Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2003:AN7624

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
06-11-2003
Datum publicatie
07-11-2003
Zaaknummer
24-001285-02
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2005:AT3993
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2005:AT3993
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft op 11 september 2001, nadat hij een (behoorlijke) hoeveelheid alcohol had gedronken, een motorrijtuig bestuurd.

In deze toestand is hij bij een ongeval betrokken geraakt, waarbij schade is ontstaan aan de betrokken auto's alsmede aan het café waartegen verdachte tot stilstand is gekomen. Voorts blijkt uit de inhoud van een hem betreffend uittreksel d.d. 3 oktober 2003 uit het documentatieregister dat een op 23 oktober 1997 door hem begaan soortgelijk feit door een transactie is afgedaan.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 359a
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 8
Wegenverkeerswet 1994 164
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2004, 5
NBSTRAF 2004/29
NbSr 2004/29
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-001285-02

Arrest d.d. 6 november 2003 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank te Leeuwarden d.d. 21 november 2002 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] in de gemeente [gemeente],

wonende te [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman,

mr. T. van der Goot, advocaat te Leeuwarden.

Het vonnis waarvan beroep.

De politierechter in de rechtbank te Leeuwarden heeft de verdachte bij voormeld vonnis op tegenspraak vrijgesproken van het hem tenlastegelegde.

Aanwending van het rechtsmiddel.

De officier van justitie is d.d. 22 november 2002 op de voorgeschreven wijze en tijdig van voormeld vonnis in hoger beroep gekomen en heeft blijkens een op 5 december 2002 uitgereikt gerechtelijk schrijven het ingestelde hoger beroep aan verdachte betekend.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft gelet op het onderzoek ter 's hofs terechtzitting van 23 oktober 2003 en op het onderzoek in eerste aanleg als voorgeschreven bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering.

De beslissing op het hoger beroep.

Het hof zal het vonnis, waarvan beroep, vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging.

Aan dit arrest is gehecht een fotokopie van de inleidende dagvaarding, waaruit de inhoud van de tenlastelegging geacht moet worden hier te zijn overgenomen.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs.

Het hof gaat in de onderhavige zaak op basis van het procesdossier en het onderzoek ter 's hofs terechtzitting uit van de volgende vaststaande feiten:

- verdachte is op 11 september 2001 met zijn personenauto op een binnen de bebouwde kom van Twijzel gelegen kruising in botsing gekomen met een voor hem vanuit de tegenovergestelde richting komende en naar links afslaande personenauto. Ten gevolge van dit ongeval is er aan drie voertuigen en een café schade ontstaan;

- verdachte reed ten tijde van het ongeval met een snelheid welke hoger was dan de ter plaatse geldende maximumsnelheid;

- in verband met het naar aanleiding van de aanrijding bij verdachte geconstateerde letsel aan zijn enkels is verdachte kort na het ongeval per ambulance overgebracht naar het Medisch Centrum Leeuwarden;

- ten tijde van het eerste directe contact met verdachte was het niet mogelijk vast te stellen dat de adem van verdachte naar het inwendig gebruik van alcoholhoudende drank rook;

- verdachte heeft in het Medisch Centrum Leeuwarden toestemming gegeven tot het verrichten van een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onder b, Wegenverkeerswet 1994 en hierop is van verdachte bloed afgenomen;

- de inhoudelijke procedurevoorschriften die het onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onder b, Wegenverkeerswet 1994 omgeven zijn op juiste wijze nageleefd.

De raadsman heeft betoogd dat er geen verdenking van overtreding van artikel 8 Wegenverkeerswet 1994 bestond toen de politie verdachte vroeg om toestemming voor het verrichten van een bloedonderzoek, zodat het verzoek onbevoegd is gedaan, en de resultaten van dit onderzoek onrechtmatig zijn verkregen en niet voor het bewijs mogen meewerken.

De advocaat-generaal heeft ter 's hofs terechtzitting betoogd dat de omstandigheid dat verdachte ten tijde van het ongeval met een te hoge snelheid heeft gereden een verdenking van handelen in strijd met artikel 8 Wegenverkeerswet 1994 kan doen ontstaan, wanneer mede in acht wordt genomen dat alcoholgebruik een ontremmende werking op het gedrag kan hebben.

Dit is naar het oordeel van het hof niet juist. Het (aanzienlijk) overschrijden van de maximumsnelheid is onvoldoende om een verdenking in voornoemde zin aan te nemen. Nu in het geval van verdachte andere aanwijzingen voor het gebruik van alcohol ontbreken, betekent dit dat in onderhavige zaak geen (voldoende) verdenking tegen verdachte bestond ter zake van het handelen in strijd met artikel 8 Wegenverkeerswet 1994. Dit oordeel impliceert dat geen (voldoende) aanleiding bestond voor het aan verdachte vragen van toestemming voor het verrichten van een bloedonderzoek, zodat dit verzoek onbevoegd is gedaan. Het feit dat verdachte die toestemming vervolgens heeft gegeven doet hieraan niet af.

Het hof stelt bij de beoordeling van het verweer van de raadsman het volgende voorop:

Ingevolge artikel 163, eerste en vierde lid, Wegenverkeerswet 1994 is een opsporingsambtenaar eerst bevoegd toestemming te vragen tot het meewerken aan een bloedproef bij verdenking dat de bestuurder van een voertuig heeft gehandeld in strijd met artikel 8 Wegenverkeerswet 1994. De bloedproef is door wetgever omringd met een aantal strikte waarborgen, zoals de bepalingen van het Besluit Alcoholonderzoeken en de Regeling bloed- en urineonderzoek, waarvan het niet nakomen inhoudt dat het onderzoek niet langer kan aangemerkt worden als een onderzoek in de zin van artikel 8, tweede lid, onder b, Wegenverkeerswet 1994. Deze regels hebben betrekking op de wijze waarop het onderzoek moet worden uitgevoerd en hebben tot doel een zorgvuldig en betrouwbaar onderzoek te waarborgen. De regel dat toestemming voor een bloedproef eerst na het ontstaan van een verdenking van rijden onder invloed kan worden gelast behoort hier niet toe. Indien een bloedproef wordt uitgevoerd zonder een voorafgaande verdenking maar met naleving van de van alle regels met betrekking tot de uitvoering van het onderzoek moet dan ook worden aangenomen dat sprake is van een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onder b, Wegenverkeerswet 1994. Het ontbreken van de wettelijke vereiste verdenking betekent wel een verzuim van vormen in het voorbereidend onderzoek dat niet meer kan worden hersteld, en dat aanleiding kan geven tot toepassing van artikel 359a Wetboek van Strafvordering.

Het hof ziet gelet op het bovenstaande aanleiding om toepassing te geven aan artikel 359a Wetboek van Strafvordering, en overweegt daarbij het volgende:

Het vereiste van een verdenking van rijden onder invloed strekt tot het voorkomen van willekeurige en al te lichtvaardige toepassing van de zwaardere vormen van alcoholonderzoek. In dit geval was weliswaar sprake van onvoldoende verdenking, maar een indicatie daarvoor was wel aanwezig in de vorm van verklaringen van diverse getuigen dat de bestuurder aanmerkelijk te snel zou hebben gereden voordat hij bij een vrij ernstige aanrijding betrokken raakte, zodat niet van willekeurig handelen kan worden gesproken. Voorts hadden de verbalisanten een verdenking naar alle waarschijnlijkheid op eenvoudige wijze kunnen onderbouwen door, eventueel in het ziekenhuis, medewerking te vragen aan een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht. De ernst van het verzuim wordt hierdoor gerelativeerd. Aan de andere kant moet worden vastgesteld dat zonder verdenking het onderzoek niet had mogen plaatsvinden, en in dat geval naar alle waarschijnlijkheid ook geen strafvervolging voor dit feit had kunnen plaatsvinden, zodat de verdachte in die zin daadwerkelijk is benadeeld. Dit alles afwegende acht het hof het door verdachte ondervonden nadeel voldoende gecompenseerd door de straf in verhouding tot de ernst van het verzuim te verlagen zoals hierna te vermelden.

De raadsman heeft verder nog aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken omdat moet worden aangenomen dat hij toen de bloedafname plaatsvond in staat was een ademonderzoek te ondergaan, terwijl tot het ondergaan van een bloedonderzoek slechts kan worden overgegaan indien het ondergaan van een ademonderzoek om bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk is.

Het hof verwerpt dit verweer, mede gelet op het arrest van de Hoge Raad van 1 oktober 2002, NJ 2002/573. Uit het proces-verbaal van de verbalisanten blijkt dat verdachte behoorlijk letsel had opgelopen ten gevolge van de aanrijding en dat hij in verband met zijn toestand - naar het hof uit de verklaring van verdachte ter 's hofs terechtzitting begrijpt: vrijwel direct - na 18.12 uur is overgebracht naar het Medisch Centrum Leeuwarden voor het ondergaan van een medische behandeling. Uit de verklaring van verdachte ter 's hofs terechtzitting is gebleken dat hij tot tot ongeveer 22.00 à 22.30 uur in het ziekenhuis heeft verbleven. Het hof is ambtshalve bekend dat een ademanalyse slechts kan plaatsvinden op de plaats waar de ademanalyseapparatuur onder gecontroleerde omstandigheden staat opgesteld, doorgaans op een politiebureau. Omdat alcohol snel kan afbreken in het lichaam is van belang dat een alcoholonderzoek spoedig plaatsvindt. Gelet op dit alles heeft de voor het bloedonderzoek verantwoordelijke verbalisant in redelijkheid kunnen oordelen dat het ondergaan van een ademanalyse om bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk was voor de verdachte, toen deze enige tijd in het ziekenhuis diende te verblijven voor het ondergaan van medische behandeling.

Bewezenverklaring.

Ten aanzien van verdachte acht het hof met eenparigheid van stemmen bewezen dat:

hij op 11 september 2001, te Twijzel, in de gemeente Achtkarspelen, als bestuurder van een voertuig, personenauto, dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 1,08 milligram alcohol per milliliter bloed bleek te zijn.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie.

Hetgeen het hof als bewezen heeft aangenomen levert op het misdrijf:

Overtreding van artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid.

Het hof acht verdachte te dezer zake strafbaar, nu ten opzichte van hem geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafmotivering.

Het hof heeft bij de bepaling van de aan verdachte op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder het is begaan en de persoon van verdachte.

Verdachte heeft op 11 september 2001, nadat hij een (behoorlijke) hoeveelheid alcohol had gedronken, een motorrijtuig bestuurd.

In deze toestand is hij bij een ongeval betrokken geraakt, waarbij schade is ontstaan aan de betrokken auto's alsmede aan het café waartegen verdachte tot stilstand is gekomen. Voorts blijkt uit de inhoud van een hem betreffend uittreksel d.d. 3 oktober 2003 uit het documentatieregister dat een op 23 oktober 1997 door hem begaan soortgelijk feit door een transactie is afgedaan.

Op grond van het vorenstaande en indachtig de straffen die het hof voor een dergelijk feit pleegt op te leggen, dient aan verdachte in beginsel een geldboete van zeshonderd euro en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden te worden opgelegd.

Tegenover het voorstaande staat echter hetgeen het hof hiervoor in verband met het bewijs heeft overwogen, zodat naar het oordeel van het hof volstaan kan worden met de oplegging van na te melden straffen.

Toepassing van wetsartikelen.

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 8, 176 (oud) en 179 (oud) van de Wegenverkeerswet 1994.

De uitspraak.

HET HOF,

RECHTDOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw rechtdoende:

verklaart het verdachte als voormeld tenlastegelegde bewezen en te kwalificeren als voormeld en verklaart dit feit en verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot een geldboete van vijfhonderd euro, met bevel voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van tien dagen zal worden toegepast;

beveelt, dat van de geldboete een gedeelte van tweehonderd vijftig euro, subsidiair vijf dagen hechtenis, niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat veroordeelde voor het einde van een proeftijd van twee jaren zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

ontzegt aan de veroordeelde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van drie maanden;

beveelt, dat de bijkomende straf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde voor het einde van een proeftijd van twee jaren zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Dit arrest is aldus gewezen door mrs. Van Dijk, voorzitter, Weenink en Van der Woude, in tegenwoordigheid van mr. Pullens als griffier, zijnde mr. Van der Woude voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.