Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2003:AN9143

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
02-12-2003
Datum publicatie
02-12-2003
Zaaknummer
24-000787-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

"Ten aanzien van verdachte is bewezen verklaard dat hij meerdere keren op gewelddadige wijze ouderen heeft beroofd. Verdachte heeft zich bewust gericht op deze meest weerloze slachtoffers. Daarbij heeft verdachte een grote mate van gewetenloosheid ten toon gespreid en telkens uitsluitend zijn eigen behoefte aan geld laten prevaleren."

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer: 24-000787-03

Arrest d.d. 2 december 2003 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank te Groningen d.d. 27 mei 2003 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats],

wonende te [adres], thans verblijvende in Opvangcentrum Het Poortje te Veenhuizen,

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman,

mr. A. Allersma, advocaat te Groningen.

Het vonnis waarvan beroep.

De rechtbank te Groningen heeft de verdachte bij voormeld vonnis op tegenspraak wegens misdrijven veroordeeld tot een straf en een maatregel, een en ander als in het vonnis nader omschreven.

Aanwending van het rechtsmiddel.

De officier van justitie en de verdachte zijn d.d. 10 juni 2003 respectievelijk d.d. 3 juni 2003 op de voorgeschreven wijze en tijdig van voormeld vonnis in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft gelet op het onderzoek ter 's hofs terechtzitting van 18 november 2003 en op het onderzoek in eerste aanleg als voorgeschreven bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering.

De beslissing op het hoger beroep.

Het hof zal het vonnis, waarvan beroep, vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging.

Aan dit arrest is gehecht een fotokopie van de inleidende dagvaarding, waarin de door de eerste rechter toegelaten wijziging is aangebracht, waaruit de inhoud van de tenlastelegging geacht moet worden hier te zijn overgenomen.

Het hof heeft ter terechtzitting op de vordering van de advocaat-generaal de tenlastelegging gewijzigd overeenkomstig die vordering, waarvan een fotokopie aan dit arrest is gehecht.

Het hof leest in feit 2, primair en in feit 4, primair, tweede gedachtestreepje, telkens het woord "een" verbeterd in "dat" in die zin dat in feit 2 primair "een op een vuurwapen gelijkend voorwerp" wordt gelezen als "dat op een vuurwapen gelijkend voorwerp" en dat in feit 4 primair "een mes" wordt gelezen als "dat mes", zijnde hier sprake van een kennelijke misslag, door verbeterde lezing waarvan verdachte niet in zijn -door de dagvaarding beschermde- belang kan zijn geschaad.

Bewezenverklaring.

Ten aanzien van verdachte acht het hof bewezen dat:

onder 1, primair:

hij op 9 juli 2002 in de gemeente Groningen, op de openbare weg, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een ring, een portefeuille met inhoud en sleutels, toebehorende aan [slachtoffer 1] (geboren [geboortedatum] 1928), welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen genoemde [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte,

- een mes heeft getoond aan en heeft gericht op die [slachtoffer 1], waarbij die [slachtoffer 1] achteruit is gedwongen en waarbij die [slachtoffer 1] (vervolgens) ten val is gekomen (waarbij die [slachtoffer 1] met zijn hoofd op de bestrating is geslagen / gevallen), tengevolge waarvan die [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel -een onderhuidse bloeduitstorting rechts op de schedel en een kneuzing in de hersenen (met inwendige bloeding) rechts voor tot rechts ter hoogte van het slaapbeen- heeft bekomen;

Onder 2, primair:

hij op 11 juli 2002 in de gemeente Groningen, op de openbare weg de Castorstraat, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een ring, een horloge, sleutels en een auto (Nissan Micra, [kenteken]), toebehorende aan [slachtoffer 2] (geboren [geboortedatum] 1931), welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen genoemde [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte,

- een op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft gericht op en heeft getoond aan die [slachtoffer 2], en

- die [slachtoffer 2] dat op een vuurwapen gelijkend voorwerp tegen het hoofd heeft gezet, en

- die [slachtoffer 2] de woorden heeft toegevoegd "geef je spullen" en "maak geen beweging, anders schiet ik" en "de auto is niet meer van jou";

Onder 3, primair:

hij op 5 augustus 2002 in de gemeente Groningen, op de openbare weg de Castorstraat, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen sleutels en een auto (Nissan Micra, [kenteken]), toebehorende aan [slachtoffer 2] (geboren [geboortedatum] 1931), welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen genoemde [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte,

- die [slachtoffer 2] onverhoeds is genaderd / heeft benaderd, en

- die [slachtoffer 2] heeft vastgepakt, en

- een dreigende houding heeft aangenomen ten overstaan van die [slachtoffer 2];

Onder 4, primair:

hij op 29 juni 2002 in de gemeente Groningen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een portemonnee met inhoud, toebehorende aan [slachtoffer 3] (geboren [geboortedatum] 1922), welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 3], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte,

- een mes heeft getoond aan en heeft gericht op die [slachtoffer 3], en

- die [slachtoffer 3] dat mes op de keel heeft gezet, en

- die [slachtoffer 3] de woorden heeft toegevoegd "geld" en "nu moet u snel uw geld geven, anders...".

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 primair, 2 primair, 3 primair en 4 primair meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Het hof overweegt ten aanzien van het in het hoger beroep gewijzigde, onder 1 primair tenlastegelegde "ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] is overleden" het volgende. Uit het proces-verbaal "Onderzoek: [verdachte] / Causaal verband" d.d. 8 oktober 2003, opgemaakt door B.H. Smit, werkzaam bij Regiopolitie Groningen, District Groningen/Haren, Roof Coördinatie Team, lijkt er mede op basis van het schrijven van T. Naujocks, forensisch geneeskundige, een causaal verband te bestaan tussen het letsel dat [slachtoffer 1] op 9 juli 2002 heeft opgelopen en de later bij het slachtoffer opgetreden slikklachten, in die zin dat de slikklachten deel uitmaken van neurologische restverschijnselen welke zijn voortgevloeid uit de bij de val opgelopen neurologische schade. Echter, gelet op de omstandigheid dat ter zake van de waarschijnlijke (niet middels een obductie vastgestelde) doodsoorzaak is vermeld "longontsteking, mogelijk samenhangend met verslikking", is het hof van oordeel dat een causaal verband tussen de (waarschijnlijk) tot de dood leidende longontsteking en de verslikking onvoldoende is komen vast te staan. Op grond van het voorgaande kan het causale verband tussen (de gevolgen van) het handelen van verdachte en de dood van [slachtoffer 1] niet worden bewezen.

Kwalificatie.

Hetgeen het hof als bewezen heeft aangenomen levert respectievelijk op het misdrijf:

onder 1, primair:

Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft en terwijl het feit is gepleegd op de openbare weg;

onder 2, primair:

Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit is gepleegd op de openbare weg;

onder 3, primair:

Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit is gepleegd op de openbare weg;

onder 4, primair:

Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken.

Strafbaarheid.

Het hof acht verdachte te dezer zake strafbaar, nu ten opzichte van hem geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafmotivering.

De rechtbank heeft verdachte terzake van het onder 1 primair, 2 primair, 3 primair en 4 primair ten laste gelegde conform de eis van de officier van justitie veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaren met terbeschikkingstelling en verpleging van overheidswege. De verdachte en de officier van justitie hebben hoger beroep ingesteld. De advocaat-generaal heeft naar aanleiding van het overlijden van [slachtoffer 1] de tenlastelegging met betrekking tot het onder 1 primair ten laste gelegde gewijzigd. Ter terechtzitting heeft de advocaat-generaal een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zeven jaren met terbeschikkingstelling en verpleging van overheidswege gevorderd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder die zijn begaan en op grond van de persoon van de verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Ten aanzien van verdachte is bewezen verklaard dat hij meerdere keren op gewelddadige wijze ouderen heeft beroofd. Verdachte heeft zich bewust gericht op deze meest weerloze slachtoffers. Daarbij heeft verdachte een grote mate van gewetenloosheid ten toon gespreid en telkens uitsluitend zijn eigen behoefte aan geld laten prevaleren. Door zich aldus te gedragen, heeft hij de slachtoffers en hun directe omgeving ernstig leed toegevoegd. Twee van zijn drie slachtoffers zijn inmiddels overleden ([slachtoffer 1] overleed op [datum] 2003 en [slachtoffer 2] overleed op [datum] 2003), en hoewel naar 's hofs oordeel niet vaststaat dat er een causaal verband bestaat tussen de brute daden van verdachte en het overlijden van deze slachtoffers, staat gelet op de stukken in het dossier wel onomstotelijk vast dat beide slachtoffers gedurende het laatste jaar van hun leven veel fysieke- en of psychische ellende hebben gekend, en dat die ellende een rechtstreeks verband hield met de daden van verdachte.

Voorts blijkt uit het de verdachte betreffende uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 18 september 2003, dat verdachte reeds eerder voor soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld.

Het voorgaande brengt, mede vanuit het oogpunt van genoegdoening aan de maatschappij, mede dat een gevangenisstraf van zeer lange duur dient te worden opgelegd.

Bij de bepaling van de hierna te noemen duur van de gevangenisstraf heeft het hof meegewogen dat verdachte -zo blijkt onder meer uit het hierna te noemen rapport van het Pieter Baan Centrum d.d. 8 mei 2003- in verminderde mate toerekeningsvatbaar is.

Motivering van de op te leggen maatregel.

Het rapport van het Pieter Baan Centrum (d.d. 8 mei 2003), opgesteld door psycholoog J.M. Oudejans en psychiater J. Loerakker, houdt -zakelijk weergegeven- onder meer in:

Verdachte heeft een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Verdachte heeft ten tijde van het plegen van de hem ten laste gelegde feiten weliswaar de ongeoorloofdheid hiervan kunnen inzien, doch hij is in mindere mate dan de gemiddeld normale mens in staat geweest zijn wil in vrijheid -overeenkomstig een dergelijk besef- te bepalen. Indien bewezen, kunnen de feiten verdachte slechts in verminderde mate worden toegerekend. Verdachte beschikt over weinig innerlijke structuur en een gebrekkig normbesef. Hij handelt vanuit opwellingen of impulsen, waarbij ook vormen van agressie kunnen voorkomen. Het recidivegevaar dient als "groot" te worden getaxeerd. Het gevaar voor zijn omgeving lijkt met name gelegen in de keuze van verdachte voor oudere, gemakkelijk te benaderen slachtoffers, met een verhoogd risico op (ernstig) fysiek of psychisch letsel als gevolg van zijn handelen. De ernst van het recidivegevaar, gezien tegen de achtergrond van verdachte's onvermogen zich in anderen in te leven of met hun belang rekening te houden, rechtvaardigt naar het oordeel van het onderzoekend team de oplegging van een TBS-maatregel en maakt behandeling in een duidelijk gestructureerde setting noodzakelijk. Een voorwaardelijk kader biedt, gelet op verdachte's impulsiviteit en het feit dat hij slecht in staat is rekening te houden met de consequenties van zijn gedrag voor anderen of voor zijn toekomst, onvoldoende kans op succes.

Gelet op de indruk die het hof zelf van de verdachte heeft gekregen alsmede diens persoon voor zover daarvan overigens uit de stukken blijkt, kan het hof zich met de bovenstaande conclusies van de deskundigen Oudejans en Loerakker verenigen, zodat het hof deze overneemt en tot de zijne maakt.

Nu gebleken is, dat bij de verdachte ten tijde van het plegen van elk van de hiervoor bewezenverklaarde feiten een zodanige gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens bestond dat deze feiten hem slechts in verminderde mate kunnen worden toegerekend, de door hem begane feiten telkens misdrijven betreffen waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van meer dan vier jaren is gesteld, en er naar het oordeel van het hof groot recidivegevaar aanwezig is, is het hof -met de advocaat-generaal- van oordeel, dat uit een oogpunt van beveiliging van de maatschappij een terbeschikkingstelling in het onderhavige geval aangewezen is.

Het hof zal derhalve, naast de gevangenisstraf, de maatregel van terbeschikkingstelling opleggen, nu de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen het opleggen van die maatregel eist en bevelen dat verdachte van overheidswege zal worden verpleegd, nu de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen die verpleging vereist.

Toepassing van wetsartikelen.

Het hof heeft gelet op de artikelen 37a, 37b, 57, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak.

HET HOF,

RECHTDOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw rechtdoende:

verklaart het verdachte als voormeld onder 1 primair, 2 primair, 3 primair en 4 primair tenlastegelegde bewezen en te kwalificeren als voormeld en verklaart deze feiten en verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van zes jaren;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht;

gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege zal worden verpleegd;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 primair, 2 primair, 3 primair en 4 primair meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Dit arrest is aldus gewezen door mrs. Kalsbeek, voorzitter, Van Dijk en Toeter, in tegenwoordigheid van mr. Folmer als griffier, zijnde mr. Toeter voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.