Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2003:AN1271

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
08-10-2003
Datum publicatie
31-10-2003
Zaaknummer
WAHV 03-00646
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Brief van de betrokkene is ten onrechte aangemerkt als beroepschrift tegen de inleidende beschikking. Gelet op de expliciete inhoud van die brief kon deze niet anders worden verstaan dan als een verzetschrift. De officier van justitie had het ten onrechte bij hem ingediende verzetschrift behoren door te zenden aan de bevoegde rechtbank. Art. 6:15 Awb analoog toegepast. Doorzendplicht.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:4
Algemene wet bestuursrecht 6:15
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 26
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 26a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 03/00646

8 oktober 2003

CJIB 69048165347

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank te Utrecht

van 26 mei 2003

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [betrokkene]

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Utrecht ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. Uit het dossier blijkt, voor zover hier van belang, het volgende:

- op 19 januari 2002 is aan de betrokkene als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € Euro 81,68 opgelegd ter zake van "voor het motorrijtuig van 3500 kg of minder heeft het keuringsbewijs zijn geldigheid verloren", welke gedraging zou zijn verricht op 17 oktober 2001 te RDW Veendam (registercontrole);

- bij beschikking van 11 april 2002 is het bedrag van Euro € 81,68 met 25% verhoogd tot Euro€ 102,10;

- bij beschikking van 4 juni 2002 is het bedrag van €Euro 102,10 met 50% verhoogd tot Euro€ 153,15;

- op 31 juli 2002 is door de officier van justitie te Leeuwarden een dwangbevel uitgevaardigd;

- op 22 augustus 2002 is door deurwaarder Jongerius op verzoek van de officier van justitie te Leeuwarden voornoemd dwangbevel betekend;

- bij brief van 29 augustus 2002, gericht aan het arrondissementsparket en ingekomen aldaar op 2 september 2002, voert de betrokkene aan dat hij - op instigatie van de deurwaarder die bij hem op 22 augustus 2002 aan huis kwam - verzet aantekent "tegen de beschikking groot €Euro 153.15";

- bij voornoemde brief van 29 augustus 2002 zijn onder meer gevoegd het dwangbevel d.d. 31 juli 2002 van de officier van justitie te Leeuwarden en het exploit van betekening d.d. 22 augustus 2002 van deurwaarder Jongerius.

3.2. De brief van de betrokkene van 29 augustus 2002 is door de officier van justitie opgevat als een beroep tegen de inleidende beschikking. Op 11 oktober 2002 heeft de officier van justitie een beslissing genomen. De brief van 5 januari 2002 (het hof leest: 2003) van de betrokkene aan de officier van justitie is opgevat als een beroepschrift tegen die beslissing bij de rechtbank. De kantonrechter heeft het beroep ongegrond verklaard.

3.3. De brief van de betrokkene van 29 augustus 2002 kon, gelet op de expliciete inhoud, niet anders verstaan worden dan als een verzetschrift, gericht tegen de tenuitvoerlegging van het door de officier van Leeuwarden in het arrondissement Leeuwarden op 31 juli 2002 uitgevaardigde dwangbevel, op de voet van het in art. 26, derde lid, WAHV bepaalde.

3.4. De omstandigheid dat de brief van de betrokkene niet overeenkomstig voormeld lid van art. 26 WAHV gericht was aan de rechtbank waar het adres is van degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd, doch aan het parket van de officier van justitie te Utrecht, maakt het onder 3.3. overwogene niet anders. Ingevolge het bepaalde in art. 1:4, tweede lid, Awb is hoofdstuk 6 van de Awb op een procedure als de onderhavige van toepassing uitgesloten. Dat geldt derhalve ook voor het bepaalde in art. 6:15 Awb, dat een doorzendplicht bevat ten aanzien van bezwaar- en beroepschriften, ingediend bij een onbevoegd bestuursorgaan of een onbevoegde (administratieve) rechter. Echter, de wijze waarop de rechtsingang is geregeld in art. 26, derde lid, WAHV, vertoont gelijkenis met de wijze waarop de rechtsingang is geregeld in 9, eerste lid, WAHV. Niet valt in te zien, om welke reden een op grond van eerstgenoemd artikel bij een onbevoegd orgaan ingediend verzetschrift niet zou behoren te worden doorgezonden en een op gelijke wijze op grond van art. 9 WAHV ingediend beroepschrift ingevolge het bepaalde in art. 6:15 Awb wel. De officier van justitie te Utrecht had het ten onrechte door de betrokkene bij hem ingediende verzetschrift behoren door te zenden aan de bevoegde rechtbank, te weten de rechtbank te Utrecht.

3.5. De brief van de betrokkene van 29 augustus 2002 is derhalve ten onrechte aangemerkt als een beroep tegen de oplegging van de administratieve sanctie en ten onrechte is de daaraan verbonden rechtsgang gevolgd. De beslissing van de kantonrechter zal worden vernietigd en het hof zal de zaak terugwijzen naar de rechtbank te Utrecht, ten fine van behandeling van en beslissing op het verzet van de betrokkene tegen de tenuitvoerlegging van het door de officier van justitie te Leeuwarden op 31 juli 2002 uitgevaardigde dwangbevel.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de bestreden beslissing en wijst de zaak terug naar de rechtbank te Utrecht ter behandeling en beslissing met inachtneming van dit arrest;

bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van art. 11 WAHV tot zekerheid is gesteld, te weten een bedrag van € Euro 153,15 (hoofdsom) en een bedrag van Euro€ 128,53 (deurwaarderskosten) door de advocaat-generaal aan hem wordt gerestitueerd.

Dit arrest is gewezen door mrs. Dijkstra, Poelman en Van Dijk, in tegenwoordigheid van mr. Hiemstra als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.