Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2003:AN1353

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
29-10-2003
Datum publicatie
30-10-2003
Zaaknummer
Rolnummer 0300095
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij schrijven van 30 november 1999 heeft [appellante] de nota geretourneerd aan [geïntimeerde], onder vermelding dat in de nota ten onrechte geen rekening was gehouden met (1) een afgesproken minderprijs vanwege het onbeglaasd leveren, (2) [appellante] drie dagen extra werk heeft gehad door verkeerde levering van materialen van [geïntimeerde] en (3) twee ruiten opnieuw moesten worden geleverd in verband met wijzigingen van de zijde van [geïntimeerde] (..). [geïntimeerde] heeft hierop niet schriftelijk gereageerd. Bij brieven van 11 april 2000, 9 augustus 2001 en 20 september 2001 is [appellante] tot betaling gemaand door [geïntimeerde]. [appellante] heeft als reactie op de door haar ontvangen factuur, opnieuw aan [geïntimeerde] per brief van 7 september 2001 bericht dat de deuren van de serre nog steeds niet goed sluiten en dat zij niet zal betalen zolang de serre niet naar behoren is afgewerkt. [appellante] heeft de nota onbetaald gelaten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 29 oktober 2003

Rolnummer 0300095

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de vierde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellante],

gevestigd te [woonplaats],

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [appellante],

procureur: mr J.V. van Ophem,

tegen[geïntimeerde],

gevestigd te [woonplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

niet verschenen.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op 18 april 2002 en 21 november 2002 door de rechtbank te Groningen, sector kanton.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 19 februari 2003 is door [appellante] hoger beroep ingesteld van het vonnis d.d. 21 november 2002 met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 5 maart 2003.

De conclusie van de memorie van grieven luidt:

"om te vernietigen het door de rechtbank Groningen, sector kanton, locatie Groningen op 21 november 2002 gewezen vonnis en, opnieuw rechtdoende, het in eerste aanleg door thans geïntimeerde gevorderde alsnog af te wijzen, met veroordeling van thans geïntimeerde in de kosten van het geding in beide instanties."

Voorts heeft [appellante] ter rolle van 20 augustus 2003 nog een akte overlegging produktie genomen, waarvan de produktie ontbreekt.

Tenslotte heeft [appellante] de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellante] heeft drie grieven opgeworpen.

De beoordeling

1. Nu in de vonnissen van de kantonrechter geen vaststelling van de feiten heeft plaatsgevonden, zal het hof dit alsnog doen.

1.1. In het voorjaar van 1999 heeft [geïntimeerde] - leverancier van serres - een serre geleverd aan [appellante], een schilders- en behangersbedrijf, ten behoeve van de showroom van [appellante].

1.2. Kort na plaatsing van de show-serre heeft [appellante] een soortgelijke serre verkocht aan de familie [naam koper serre] te [woonplaats]. Volgens de offerte d.d. 9 maart 1999 van [geïntimeerde] bedroeg de prijs voor levering van serre f 22.210,- (excl. BTW), waarin begrepen een bedrag van f 1.750,-- voor transport en montage.

[appellante] heeft de serre betrokken van [geïntimeerde] en deze vervolgens geplaatst en gemonteerd bij de familie [naam koper serre], waarbij [geïntimeerde] van [geïntimeerde] gedurende een dag heeft geassisteerd.

1.3. Bij factuur d.d. 19 november 1999 heeft [geïntimeerde] bij [appellante] een bedrag van f 19.694 (excl. BTW) in rekening gebracht voor de levering en plaatsing van de serre. Blijkens de factuur is een bedrag van f 2.516,-- in mindering gebracht ter zake van "glaslevering".

1.4. Bij schrijven van 30 november 1999 heeft [appellante] de nota geretourneerd aan [geïntimeerde], onder vermelding dat in de nota ten onrechte geen rekening was gehouden met (1) een afgesproken minderprijs vanwege het onbeglaasd leveren, ad f 5.000,00; (2) [appellante] drie dagen extra werk heeft gehad door verkeerde levering van materialen van [geïntimeerde], ad f 3.150,--, en (3) twee ruiten opnieuw moesten worden geleverd in verband met wijzigingen van de zijde van [geïntimeerde], ad f 316,50. [geïntimeerde] heeft hierop niet schriftelijk gereageerd.

1.5. Bij brieven van 11 april 2000, 9 augustus 2001 en 20 september 2001 is [appellante] tot betaling gemaand door [geïntimeerde].

1.6. [appellante] heeft als reactie op de door haar ontvangen factuur, opnieuw aan [geïntimeerde] per brief van 7 september 2001 bericht dat - kort gezegd - de deuren van de serre nog steeds niet goed sluiten en dat zij niet zal betalen zolang de serre niet naar behoren is afgewerkt.

1.7. [appellante] heeft de nota onbetaald gelaten.

2. [geïntimeerde] heeft in de onderhavige procedure bij akte, tevens houdende wijziging van eis, haar vordering beperkt tot ƒ 10.000,--, de destijds geldende competentie grens van de kantonrechter, met rente en kosten.

Het hof overweegt dat dit meebrengt dat de vordering van [geïntimeerde] slechts betrekking kan hebben op

f 10.000,-- minus de reeds per datum inleidende dagvaarding verschuldigde rente - door [geïntimeerde] berekend op f 249,14 -, derhalve f 9.750,86. De bij het uitbrengen van de dagvaarding reeds verschuldigde rente, maakt immers deel uit van de hoofdsom.

Voorts stelt het hof vast dat uit de dagvaarding blijkt dat [geïntimeerde] geen afstand heeft gedaan van het overige gedeelte van haar vordering. Naar aanleiding hiervan overweegt het hof dat, gelet op het feit dat het verweer van [appellante] zich toespitst op de hoogte van het gevorderde bedrag, geldt dat de rechtstitel van de vordering niet wordt betwist. Derhalve was [geïntimeerde] gerechtigd om een gedeelte van het haar vordering aan te brengen bij de kantonrechter.

3. Met betrekking tot het verloop van de procedure bij de kantonrechter overweegt het hof het volgende.

Bij tussenvonnis van 18 april 2002 heeft de kantonrechter een comparitie van partijen gelast, zowel voor het verkrijgen van inlichtingen als het bereiken van een schikking. Blijkens de handgeschreven aantekeningen van deze comparitie die zich in het dossier bevinden, heeft deze plaatsgevonden op 29 mei 2002. Van de comparitie is echter geen proces-verbaal opgemaakt, zodat niet vast staat wat daar precies aan de orde is gekomen. Zeker in een procedure als de onderhavige, waar [appellante] zonder gemachtigde procedeert en de processtukken van beide partijen slechts zeer summier zijn, zodat er weinig duidelijkheid is over de feitelijke gang van zaken, is het hof van oordeel dat van een comparitie als hier aan de orde, waar partijen aanwezig waren en zij elk een mondelinge toelichting hebben gegeven op hun stellingen, vastlegging van het verhandelde in een proces-verbaal bepaald de voorkeur heeft. Dit geldt des te meer, nu ter comparitie kennelijk overeenstemming is bereikt over de betaling van een bedrag van

f 20.000,-- door [appellante] aan [geïntimeerde] - derhalve over meer dan de omvang van de oorspronkelijke vordering -, terwijl voorts kennelijk afspraken zijn gemaakt over het vervolg van de procedure.

4. Voorts overweegt het hof dat na de comparitie van partijen, door [geïntimeerde] nog een akte is genomen. Van de zijde van [appellante] is bezwaar gemaakt tegen de eiswijziging, waarbij voorts verzocht is, indien de eiswijziging wordt gehonoreerd, alsnog de gelegenheid te krijgen inhoudelijk te reageren. De kantonrechter heeft het bezwaar van [appellante] tegen de eiswijziging niet gehonoreerd, en haar bovendien niet toegestaan om alsnog inhoudelijk te reageren op de akte van [geïntimeerde], waartoe het volgende is overwogen: "Wat eiseres in die akte aanvoert is door haar reeds naar voren gebracht bij repliek (waarop gedaagde niet heeft gereageerd) en bij comparitie. (...) Er is geen enkele aanleiding om dat debat nog langer voor te zetten."

Het hof acht deze overweging, waartegen grief 2 zich richt, onbegrijpelijk, nu uit het vervolg van de overwegingen blijkt dat de kantonrechter doorslaggevende betekenis toekent aan hetgeen in de bedoelde akte naar voren is gebracht door [geïntimeerde], tezamen met een bij de bedoelde akte overgelegde productie, op grond waarvan de rechter tot toewijzing van het gevorderde komt. Naar het oordeel van het hof had de kantonrechter [appellante] alsnog in de gelegenheid moeten stellen te reageren op de akte.

Grief 2 slaagt derhalve.

5. Het hof komt thans toe aan de inhoudelijke beoordeling.

Door [appellante] zijn de volgende verweren gevoerd tegen de vordering van [geïntimeerde].

(a) De nota van [geïntimeerde] is f 5.000,-- te hoog omdat was afgesproken dat de serre onbeglaasd zou worden geleverd.

(b) [geïntimeerde] heeft ondeugdelijk gepresteerd, omdat de montage van de serre grote problemen heeft opgeleverd. Dit is te wijten aan ondeugdelijke, althans niet passende, onderdelen. Hierdoor heeft [appellante] veel extra manuren aan de montage moeten besteden. Daarbij komt dat [geïntimeerde] zou helpen met de montage, maar hij in strijd met de afspraken na één dag is weggegaan. [appellante] heeft hierdoor schade geleden, die zij begroot op f 3.150,-- (voor extra manuren) plus f 316,50 (voor extra glas).

[appellante] beroept zich ter zake op verrekening, voor in totaal een bedrag van

f 8.466,50.

De kantonrechter heeft de weren van [appellante] gepasseerd, kennelijk op basis van het bij akte door [geïntimeerde] in het geding gebrachte schrijven d.d. 14 januari 2002 van [naam directeur], directeur van Wessex Conservatories, die tezamen met [geïntimeerde] de serre van [naam koper serre] zou hebben geïnspecteerd, en daarbij zou hebben vastgesteld dat [appellante] te dik glas in de serre heeft geplaatst. Dat zou betekenen dat de montageproblemen aan [appellante] zelf zijn te wijten.

6. Bij grief 1 voert [appellante] aan dat het bezoek van [naam directeur] aan [naam koper serre] nooit heeft plaatsgevonden. [appellante] wijst hierbij op de datum van het schrijven van [naam directeur], die ligt vóór de compartie van partijen.

Het hof overweegt dat het bezoek van [geïntimeerde] en [naam directeur] aan [naam koper serre] kennelijk heeft plaatsgevonden tussen de comparitie van partijen, die plaatsvond op 29 mei 2002, - waar partijen immers hadden afgesproken dat [geïntimeerde] een bezoek aan [naam koper serre] zou brengen - en de akte van [geïntimeerde] van 19 september 2002. In dit licht is niet te begrijpen hoe de brief van [naam directeur], waarin melding wordt gemaakt van "our recent visit" aan "Customer [naam koper serre]" van 14 januari 2002 kan dateren. Dit gegeven had ook voor de kantonrechter aanleiding moeten zijn om op zijn minst nadere informatie in te winnen bij partijen over het gestelde bezoek.

Nu [geïntimeerde] niet heeft weersproken de stelling van [appellante], neergelegd in de memorie van grieven, dat het bedoelde bezoek in het geheel niet heeft plaatsgevonden, zal het hof voorbij gaan aan het schrijven van [naam directeur].

Grief 1 slaagt.

7. Bij grief 3 beroept [appellante] zich op verrekening met de door haar gestelde tegenvordering op [geïntimeerde] ad f 8.466,50. In de toelichting op grief 3 betwist [appellante] ook de toewijzing door de kantonrechter van de buitengerechtelijke incassokosten alsmede de toewijzing van de wettelijke rente vanaf 20 december 1999. Voorts brengt [appellante] hier het in r.o. 5 sub a reeds vermelde verweer dat de nota van [geïntimeerde] ƒ 5.000,-- te hoog is.

Het hof overweegt hierover het volgende.

Minderprijs f 5.000,--

8. Uit de stellingen van [geïntimeerde] is niet af te leiden dat zij betwist de stelling van [appellante] - zoals reeds neergelegd in haar schrijven van 30 november 1999 - dat een minderprijs van f 5.000,-- is overeengekomen tussen partijen. Het hof gaat er derhalve vanuit dat zulks tussen partijen overeengekomen is. Nu blijkens de factuur van 19 november 1999 [geïntimeerde] in verband hiermee al een bedrag van

f 2.516,-- in mindering heeft gebracht ([appellante] heeft niet aangegeven hoe deze minderprijs anders begrepen zou moeten worden) resteert derhalve

een aftrek van f 2.484,--.

Op de hoofdsom dient derhalve een bedrag van f 2.484,-- in mindering te worden gebracht.

Verrekening tegenvordering

9. Met betrekking tot de tegenvordering van [appellante] ad f 3.150,-- (voor extra manuren) plus f 316,50 (voor extra glas) geldt het volgende. [geïntimeerde] heeft bij conclusie van repliek gemotiveerd weersproken dat sprake is geweest van ondeugdelijk presteren harerzijds. Derhalve kan het hof niet als vaststaand aannemen dat [appellante] op dit punt schade heeft geleden als gevolg van toerekenbaar tekortschieten door [geïntimeerde], zodat evenmin vaststaat dat [appellante] een tegenvordering heeft op [geïntimeerde] als door haar gesteld. Om de gegrondheid van de tegenvordering van [appellante] vast te stellen, zou nadere bewijslevering noodzakelijk zijn. De tegenvordering van [appellante] is derhalve niet liquide.

Gelet op het bepaalde in art. 6:136 BW, zal het hof gebruik maken van zijn bevoegdheid om in dat geval het beroep op verrekening te passeren.

[appellante] kan de genoemde bedragen derhalve niet verrekenen met het nog openstaande deel van de vordering van [geïntimeerde].

Buitengerechtelijke incassokosten

10. Naar het oordeel van het hof heeft de kantonrechter ten onrechte buitengerechtelijke incassokosten toegewezen, nu niet gebleken is dat [geïntimeerde] de bedoelde kosten - anders dan de gewone kosten voor de voorbereiding van de procedure en het versturen van een enkele aanmaning door haar gemachtigde - heeft gemaakt. Nu [geïntimeerde] in hoger beroep niet is verschenen, kan haar terzake geen bewijsopdracht worden verstrekt.

Het voor deze post gevorderde bedrag ad f 3.471,07 zal derhalve worden afgewezen.

Wettelijke rente

11. Met betrekking tot de wettelijke rente overweegt het hof het volgende.

In de dagvaarding heeft [geïntimeerde] melding gemaakt van een vordering op [appellante] ter hoogte van f 26.860,--, waarvan zij thans in rechte vordert

f 10.000,-- vermeerderd met rente en kosten, en zich voor het overige haar rechten voorbehoudt.

11.1. Omstreeks begin juni 2002 heeft [appellante] een bedrag aan [geïntimeerde] voldaan van f 20.000,--. Naar aanleiding hiervan heeft [geïntimeerde] haar eis gewijzigd. Uit de akte blijkt dat deze wijziging inhield dat [geïntimeerde] haar totale vordering thans berekent op f 31.333,60 op basis van vervallen rente over de hoofdsom tot 18 september 2002 ad f 4.722,08; zij daarop het bedrag van f. 20.000,-- in mindering brengt, en vervolgens het restant ad f 11.333,61 wederom beperkt tot een vordering van f 10.000,--.

Dit bedrag is vervolgens door de kantonrechter toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding (10 november 2001) tot 1 juni 2002 en over € 1.425.07 (f 31.40,43) vanaf 1 juni 2002 tot de dag der algehele voldoening.

11.2. Het hof stelt vast dat aldus over de periode van 10 november 2001 tot 18 september 2002 tweemaal wettelijke rente is toegewezen, aangezien [geïntimeerde] bij de herberekening van haar vordering immers de wettelijke rente tot 18 september 2002 al had meegenomen.

11.3. Het hof kan [appellante] niet volgen in haar stelling dat zij pas vanaf 23 september 2001 wettelijke rente verschuldigd zou zijn, in plaats vanaf 20 december 1999. Uit de offerte blijkt namelijk dat [appellante] direct na oplevering van de serre dient te betalen, zij het dat het dan volgens de offerte zou gaan om het restant van de hoofdsom, en al eerder een voorschot zou moeten zijn voldaan. Nu kennelijk [geïntimeerde], in afwijking hiervan, in november 1999 (toen alle werkzaamheden klaarblijkelijk al lang voltooid waren) de gehele hoofdsom heeft gefactureerd, dient er van te worden uitgegaan dat [appellante] op dat moment tot betaling gehouden was, bij ontbreken waarvan onmiddellijk het verzuim intrad. Nu [geïntimeerde] pas rente vordert vanaf vier weken na dit tijdstip, heeft zij kennelijk afstand gedaan van de rente over deze periode. Derhalve geldt dat [appellante] vanaf vier weken na facturering, derhalve vanaf 20 december 1999, wettelijke rente is verschuldigd.

11.4. Grief 3 slaagt gedeeltelijk.

o

Slotsom

12. Het voorgaande betekent dat [geïntimeerde] aanspraak kan maken op een hoofdsom van f 23.140,45 minus f 2.484,--, derhalve f 20.656,45. [appellante] dient hierover de wettelijke rente te voldoen vanaf 20 december 1999 tot aan de dag der algehele voldoening. Tot 1 juni 2002 was [appellante] aldus een bedrag van

f 20.656,45 met rente tot die datum verschuldigd.

Hierop dient het door [appellante] voldane bedrag van f 20.000,-- in mindering te worden gebracht. Over het aldus resterende bedrag dient [appellante] vanaf 1 juni 2002 de wettelijke rente te voldoen, tot aan de dag der algehele voldoening.

De grieven slagen derhalve grotendeels. Het vonnis van de kantonrechter zal worden vernietigd en de vordering van [geïntimeerde] zal worden toegewezen als hiervoor is aangegeven. De kostenveroordeling van [appellante] in eerste aanleg zal het hof in stand laten, nu duidelijk is dat zij in ieder geval een substantieel bedrag aan [geïntimeerde] was verschuldigd. In hoger beroep zal [geïntimeerde], als de daar grotendeels in het ongelijk te stellen partij, worden veroordeeld in de kosten van het geding.

Beslist wordt als volgt.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Groningen, sector kanton, d.d. 21 november 2002;

en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [appellante] tot betaling van een bedrag dat is berekend op de wijze als aangegeven in r.o. 12;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het geding in eerste aanleg en begroot die aan de zijde van [geïntimeerde] op € 218,83 aan verschotten en € 810,-- voor salaris voor de procureur;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het hoger beroep en begroot die tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellante] op € 286,16 aan verschotten en

€ 545,-- voor salaris voor de procureur;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mrs. Knijp, voorzitter, Bax-Stegenga en De Bock, raden, en uitgesproken door mr Mollema, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mevrouw Mellink als griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 29 oktober 2003.