Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2003:AO0706

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
12-11-2003
Datum publicatie
22-12-2003
Zaaknummer
WAHV 03-00580
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

art. 11 WAHV; De betrokkene voert aan dat het eisen van een zekerheidstelling voorafgaand aan het beroep bij de kantonrechter in strijd is met de afschaffing van de cautio judicatum solvi. De verplichting tot zekerheidstelling ingevolge de WAHV als voorwaarde voor de ontvankelijkheid van het beroep maakt geen onderscheid naar nationaliteit van de betrokkene en is evenmin afhankelijk van de vraag of de betrokkene al dan niet een verblijfplaats in Nederland heeft. Op deze zekerheidstelling heeft de vrijstelling van de cautio judicatum solvi reeds daarom dan ook geen betrekking.

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2004, 50
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 03/00580

12 november 2003

CJIB 19051877706

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank te Middelburg

van 15 april 2003

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats].

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Middelburg niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. De kantonrechter heeft, uitgaande van zijn vaststelling dat de betrokkene niet binnen de in art. 11, derde lid, WAHV gestelde termijn zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de opgelegde administratieve sanctie en dat de betrokkene evenmin binnen een nader gestelde termijn dit verzuim heeft hersteld, het beroep van de betrokkene niet-ontvankelijk verklaard.

3.2. Bij brief van 27 november 2002 respectievelijk 6 januari 2003 heeft de officier van justitie de betrokkene in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken na de dag van verzending van zijn mededeling zekerheid te stellen door storting van het verschuldigde bedrag op de rekening van het Centraal Justitieel Incassobureau te Leeuwarden.

3.3. De betrokkene voert aan dat hij het bedrag op 12 november 2002 heeft gestort. De betrokkene heeft een kopie van een cheque overgelegd die onder meer het volgende vermeldt: "Betaal tegen deze cheque de som van achtentwintig Euro; aan Centraal Justitieel Incasso Bureau; Datum 12/11/2002". Blijkens opgave van het CJIB d.d. 8 juli 2003 heeft de betrokkene geen zekerheid gesteld en ook is de cheque als zodanig niet binnengekomen bij het CJIB.

3.4. Voorts wijst de betrokkene in zijn hoger beroepschrift op de afschaffing van de cautio judicatum solvi. De betrokkene voert naar het hof begrijpt aldus aan, dat het eisen van een zekerheidstelling voorafgaand aan het beroep bij de kantonrechter in strijd is met de afschaffing van deze cautio.

3.5. De vrijstelling van de cautio judicatum solvi, zoals deze in verschillende verdragen, waarbij het Koninkrijk der Nederlanden partij is, is opgenomen, strekt ertoe te verzekeren dat personen die geen ingezetene zijn van of geen verblijf houden in de verdragsluitende staat waar zij partij zijn in een gerechtelijke procedure, doch wel onderdaan zijn van een andere verdragsluitende staat en daar hun domicilie hebben, geen zekerheidstelling voor de proceskosten en eventuele schadevergoeding - tot betaling waarvan zij veroordeeld zouden kunnen worden - hoeven te stellen, die anders van hen gevergd zou kunnen worden op grond van het feit, dat zij een woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland ontberen.

3.6. De verplichting tot zekerheidstelling ingevolge de WAHV als voorwaarde voor de ontvankelijkheid van het beroep maakt geen onderscheid naar nationaliteit van de betrokkene en is evenmin afhankelijk van de vraag of de betrokkene al dan niet een verblijfplaats of domicilie in Nederland heeft. Op deze zekerheidstelling heeft de vrijstelling van de cautio judicatum solvi reeds daarom dan ook geen betrekking.

3.7. Uit het vorenoverwogene vloeit voort, dat het betoog van de betrokkene faalt in al zijn onderdelen. De kantonrechter heeft de betrokkene derhalve terecht niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing waarvan beroep zal worden bevestigd.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mr. Dijkstra, Poelman en Van Dijk in tegenwoordigheid van mr. Bijma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.