Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2003:AN9060

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
26-11-2003
Datum publicatie
28-11-2003
Zaaknummer
0200329
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2005:AS9448
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2005:AS9448
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 8 juni 2000 heeft [geïntimeerde] [appellant] bericht dat hij met terugwerkende kracht vanaf 1 april 2000, in plaats van in functieloonschaal C, trede 5, in functieloonschaal D trede 4 werd ingedeeld.

.....[appellant] heeft bij brief van 17 april 2001 bezwaar ertegen gemaakt dat hij per 1 april 2000 is ingedeeld in functieloonschaal D, trede 4, in plaats van functieloonschaal D, trede 5.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 26 november 2003

Rolnummer 0200329

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant in het principaal en geïntimeerde in het voorwaardelijk incidenteel appel,

in eerste aanleg: eiser,

hierna te noemen: [appellant],

toevoeging,

procureur: mr P.R. van den Elst,

tegen

[geïntimeerde],

gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats],

geïntimeerde in het principaal en appellante in het voorwaardelijk incidenteel appel,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

procureur: mr R.A. Schütz.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis uitgesproken op 25 april 2002 door de rechtbank te Assen, sector kanton, locatie Meppel, hierna te noemen de kantonrechter.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 15 juli 2002 is door [appellant] hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 21 augustus 2002.

De conclusie van de memorie van grieven luidt:

"te vernietigen het vonnis d.d. 25 april 2002 door de Rechtbank Assen, sector Kanton, locatie Meppel gewezen, en opnieuw rechtdoende bij arrest uitvoerbaar bij voorraad:

I. Geïntimeerde te veroordelen tot betaling aan appellant van een bedrag groot Euro 1.153,51 (= f 2.542,00) bruto terzake van achterstallig loon over de periode van 1 april 2000 tot 1 januari 2001, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ad 50% ofwel Euro 576,76 (= f 1.271,--) bruto en de wettelijke rente over achterstallig loon en wettelijke verhoging vanaf de dag dat geïntimeerde in gebreke is te betalen tot aan de dag der algehele voldoening toe;

II. Geïntimeerde te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten ad Euro 259,54 (= f 571,95) netto;

III. Geïntimeerde te veroordelen in de kosten van beide instanties, salaris procureur van appellant daaronder begrepen."

Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerde] verweer gevoerd en voorwaardelijk incidenteel geappelleerd met als conclusie:

"in principaal appèl:

appellant niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering althans hem die te ontzeggen, met veroordeling van appellant in de kosten van beide instanties, salaris procureur van appellant daaronder begrepen;

in voorwaardelijk incidenteel appèl:

geïntimeerde niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering, althans hem die te ontzeggen, met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide instanties, salaris procureur van incidenteel appellante daaronder begrepen."

Door [appellant] is in het voorwaardelijk incidenteel appel geantwoord met als conclusie:

" dat uw Hof bij arrest, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [geïntimeerde] niet-ontvankelijk verklaart in haar -voorwaardelijke- vorderingen, althans de -voorwaardelijke- grief van [geïntimeerde] ongegrond verklaart, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van dit voorwaardelijke incidenteel appèl, salaris procureur van [appellant] daaronder begrepen."

Voorts heeft [appellant] een akte in het principaal appel genomen, waarna [geïntimeerde] een antwoord-akte heeft genomen.

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest en heeft het hof een dag bepaald waarop arrest zal worden gewezen.

De grieven

[appellant] heeft in het principaal appel vijf grieven opgeworpen.

[geïntimeerde] heeft in het incidenteel appel één grief opgeworpen.

De beoordeling

In het principaal en in het voorwaardelijk incidenteel appel:

1. Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet voldoende betwist staat tussen partijen vast:

a. [appellant] is op 16 november 1990 in dienst getreden als chauffeur-belader bij de rechtsvoorgangster van [geïntimeerde]. Hij is sedertdien als chauffeur-belader werkzaam geweest. Zijn functie heeft in de loop der tijd

geen wijzigen ondergaan. Zijn laatstelijk genoten salaris beloopt

f 3.721,44 bruto per vier weken.

b. Op de arbeidsovereenkomst is van toepassing de CAO voor het Beroepsgoederenvervoer over de weg en de verhuur van mobiele kranen, hierna te noemen de CAO.

c. Art. 19, onderdeel B, van de CAO houdt in:

"Plaatsing in een hogere functie.

a. De werknemer die als gevolg van verandering van werkzaamheden in een hogere functieloonschaal wordt geplaatst, zal worden ingedeeld op het naast hogere bedrag in die functieloonschaal, vanaf de eerste volle week van die uitoefening van die hogere functie.

b. Correctie van een verkeerde inschakeling die een indeling in een hogere functieloon-schaal tot gevolg heeft zal ingaan op het tijdstip van schriftelijke melding door de werknemer."

d. Bij brief van 8 juni 2000 heeft [geïntimeerde] [appellant] bericht dat hij met terugwerkende kracht vanaf 1 april 2000, in plaats van in functieloonschaal C, trede 5, in functieloonschaal D trede 4 werd ingedeeld.

e. [appellant] heeft bij brief van 17 april 2001 bezwaar ertegen gemaakt dat hij per 1 april 2000 is ingedeeld in functieloonschaal D, trede 4, in plaats van functieloonschaal D, trede 5.

2. Voorts is uit de gedingstukken af te leiden dat indien [appellant] vanaf het begin juist was ingeschaald geweest, zijn salaris per 1 april 2000 naar functieloonschaal D, trede 5, had moeten worden berekend.

3. [appellant] doet zijn vordering tot betaling van een bedrag van f 2.542,-- bruto aan achterstallig loon over de periode van 1 april 2000 tot 1 januari 2001 - kort gezegd - steunen op het door [geïntimeerde] betwiste standpunt dat zijn salaris over die periode te berekenen is naar het functieloonschaal D, trede 5.

Voorts in het principaal appel

4. De grieven zijn gericht tegen de wijze waarop de kantonrechter de CAO, in het bijzonder art. 19, onderdeel B, van de CAO heeft toegepast. Het hof zal daarom de grieven gezamenlijk behandelen.

5. Voorop gesteld moet worden dat art. 19 staat in het hoofdstuk van de CAO

(Hoofdstuk III), dat vrijwel uitsluitend gaat over het salaris waarop een werknemer in verband met zijn functie-indeling en ervaringsjaren recht heeft

(HR 20 september 2002, JAR 2002, 249). Hierin ligt besloten dat het doel van de correctie van een verkeerde inschakeling is om het salaris te bepalen waarop de werknemer bij een juiste inschakeling aanspraak kan maken. Dat aan die correctie geen terugwerkende kracht wordt toegekend tot het tijdstip waarop geacht kan worden van een verkeerde inschakeling sprake te zijn, doet daaraan niet af.

6. Het voorgaande betekent dat de correctie van een verkeerde inschakeling zich niet beperkt tot het vaststellen van de juiste functieschaal, maar ook mede het bepalen van de juiste trede in die functieloonschaal omvat. Het onderscheid dat in het stelsel van de CAO wordt gemaakt tussen de door een werknemer uitgeoefende functie, op grond waarvan de functieloonschaal wordt vastgesteld, en de ervaringsjaren van de werknemer in die functie, aan de hand waarvan de aan de werknemer toe te kennen trede in de betrokken functieloonschaal wordt bepaald, laat zulks onverlet. Het ligt voor de hand dat als juiste trede is aan te merken de trede die zou hebben gegolden, indien van een verkeerde inschakeling geen sprake was.

7. Eén en ander impliceert dat correctie van een verkeerde inschaling dient te geschieden met toepassing van het bepaalde in de artikelen 17 en 18 van de CAO. Artikel 19, onderdeel B onder a, van de CAO mist in een dergelijk geval toepassing, omdat niet sprake is van verandering in werkzaamheden. Evenmin komt dit artikellid voor analoge toepassing in aanmerking, nu niet valt in te zien waarom bij een correctie op een verkeerde inschaling moet worden afgeweken van de artikelen 17 en 18, zulks mede gelet op het dwingende karakter van de CAO.

8. Daarmee is evenwel niet gezegd dat [appellant] uiteindelijk het gelijk aan zijn zijde heeft. Immers artikel 19, onderdeel B onder b, bepaalt dat correctie van een verkeerde inschaling zal ingaan op het tijdstip van de schriftelijke melding van de werknemer. Het hof acht dit artikel, gelet op hetgeen hiervoor onder 6 is overwogen, ook van toepassing bij een correctie op een doorgevoerde correctie, waarvan in dit geval sprake is. Door het vereiste van de schriftelijke melding wordt de aanspraak op correctie van een verkeerde inschaling beperkt tot de tijd waarin de werkgever en de werknemer over en weer met de mogelijkheid van het bestaan van die aanspraak rekening hebben kunnen houden. Een redelijke toepassing van dit vereiste brengt mee dat op het ontbreken van deze schriftelijke mededeling door de werkgever achteraf geen beroep kan worden gedaan, indien de werknemer uit een mededeling van de werkgever mocht afleiden, dat deze de verkeerde inschaling van de werknemer in de juiste inschaling zal wijzigen.

9. Gesteld noch gebleken is dat een dergelijke mededeling is gedaan. Na de brief van 8 juni 2000 waarin hem werd meegedeeld hoe zijn loon zou worden aangepast, heeft [appellant] eerst bij brief van 17 april 2001 schriftelijk aan zijn werkgever laten weten dat de correctie verkeerd was doorgevoerd. Op dat moment ontving hij evenwel al enige maanden een salaris, berekend naar functieloonschaal D, trede 5, zijnde de hoogste trede van deze schaal. Gelet op het bepaalde in artikel 19, onderdeel B onder b, van de CAO is een correctie op de correctie, met een verdergaande terugwerkende kracht dan het moment waarop de werknemer bij de werkgever schriftelijk aan de bel trekt, niet mogelijk.

10. De door [appellant] opgeworpen grieven treffen derhalve geen doel.

Voorts in het voorwaardelijk incidenteel appel:

11. De in het voorwaardelijk incidenteel appel opgeworpen grief behoeft in verband met het hiervoor overwogene geen behandeling.

Slotsom

12. Het vonnis waarvan beroep dient, met verbetering van de gronden, te worden bekrachtigd met veroordeling van [appellant] als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding in hoger beroep in het principaal appel.

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die aan de zijde van [geïntimeerde] tot aan deze uitspraak op Euro 193,-- aan verschotten en Euro 817,50 aan salaris voor de procureur;

wijst af het in hoger beroep meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mrs. Mollema, voorzitter, Kuiper en Breemhaar, raden, en uitgesproken door mr Mollema, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van de heer Bilstra als griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 26 november 2003.