Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2003:AM7760

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
24-10-2003
Datum publicatie
29-10-2003
Zaaknummer
BK 1216/02 Energiepremie
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2005:AU2797
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

3.1. Partijen houdt verdeeld het antwoord op de vraag of belanghebbendes verzoek om toekenning van energiepremie terecht is afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet belastingen op milieugrondslag 36
Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag 8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2003-2026
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 1216/02 24 oktober 2003

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, vijfde enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid grote ondernemingen van de belastingdienst te Groningen, onderdeel Team Energiepremies te Emmen (hierna: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van de belanghebbende tegen de hem door de inspecteur afgegeven beschikking inzake belanghebbendes verzoek om toekenning van energiepremie.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De belanghebbende heeft op 17 januari 2002 bij energiebedrijf A een verzoek om toekenning van energiepremie als bedoeld in artikel 36p, tweede lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag (: de Wet) ingediend. Op 22 februari 2002 heeft genoemd energiebedrijf dit verzoek afgewezen.

1.2. Bij brief, ingekomen bij de inspecteur op 1 maart 2002, heeft de belanghebbende zich gewend tot de inspecteur met het verzoek over het onder punt 1.1 bedoelde verzoek een uitspraak te doen. Bij beschikking met dagtekening 28 maart 2002 heeft de inspecteur belanghebbendes verzoek afgewezen.

1.3. Op het tijdig ingediende bezwaar van de belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van 22 april 2002 de onder punt 1.2 bedoelde beschikking gehandhaafd.

1.4. De belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift (met bijlagen), dat op 8 mei 2002 bij het gerechtshof is ingekomen.

1.5. De inspecteur heeft op 2 juli 2002 een verweerschrift (met bijlagen) bij het gerechtshof ingediend.

1.6. Op 30 juli 2003 is van de belanghebbende een schrijven (met bijlage) ingekomen bij het gerechtshof.

1.7. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van het gerechtshof op 14 augustus 2003 te Groningen, alwaar de belanghebbende alsmede de inspecteur aanwezig waren.

1.8. Van de inspecteur is, zoals ter zitting afgesproken, op 18 augustus 2003 een kopie van een uitspraak van het Hof Den Haag bij het gerechtshof ingekomen.

1.9. Het gerechtshof heeft in deze zaak op 28 augustus 2003 in het openbaar mondeling uitspraak gedaan, waarvan het proces-verbaal bij aangetekend schrijven, ter post bezorgd op 2 september 2003, aan partijen is verzonden.

1.10. Bij schrijven ingekomen op 8 september 2003 heeft de inspecteur op de wijze als bedoeld in artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen verzocht vorenbedoelde uitspraak te vervangen door een schriftelijke.

1.11. De griffier heeft de inspecteur bij aangetekend schrijven, ter post bezorgd op 12 september 2003, gewezen op het verschuldigde griffierecht en de inspecteur heeft vervolgens op 26 september 2003 dat griffierecht voldaan.

1.12. Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:

2.1. Op 26 november 2001 is aan de recreatiewoning, die bij de belanghebbende in eigendom is en niet permanent bewoond mag worden, door B Kunststofkozijnen 10,70 vierkante meter HR ++ glas aangebracht.

2.2. In verband met de aangebrachte energiebesparende voorziening aan zijn recreatiewoning heeft de belanghebbende op 17 januari 2002 bij energiebedrijf A een verzoek om toekenning van energiepremie als bedoeld in artikel 36p, tweede lid, van de Wet ingediend. Door genoemd energiebedrijf wordt aan belanghebbendes woning aardgas geleverd, waarvoor de belanghebbende rechtstreeks een afrekening ontvangt.

2.3. Op 22 februari 2002 heeft het energiebedrijf het verzoek om toekenning van energiepremie afgewezen. Het energiebedrijf heeft als reden aangegeven dat de voorziening niet is geplaatst in een voor permanente bewoning bestemde woning.

2.4. De belanghebbende heeft zich op 1 maart 2002 gewend tot de inspecteur met het verzoek over het onder punt 2.3 bedoelde verzoek een uitspraak te doen. Bij beschikking d.d. 28 maart 2002 heeft de inspecteur belanghebbendes verzoek (eveneens) afgewezen. Op het bezwaar van de belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak deze beschikking gehandhaafd.

3. Het geschil en de standpunten van partijen

3.1. Partijen houdt verdeeld het antwoord op de vraag of belanghebbendes verzoek om toekenning van energiepremie terecht is afgewezen.

3.2. De belanghebbende is - kort gezegd - van mening dat, nu hij een energiebesparende voorziening heeft aangebracht aan zijn recreatiewoning, aan hem energiepremie dient te worden toegekend.

3.3. De inspecteur huldigt de opvatting dat de belanghebbende geen aanspraak kan maken op energiepremie, omdat geen sprake is van een voor permanente bewoning bestemde woning.

3.4. Ter zitting hebben partijen aangegeven dat de hoogte van de door de belanghebbende gevraagde energiepremie ad € 291,-- niet in geschil is.

3.5. Voor een uitgebreide weergave van de standpunten van partijen en de gronden waarop deze berusten verwijst het hof naar de van partijen afkomstige stukken alsmede het proces-verbaal van de zitting.

4. De overwegingen omtrent het geschil

4.1. Met ingang van 1 januari 2000 kan ingevolge de Wet een huishouden een energiepremie verwerven indien een energiezuinig apparaat wordt aangeschaft of een energiebesparende maatregel aan de woning wordt getroffen. Met de invoering van deze positieve prikkels voor huishoudens wordt beoogd burgers te stimuleren om energiezuinige apparaten aan te schaffen en om energiebesparende voorzieningen aan de woning aan te brengen (Kamerstukken II 1998/99, 26 532, nr. 3, blz. 1-2).

4.2. Uit artikel 36p, tweede lid, van de Wet volgt dat het energiebedrijf de energiepremie alleen kan toekennen indien degene die ter zake van de aanschaf van niet eerder gebruikte energiezuinige apparaten of energiebesparende voorzieningen om toekenning van energiepremie heeft verzocht, de eigenaar, de huurder of de verhuurder van een als woning gebruikte onroerende zaak is, waaraan het energiebedrijf aardgas of elektriciteit levert.

4.3. Artikel 8n, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling Belastingen op Milieugrondslag (: de Urbm) bepaalt dat het verzoek om toekenning van energiepremie wordt gedaan bij het energiebedrijf dat aardgas of elektriciteit levert aan de als woning gebruikte onroerende zaak ten behoeve waarvan het apparaat of de voorziening is aangeschaft.

4.4. Volgens de toelichting op artikel 36p van de Wet worden door het gebruik van de term "als woning gebruikte onroerende zaak" voorzieningen die zijn aangebracht aan bedrijfsmatig gebruikte gebouwen uitgesloten van de regeling (Kamerstukken II 1998/99, 26 532, nr. 3, blz. 9-10).

4.5. Vaststaat dat de belanghebbende een energiebesparende maatregel aan zijn recreatiewoning heeft aangebracht en dat hij in verband hiermee bij het energiebedrijf dat aardgas aan zijn woning levert, een verzoek om toekenning van energiepremie heeft ingediend. Deze vaststaande feiten kunnen, gelet op hetgeen hiervoor onder de punten 4.1 tot en met 4.4 is overwogen, naar het oordeel van het gerechtshof tot geen andere conclusie leiden dan dat aan de belanghebbende energiepremie dient te worden toegekend. Met betrekking tot het standpunt van de inspecteur overweegt het gerechtshof dat noch in de Wet en de daarop gebaseerde Urbm, noch in de voor het jaar 2001 opgestelde in een brochure opgenomen Regeling Energiepremie is bepaald dat alleen energiepremie kan worden uitgekeerd indien sprake is van een voor permanente bewoning bestemde woning. Ook de wetsgeschiedenis biedt geen steun aan de zienswijze van de inspecteur. Het gerechtshof overweegt voorts dat de bepalingen, opgenomen in het tussen de staat en de energiebedrijven gesloten Convenant energiepremies en de daarop berustende Regeling Energiepremie, geen inbreuk kunnen maken op de Wet en de Urbm. Hierbij merkt het gerechtshof op dat energiebedrijven bij de uitvoering van de energiepremieregeling weliswaar aanvullende voorwaarden kunnen stellen, doch deze kunnen slechts betrekking hebben op administratieve en technische voorschriften die gehanteerd worden. De aanvullende voorwaarden kunnen geen betrekking hebben op inhoudelijke voorschriften (Handelingen II, 11 november 1999, blz. 21-1602 lk).

4.6. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat aan de belanghebbende energiepremie ten bedrage van € 291,-- dient te worden toegekend.

5. De proceskosten

In de omstandigheden van het geval vindt het gerechtshof aan-lei-ding op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuurs-recht de inspecteur te veroordelen in de kos-ten, die de belang-hebbende in verband met de behande-ling van het beroep redelij-kerwijs heeft moeten maken. Op grond van het Besluit proces-kosten bestuursrecht bepaalt het gerechtshof deze kosten op € 60,-- ter zake van reis- en verletkosten. Deze kosten dienen te worden gedragen door de Staat der Nederlanden.

6. De beslissing

Het gerechtshof

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de uitspraak waarvan beroep;

wijst het verzoek om toekenning van energiepremie voor een bedrag van € 291,-- toe;

gelast dat de inspecteur het door de belanghebbende betaalde griffierecht ad € 29,-- aan hem vergoedt;

veroordeelt de inspecteur tot betaling van een tegemoetkoming in de proceskosten ten bedrage van € 60,-- en

wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon die deze kosten dient te dragen

Aldus vastgesteld op 24 oktober 2003 door mr. Van der Meer, raadsheer, plaatsvervangend lid van de vijfde enkelvoudige belastingkamer en op die dag in het openbaar uitgesproken te Leeuwarden door voornoemde raadsheer in tegenwoordigheid van de griffier mr. Hiemstra en ondertekend door voornoemde raadsheer en voornoemde griffier.

Op 29 oktober 2003 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.