Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2003:AN9816

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
05-12-2003
Datum publicatie
10-12-2003
Zaaknummer
BK 504/02 Inkomstenbelasting/WAZ
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ter zitting zijn partijen het er over eens geworden dat de onder 2.6 genoemde winstverdeling in zoverre moet worden bijgesteld dat de ondernemersbeloning van belanghebbende op f 65.000,- moet worden gesteld in plaats van f 45.000,-.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: 504/02 5 december 2003

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwar-den, tweede meervoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid ondernemingen van de belastingdienst te Emmen (hierna: de inspec-teur), gedaan op de bezwaarschriften van belanghebbende tegen de hem opgelegde navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 1998 (aanslagnummer 0000.00.000.H.87) en de premie Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (: Waz) (aanslagnummer 0000.00.000.W.87) voor het jaar 1998.

1. Ontstaan en loop van het geding

Aan belanghebbende werd voor het jaar 1998 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen als bedoeld in de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna te noemen: de Wet) van f 107.150,- en een navorderingsaanslag in de premie Waz naar een premie-inkomen Waz van f 84.000,-.

Op de tijdig ingediende bezwaarschriften van belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van 23 januari 2002 de aanslagen gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift, dat op 28 februari 2002 is ingekomen en is aangevuld bij brief van 29 april 2002 (met bijlagen).

De inspecteur heeft een verweerschrift (met bijlagen) ingediend. Vervolgens heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden ter zitting van 17 september 2003, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig waren belanghebbende en zijn echtgenote mw A, de gemachtigden van belanghebbende, alsmede de inspecteur. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de wederpartij.

Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. Feiten

2.1 Het hof stelt op grond van de stukken, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.2 Belanghebbende, geboren .. december 19.., is gehuwd met mevrouw A, geboren ..29 juli 19... Tot het gezin behoren drie kinderen: B, geboren .. januari 19.., C, geboren .. december 19.. en D, geboren .. juli 19...

2.3 Belanghebbende exploiteert sedert 22 juli 1991 een installatiebedrijf. De activiteiten liggen op het gebied van industriële automatisering, levering en monteren van besturingen, aanleg van elektra enzovoort. De opdrachten worden in hoofdaanneming uitgevoerd.

2.4 Vanaf 22 juli 1991 tot en met 15 januari 1998 exploiteerde belanghebbende de onderneming in de vorm van een eenmanszaak. Op 15 januari 1998 is belanghebbende met zijn echtgenote een man- vrouwfirma aangegaan.

2.5 In de jaren dat de onderneming als eenmanszaak werd gedreven verrichtte mevrouw A werkzaamheden in de onderneming van haar echtgenoot. Hiervoor ontving zij een arbeidsbeloning van respectievelijk voor 1994 en 1995 f 14.400,- en voor 1996 en 1997 f 17.000,-.

2.6 In de firma-akte is o.a. bepaald dat iedere firmant zijn volledige onverdeelde arbeidskracht, vlijt en kennis alsmede de op zijn naam staande vergunningen inbrengt. Voor wat de winstverdeling betreft wordt het volgende afgesproken:

-rentevergoeding over het kapitaal;

-vervolgens ontvangt vennoot 1 (de heer X) een ondernemersbeloning van f 45.000,- en vennoot 2 (mevrouw A) een ondernemersbeloning van f 25.000,-;

Het resterende exploitatieresultaat wordt verdeeld op basis 50/50.

2.7 De werkzaamheden van mw. A zijn de volgende:

-het bijhouden van de boekhouding via de computer;

-het opmaken van verkoopfacturen aan de hand van de door de echtgenoot opgemaakte kladaantekeningen;

-bedienen telefoon;

-schoonmaken sanitair en werkplaats.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1 Ter zitting zijn partijen het er over eens geworden dat de onder 2.6 genoemde winstverdeling in zoverre moet worden bijgesteld dat de ondernemersbeloning van belanghebbende op f 65.000,- moet worden gesteld in plaats van f 45.000,-. Overigens is er ten aanzien van belanghebbende geen geschil meer.

4. De overwegingen omtrent het geschil

4.1 Gelet op het onder 3.1 vermelde dient het belastbare inkomen van belanghebbende te worden herzien.

4.2 Te verdelen winst (zie 2.2 verweerschrift) f 191.409,-

Rentevergoeding man f 2.069,-

Idem vrouw f 2.069,-

f 4.138,-

f 187.271,-

Arbeidsbeloning man f 65.000,-

Idem vrouw f 25.000,-

f 90.000,-

f 97.271,-

Restant man f 48.635,50

Idem vrouw f 48.635,50

4.3 Winstaandeel man (zie 4.2) f 115.704,-

idem vrouw f 75.704,-

4.4 Investeringsaftrek man (zie 2.2 verweerschrift)

115.704/191.408 x f 9.135,- = f 5.522,-

Investeringsaftrek vrouw

75.704/191.408 x f 9.135,- = f 3.613,-

4.5 Aan te geven winst man (zie 2.2 verweerschrift)

Winstaandeel man (zie 4.3) f 115.704,-

Oortbijtelling f 215,-

Investeringsaftrek (zie 4.4) af f 5.522,-

f 110.397,-

4.6 Aan te geven winst vrouw (zie 2.2 verweerschrift)

Winstaandeel vrouw (zie 4.3) f 75.704,-

Oortbijtelling f 215,-

Investeringsaftrek (zie 4.4) af f 3.613,-

f 72.306,-

4.7 Belastbaar inkomen man volgens definitieve aanslag (zie 2.3

verweerschrift en bijlage 2 daarbij) f 32.234,-

Winstaandeel nieuw (zie 4.5) f 110.937,-

Aangegeven winst f 82.538,-

f 28.399,-

Minder giftenaftrek (verhoging drempel) f 283,-

Belastbaar inkomen nieuw f 60.916,-

4.8 Gelet op het voorgaande (met name 4.7 en 4.5) dient te worden beslist als hierna te vermelden. Opmerking verdient dat het premie-inkomen Waz, dat bij navordering is vastgesteld, ongewijzigd blijft, namelijk f 84.000,-. Het beroep inzake de navordering in de premie Waz is derhalve ongegrond.

5. Proceskosten

In de omstandigheden van het geval vindt het Hof aanleiding op grond van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht de inspecteur te veroordelen in de kosten van de bezwaarfase, die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken, te stellen op de helft van € 1.785,- (de helft wordt aan belanghebbende toegeschat en de andere helft aan zijn echtgenote) en welke kosten voor het deel van de man dienen te worden gedragen door de Staat der Nederlanden en voorts op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht de inspecteur te veroordelen in de kosten, die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Daarbij wordt uitgegaan van twee samenhangende zaken, een ten name van belanghebbende en een ten name van zijn echtgenote (BK 525/02). Het Hof bepaalt deze kosten op grond van het Be-sluit proceskosten bestuursrecht op de helft van 2 (punten) x 1,5 (wegingsfactor) x € 322,-- = € 483,-- (de helft wordt aan belanghebbende toegeschat en de andere helft aan zijn echtgenote) en welke kosten voor het deel van de man dienen te worden gedragen door de Staat der Nederlanden.

6. De beslissing

Het hof verklaart het beroep gegrond ten aanzien van de uitspraak voor zover deze de navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen betreft, vernietigt de bestreden uitspraak in zoverre en vermindert de navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen tot een navorderingsaanslag naar een belastbaar inkomen van f 60.916,-;

verklaart het beroep ten aanzien van de uitspraak voor zover deze de navorderingsaanslag in de premie Waz betreft ongegrond;

gelast dat het betaalde griffierecht ad € 29,- aan belanghebbende wordt vergoed door de inspecteur;

veroordeelt de inspecteur de kosten aan belanghebbende te vergoeden, die deze heeft moeten maken in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep, te bepalen op respectievelijk € 893,- en

€ 483,-; en wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die deze kosten dient te dragen.

Aldus vastgesteld op 5 december 2003 door mr. J. Huiskes, raadsheer en voorzitter, mr. F.J.W. Drion en mr. H.H.A. Fransen, raadsheren, en op die dag in het openbaar uitgesproken door voornoemde voorzitter in tegenwoordigheid van de griffier mr. J. de Jong en ondertekend door voornoemde voorzitter en door voornoemde griffier.

Op 10 december 2003 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.