Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2003:AO1201

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
11-12-2003
Datum publicatie
08-01-2004
Zaaknummer
24-000880-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

....hij op diverse tijdstippen, in de periode van 1 november 2001 tot en met 16 december 2002, in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-000880-03

Arrest d.d. 11 december 2003 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank te Assen d.d. 24 juni 2003 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans verblijvende in PI Noord, gevangenis De Marwei,

Holstmeerweg 7, 8936 AS Leeuwarden,

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman,

mr. M.G. Doornbos, advocaat te Assen.

Het vonnis waarvan beroep.

De rechtbank te Assen heeft de verdachte bij voormeld vonnis op tegenspraak wegens misdrijven veroordeeld tot een straf, één en ander als in het vonnis nader omschreven.

Aanwending van het rechtsmiddel.

De officier van justitie en de verdachte zijn d.d. 27 juni 2003 respectievelijk d.d. 7 juli 2003 op de voorgeschreven wijze en tijdig van voormeld vonnis in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft gelet op het onderzoek ter 's hofs terechtzitting van 27 november 2003 en op het onderzoek in eerste aanleg als voorgeschreven bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering.

De beslissing op het hoger beroep.

Het hof zal het vonnis, waarvan beroep, vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging.

Het hof neemt uit het beroepen vonnis over de daar vermelde inhoud van de inleidende dagvaarding.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

De raadsman heeft ter terechtzitting van het hof betoogd, dat het Openbaar Ministerie in de vervolging niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat het Openbaar Ministerie ten onrechte stukken niet aan het dossier heeft toegevoegd en aldus is gehandeld in strijd met de beginselen van een goede procesorde. Hij heeft daartoe aangevoerd, hetgeen is vermeld in zijn ter terechtzitting overgelegde pleitnota.

De Hoge Raad heeft bepaald dat die stukken aan het dossier dienen te worden toegevoegd die redelijkerwijze van belang kunnen zijn, hetzij in voor de verdachte belastende, hetzij in voor hem ontlastende zin. Dit laat onverlet dat de verdediging bevoegd is, om harerzijds stukken in het geding te brengen. Voorzover de raadsman het oog heeft gehad op de verklaring van [betrokkene 1], ziet de raadsman eraan voorbij dat tot de processtukken behoort pagina 1 van een verklaring welke [betrokkene 1] op 4 februari 2003 heeft afgelegd ten overstaan van de verbalisant Zeewuster. In dat gedeelte verklaart [betrokkene 1] niets dat hetzij in belastende zin hetzij in ontlastende zin van belang is voor de beoordeling of de tenlastegelegde feiten 1 en 2 kunnen worden bewezen. De raadsman betoogt dat [betrokkene 1] een vrij lange verklaring heeft afgelegd naar aanleiding van de telefoontaps en dat hij daarin verdachte niet heeft beschuldigd. Nu de raadsman blijkens zijn pleitaantekeningen kennelijk op de hoogte is van de inhoud van de verklaring(en) van [betrokkene 1], stond er voor de raadsman niets aan in de weg gebruik te maken van zijn bevoegdheid om zijnerzijds die verklaring(en) in het geding te brengen. Het hof stelt vast dat de raadsman van deze bevoegdheid geen gebruik heeft gemaakt. Voorzover de raadsman het oog heeft gehad op mogelijke verklaringen van [betrokkene 2], [betrokkene 3], [betrokkene 4] en [betrokkene 5] heeft de raadsman niet aannemelijk gemaakt dat deze personen verklaringen hebben afgelegd. Nu het bestaan van verklaringen van deze personen al niet vaststaat, is ook niet aannemelijk geworden dat processtukken zijn achtergehouden. Aldus is niet aannemelijk geworden dat het Openbaar Ministerie heeft gehandeld in strijd met de beginselen van een goede procesorde. De officier van justitie kan dan ook worden ontvangen in de vervolging van verdachte. Het subsidiair geformuleerde verzoek tot schorsing van het onderzoek ter terechtzitting om alsnog [betrokkene 1] als getuige te horen, zal het hof afwijzen, nu de noodzakelijkheid van het horen van [betrokkene 1] niet is gebleken.

Bewezenverklaring.

Het hof acht ten aanzien van verdachte bewezenverklaard dat hij:

feit 1:

hij op diverse tijdstippen, in de periode van 1 november 2001 tot en met 16 december 2002, in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

feit 2:

hij op diverse tijdstippen in de periode van 1 november 2001 tot en met 16 december 2002, in Nederland, opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie.

Hetgeen het hof als bewezen heeft aangenomen levert op het misdrijf:

Feit 1:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

Feit 2:

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid.

Het hof acht verdachte te dezer zake strafbaar, nu ten opzichte van hem geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafmotivering.

De rechtbank heeft verdachte terzake van de onder 1 en 2 tenlastegelegde - en door de rechtbank bewezenverklaarde - feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren.

De officier van justitie en verdachte zijn van deze uitspraak in hoger beroep gekomen. Ter zitting van het hof, heeft de advocaat-generaal gevorderd dat verdachte, terzake van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren.

Het hof heeft in hoger beroep - met bewezenverklaring van het onder 1 en 2 tenlastegelegde - de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon van verdachte. Het hof heeft daarbij het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich in de periode van 1 november 2001 tot en met 16 december 2002 met anderen schuldig gemaakt aan het invoeren van cocaïne uit Paraguay en Peru. Vanuit Peru is ongeveer 20 kilo cocaïne ingevoerd. De rol van verdachte hierbij was het regelen van de koeriers, het bepalen van de wijze waarop de cocaïne vanuit voornoemde landen Nederland werd ingevoerd en het begeleiden ervan. Daarnaast heeft verdachte zich in dezelfde periode schuldig gemaakt aan de verkoop van cocaïne.

Het hof tilt zwaar aan deze feiten. Van cocaïne is in het algemeen bekend, dat zij de volksgezondheid in ernstige mate in gevaar kan brengen, terwijl de handel in deze verdovende middelen bovendien gepaard pleegt te gaan met overlast en het gebruik van deze middelen op zijn beurt strafbare feiten genereert. Verdachte heeft door zijn handelen de maatschappij hieraan bewust blootgesteld.

Voor wat betreft de persoon van verdachte heeft het hof bovendien acht geslagen op het voorlichtingsrapport d.d. 13 maart 2003 van de reclassering Nederland.

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen - in onderling verband bezien - is het hof van oordeel dat de door de advocaat-generaal gevorderde straf, te weten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf jaren, uit een oogpunt van normhandhaving een passende bestraffing is. Deze bestraffing is tevens in overeenstemming met straffen die het hof in soortgelijke gevallen pleegt op te leggen.

Toepassing van wetsartikelen.

Het hof heeft gelet op de artikelen 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 (oud) en 10 (oud) van de Opiumwet.

De uitspraak.

HET HOF,

RECHTDOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw rechtdoende:

verklaart het verdachte als voormeld tenlastegelegde bewezen en te kwalificeren als voormeld en verklaart deze feiten en verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Dit arrest is aldus gewezen door mrs. Zwerwer, voorzitter, Van Dijk en Toeter, in tegenwoordigheid van mr. Bennen als griffier, zijnde mr. Toeter voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.