar door het ontbreken van de mogelijkheid van externe correctie ook kán worden uitgeleefd. Buiten de genoemde beslotenheid toont betr. evenwel zijn "mask of sanity" en worden frustraties door de opgedane krenkingen allengs opgekropt.

Het is om die reden dat betr. in staat is geweest om zelfs in een daartoe gespecialiseerde setting als de tbs-kliniek, zijn omgeving volledig onwetend te houden over wat hem innerlijk beroert. Sterker nog, er moet niet slechts worden vastgesteld dat de kernproblematiek gedurende zijn behandeling onveranderd is gebleven, maar ook dat de controle over zijn façade door toegenomen kennis over zijn gedrag gedurende zijn behandeling slechts is toegenomen. Het valt daarbij dan ook temeer op hoe betr. de confronterende bespreking van belangrijke aspecten van zijn problematiek - en dan vooral de wijze waarop hij in een relatie waaraan tevens seksueel relationele aspecten gelieerd zijn geconfronteerd wordt met zijn beperkte frustratietolerantie en agressieregulatieproblematiek - tijdens zijn behandeling heeft weten te ontwijken.

Met betrekking tot het hem ten laste gelegde feit, indien bewezen, valt ook op dat zowel het delictscenario als de doorwerking van betr.'s stoornis hierin identiek is aan de vroegere delicten en dat ook betr.'s wijze van ontkennen - juist ook wat betreft de seksuele en sadistisch getinte aspecten daarvan - conform die bij de vorige strafzaak zijn. Hiermee is tevens het hoge recidiverisico gegeven.

Op grond van de aard en ernst van de problematiek en de daaruit voortvloeiende delictgevaarlijkheid adviseert het onderzoekend team aan Uw College aan betr. de maatregel van terbeschikkingstelling op te leggen met bevel tot verpleging van overheidswege.

Een behandeling wordt daarbij echter niet a priori als "haalbaar" ingeschat. Met het oog op het reeds bijna voltooide behandeltraject dat betr. gevolgd heeft, waarin hij in staat is gebleken zijn kernproblematiek buiten schot te houden, lijkt te moeten worden geconcludeerd dat er in een behandeling slechts aan de problematiek van betr. gewerkt kan worden indien er voor hem geen mogelijkheden bestaan zich op iets anders dan zijn basispathologie te richten. Een behandeling zal derhalve "ex vacuo" door betr. geëntameerd moeten worden, waarbij dan nog zal moeten blijken of er van een werkelijke behandelmotivatie en behandelbaarheid sprake is, in plaats van een sociaal "verpakte", opportunistisch bepaalde attitude",

aldus het deskundigenrapport.

Gelet op de indruk die het hof zelf van de verdachte heeft gekregen alsmede diens persoon voor zover daarvan uit de stukken blijkt, kan het hof zich met voornoemde overwegingen van de deskundigen Wouters en Koornstra verenigen.

Het hof neemt deze overwegingen over en maakt deze tot de zijne.

Nu gebleken is, dat bij verdachte ten tijde van het plegen van het bewezenverklaarde feit een zodanige gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens bestond dat dat feit hem slechts in een verminderde mate kan worden toegerekend, het bewezenverklaarde feit een misdrijf betreft waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van meer dan vier jaren is gesteld en er ook naar het oordeel van het hof groot recidivegevaar aanwezig is, is het hof - met de advocaat-generaal - van oordeel dat uit een oogpunt van beveiliging van de maatschappij een terbeschikkingstelling met dwangverpleging niet achterwege mag blijven.

Het hof zal verdachte derhalve, naast voormelde gevangenisstraf, de maatregel van terbeschikkingstelling opleggen, nu de veiligheid van anderen en/of de algemene veiligheid van personen het opleggen van die maatregel eist, en bevelen dat verdachte van overheidswege zal worden verpleegd, nu de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen die verpleging eist.

Verbeurdverklaring

Uit een zich in het dossier bevindende "Lijst van inbeslaggenomen niet teruggegeven voorwerpen ex. artikel 309 Sv" blijkt dat op na te melden voorwerp nog beslag rust:

- 12-delige messenset.

Blijkens de gedingstukken behoort voornoemde messenset de verdachte geheel in eigendom toe.

Nu het bewezenverklaarde feit met behulp van de 12-delige messenset - als gezamenlijkheid van voorwerpen beschouwd - is begaan, zal het hof dat voorwerp verbeurdverklaren.

Benadeelde partij

Uit de gedingstukken en het onderzoek ter zitting is gebleken:

- dat [slachtoffer] zich in het geding in eerste aanleg als benadeelde partij heeft gevoegd,

- dat zij door de rechter in eerste aanleg niet-ontvankelijk in haar vordering is verklaard en

- dat zij zich in het geding in hoger beroep opnieuw heeft gevoegd.

Derhalve duurt de voeging ter zake van haar in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort.

De benadeelde partij heeft de volgende schadeposten opgegeven:

- immateriële schade ("voorschot"): 4.538 euro

- blouse: 15 euro

- t-shirt: 10 euro

Van de zijde van verdachte is primair betoogd dat de vordering niet van zo eenvoudige aard is, dat deze zich leent voor behandeling in het strafgeding, zodat de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Subsidiair is van de zijde van verdachte aangevoerd dat de opgegeven schade niet op basis van de overgelegde stukken is vast te stellen, zodat de vordering moet worden afgewezen.

Voor het hof is komen vast te staan dat door het bewezenverklaarde feit aan [slachtoffer] schade is toegebracht, bestaande uit materiële schade en immateriële schade.

Voor wat betreft de materiële schade overweegt het hof dat bewezen is verklaard, dat verdachte een deel van de kleding van [slachtoffer] heeft stukgesneden en stukgetrokken. De benadeelde partij heeft de materiële schade begroot op 25 euro. Van de zijde van verdachte is deze schade niet, althans niet voldoende, betwist. Gelet hierop en gezien de gedingstukken acht het hof de vordering van de benadeelde partij betreffende de materiële schade voor toewijzing vatbaar. In zoverre is de vordering eenvoudig van aard.

Voor wat betreft de immateriële schade geldt het volgende.

Gezien de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit, te weten verkrachting, en de omstandigheden waaronder het feit is begaan, en gelet op het rapport van het Bureau Slachtofferzaken Drenthe van 19 maart 2003, acht het hof de gevorderde immateriële schadevergoeding toewijsbaar tot een bedrag 3.500 euro. De vordering is, in zoverre, van zo eenvoudige aard, dat deze zich leent voor behandeling in het strafgeding. Voorts is de schade en de omvang/hoogte daarvan in een voldoende mate onderbouwd. Anders dan de raadsvrouw, acht het hof - in aanmerking genomen de aard van de schade (immaterieel) - nadere onderbouwing niet noodzakelijk.

Het resterende deel van de vordering betreffende immateriële schade acht het hof daarentegen niet van zo eenvoudige aard, dat deze zich leent voor behandeling in het strafgeding. De benadeelde partij zal in zoverre in haar vordering niet-ontvankelijk worden verklaard met bepaling dat zij de vordering in zoverre bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Het hof overweegt hiertoe in het bijzonder dat niet vaststaat in hoeverre dit deel van de vordering, immateriële schade van 1.038 euro, betrekking heeft op schade die rechtstreeks door de hiervoor bewezenverklaarde verkrachting aan de benadeelde partij is toegebracht. Het gaat hierbij om de schade die verband houdt met de tatoeage en de HIV-test.

Uit het voorgaande vloeit voort dat de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen tot een bedrag van 3.525 euro.

Verdachte zal, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt - tot aan deze uitspraak begroot op nihil - en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Schadevergoedingsmaatregel

Het hof overweegt dat op grond van het onderzoek ter terechtzitting vaststaat, dat door het bewezenverklaarde feit aan het slachtoffer [slachtoffer] schade is toegebracht, waarvoor verdachte jegens genoemd slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is.

Het hof stelt die schade vast op een bedrag van 3.525 euro. Aan verdachte zal derhalve de verplichting worden opgelegd tot betaling aan de Staat van voormeld geldbedrag ten behoeve van voornoemd slachtoffer.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 33, 33a, 36f, 37a, 37b en 242 van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak

HET HOF,

RECHTDOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw rechtdoende:

verklaart het verdachte als voormeld onder 2 primair, subsidiair en meer subsidiair, en onder 3 tenlastegelegde niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het verdachte als voormeld onder 1 primair tenlastegelegde bewezen en te kwalificeren als voormeld en verklaart dit feit en verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht;

gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege zal worden verpleegd.

verklaart verbeurd het navolgende inbeslaggenomen voorwerp:

- 12-delige messenset;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 primair meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;

wijst toe de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] tot een bedrag van drieduizendvijfhonderdvijfentwintig euro;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in dat deel van haar vordering waarop hiervóór niet is beslist;

bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt - tot aan deze uitspraak begroot op nihil - en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte tevens de verplichting op tot betaling aan de Staat van drieduizendvijfhonderdvijfentwintig euro ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] met bevel voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat hechtenis voor de duur van zeventig dagen zal worden toegepast;

verstaat dat voldoening aan de verplichting tot betaling aan de Staat van voormeld bedrag ten behoeve van het slachtoffer de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partij van dat bedrag doet vervallen, alsmede dat betaling van voormeld bedrag aan de benadeelde partij de verplichting tot betaling aan de Staat van dit bedrag doet vervallen.

Dit arrest is aldus gewezen door mrs. Aardema, voorzitter, Weenink en Elders, in tegenwoordigheid van mr. Jongeling als griffier, zijnde mr. Elders voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.