Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2003:AM2915

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
22-10-2003
Datum publicatie
23-10-2003
Zaaknummer
Rolnummer 9900384
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zelfs indien echter - veronderstellenderwijs - zou worden aangenomen dat aan alle vereisten voor onrechtmatig handelen jegens de gemeente is voldaan, is het hof van oordeel dat in het onderhavige geval de gemeente haar vordering niet op grond van art. 6:162 BW - met voorbijgaan aan art. 75 lid 1 Wbb - kan verhalen op [geïntimeerde]. Het hof overweegt daartoe dat, indien zulks wel mogelijk zou zijn, de ongerijmde situatie ontstaat dat de algemene regel van art. 6:162 BW de overheid méér bevoegdheden zou geven, dan het speciaal voor het verhaal van saneringskosten door de overheid geschreven art. 75 Wbb, dat in casu immers niet toepasbaar is omdat niet voldaan is aan de vereisten van dat artikel.

Wetsverwijzingen
Wet bodembescherming
Wet bodembescherming 13
Wet bodembescherming 75
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2004, 63
Milieurecht Totaal 2003/656
JBO 2005/297
JM 2004/21 met annotatie van Bos
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 22 oktober 2003

Rolnummer 9900384

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de vierde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

de gemeente Bedum,

zetelende te Bedum,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: de gemeente,

procureur: mr J.V. van Ophem,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

procureur: mr B. Delhaye.

De inhoud van het tussenarrest d.d. 15 januari 2003 wordt hier overgenomen.

Het verdere procesverloop

Ingevolge het tussenarrest heeft de gemeente een akte genomen, waarna [geïntimeerde] een antwoord-akte heeft genomen.

Vervolgens hebben partijen de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest.

De verdere beoordeling

1. In het tussenarrest van 15 januari 2003 heeft het hof de gemeente in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de vraag of sprake is geweest van een geval van ernstige bodemverontreiniging als bedoeld in art. 75 Wbb.

2. In haar akte heeft de gemeente zich op het standpunt gesteld dat de mate van bodemverontreiniging niet van belang is, aangezien het gaat om een verontreiniging die is ontstaan ná 1 januari 1987. Op grond van de circulaire "Streefwaarden en interventiewaarden bodemsanering" d.d. 4 februari 2000 moet worden aangenomen dat voor een dergelijke verontreiniging geldt het bepaalde in art. 13 Wbb. Op grond van het laatstegenoemde artikel geldt te allen tijde een saneringsplicht, ongeacht de omvang van de verontreiniging, aldus de gemeente.

3. Het hof overweegt hierover het volgende.

Art. 75 lid 1 Wbb stelt als voorwaarde voor kostenverhaal op de voet van dat artikel dat het moet gaan om een geval van ernstige verontreiniging. Art. 1 Wbb definieert een geval van ernstige bodemverontreiniging als volgt: "geval van verontreiniging waarbij de bodem zodanig is of dreigt te worden verontreinigd, dat de functionele eigenschappen die de bodem voor mens, plant of dier heeft, ernstig zijn of dreigen te worden verminderd."

Voor wat betreft de uitwerking van het begrip "ernstige verontreiniging" is een amvb op grond van art. 36 Wbb in het vooruitzicht gesteld, doch art. 36 is nog niet in werking getreden en de bedoelde amvb is er evenmin. Terzake zijn verschillende uitvoeringsregelingen van toepassing.

Naar het oordeel van het hof kan art. 75 lid 1 Wbb niet anders worden begrepen, dan dat kostenverhaal op grond van dit artikel slechts mogelijk is indien sprake is van een geval van ernstige verontreiniging.

4. Voor wat betreft het door de gemeente gemaakte onderscheid tussen verontreiniging van voor en na 1 januari 1987 - de datum van inwerkingtreding van de Wbb - overweegt het hof dat dit primair van belang is voor de vraag op wie de plicht tot sanering ligt. Voor nieuwe gevallen - van na 1 januari 1987 - geldt dat het de veroorzaker van de verontreiniging is die, naast een meldingsplicht (art. 27 Wbb), primair de plicht heeft tot sanering c.q. de gevolgen van de verontreiniging zoveel mogelijk te beperken dan wel ongedaan te maken (art. 13 Wbb). Daarbij is dan niet van belang of al dan niet sprake is van een ernstige verontreiniging.

Voor wat betreft de toepasselijkheid van art. 75 Wbb doet echter niet ter zake of de verontreiniging is ontstaan voor of zoals in casu na 1 januari 1987.

5. Nu de gemeente - hoewel het hof daarom had verzocht - heeft nagelaten op basis van feiten of omstandigheden aan te tonen dat het hier ging om een geval van ernstige bodemverontreiniging als bedoeld in art. 75 lid 1 Wbb, houdt het hof het erop dat in het onderhavige geval géén sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Bij het ontbreken van een feitelijke onderbouwing kan immers niet worden gekomen tot de kwalificatie van de betreffende verontreiniging als "ernstig". Het hof ziet geen aanleiding de gemeente toe te laten tot nadere bewijsvoering op dit punt, en evenmin om een deskundige te raadplegen, nu in het tussenarrest duidelijk is aangegeven dat de vordering van de gemeente, voor zover gebaseerd op art. 75 lid 1 Wbb, zal worden afgewezen indien de gemeente niet antoont dat sprake was van ernstige bodemverontreiniging, en de gemeente thans nalaat feiten of omstandigheden te dezer zake te stellen die - indien weersproken door de wederpartij - zich lenen voor een bewijslevering of onderzoek door deskundigen.

Het hof zal de vordering van de gemeente, voor zover gebaseerd op dit artikel, dan ook afwijzen.

6. Vervolgens is aan de orde of de gemeente buiten art. 75 lid 1 Wbb om, op grond van art. 6:162 BW [geïntimeerde] kan aanspreken. Het hof overweegt hierover het volgende.

Uitgangspunt is dat art. 75 lid 1 Wbb geen nieuwe - naast de civielrechtelijke onrechtmatige daadsactie bestaande - aansprakelijkheidsgrond in het leven roept (NJ 1991, 462), in die zin dat genoemd artikel éérder aansprakelijkheid zou vestigen dan zou gelden bij het ontbreken van de bepaling als art. 75 lid 1 Wbb. In dit licht is er naar het oordeel van het hof geen aanleiding om in zijn algemeenheid aan te nemen dat art. 75 Wbb in de weg staat aan een vordering tot verhaal van saneringskosten enkel op grond van onrechtmatige daad.

7. Zelfs indien echter - veronderstellenderwijs - zou worden aangenomen dat aan alle vereisten voor onrechtmatig handelen jegens de gemeente is voldaan, is het hof van oordeel dat in het onderhavige geval de gemeente haar vordering niet op grond van art. 6:162 BW - met voorbijgaan aan art. 75 lid 1 Wbb - kan verhalen op [geïntimeerde]. Het hof overweegt daartoe dat, indien zulks wel mogelijk zou zijn, de ongerijmde situatie ontstaat dat de algemene regel van art. 6:162 BW de overheid méér bevoegdheden zou geven, dan het speciaal voor het verhaal van saneringskosten door de overheid geschreven art. 75 Wbb, dat in casu immers niet toepasbaar is omdat niet voldaan is aan de vereisten van dat artikel.

Zeker nu uit de wetsgeschiedenis blijkt dat onder ogen is gezien dat een verhaalsactie op grond van art. 75 Wbb beperkt is tot gevallen van ernstige bodemverontreiniging (EK 1992-1993, 21 556, nr. 226b, p. 17), terwijl anderzijds, onafhankelijk van de mate van verontreiniging, de zorgplicht (c.q. saneringsplicht) van art. 13 Wbb altijd geldt, is in dat opzicht kennelijk een zekere discrepantie tussen beide bepalingen aanvaard.

Tegen deze achtergrond is het hof van oordeel dat een verruiming van het kostenverhaal ex art. 75 Wbb door toepassing van het gemene civiele recht, onaanvaardbaar moet worden geacht. Dit geldt te meer nu de speciale, op het kostenverhaal door de overheid betrekking hebbende, regel van art. 75 lid 1 Wbb, van recenter datum is dan die van art. 6:162 Bw.

7.1 Volledigheidshalve overweegt het hof nog dat omtrent een eigenaarsbelang van de gemeente niets gesteld of gebleken. Evenmin is gebleken dat de eigenaren van het perceel [gesaneerde perceel] - het gesaneerde perceel - een mogelijke vordering op [geïntimeerde] hebben gecedeerd aan de gemeente. De gemeente heeft in de inleidende dagvaarding nog melding gemaakt van verontreiniging van het riool. Uit de stukken blijkt echter in onvoldoende mate dat de thans gevorderde saneringskosten (ook) betrekking hebben op schade, of de voorkoming van de schade, aan de - mogelijk eigendom van de gemeente zijnde - riolering.

8. Meer subsidiair heeft de gemeente zich beroepen op zaakwaarneming. Het hof overweegt hierover het volgende. Nog afgezien van de vraag of in het onderhavige geval gesproken kan worden van het zich op redelijke grond inlaten met de behartiging van eens anders belang, alsmede in het midden latend - bij bevestigende beantwoording van de vorige vraag - of de gemeente al dan niet handelde op grond van een bevoegdheid die zij ontleende aan een tussen haar en de [belanghebbende] tot stand gekomen rechtshandeling (afspraak), leidt zaakwaarneming nog niet tot een grondslag voor kostenverhaal op anderen dan de belanghebbende, i.c. [belanghebbende]; de wet biedt geen grondslag voor kostenverhaal op derden.

Hierop stuit de vordering van de gemeente, gebaseerd op zaakwaarneming, af.

9. Uiterst subsidiair heeft de gemeente zich beroepen op ongerechtvaardigde verrijking, op de voet van art. 75 lid 3 Wbb jo. art. 6:212 BW. Het hof overweegt hierover het volgende.

Als vereiste voor het ontstaan van een verbintenis op grond van ongerechtvaardigde verrijking is in de eerste plaats vereist dat sprake is van verrijking van de ene partij, waartegenover verarming (schade) van de wederpartij staat. Volgens de gemeente zou, tegenover een verarming aan haar zijde, van verrijking van [geïntimeerde] sprake zijn, omdat de gemeente de kosten van de sanering heeft voldaan, die eigenlijk [geïntimeerde] had moeten dragen indien de [belanghebbende] deze van hem had gevorderd.

Nog daargelaten de thans niet aan de orde zijnde vraag of die vordering wel zou slagen in het onderhavige geval, is echter niet gebleken dat [geïntimeerde] op enig moment door de [belanghebbende] aansprakelijk is gesteld voor de schade, zodat alleen al daarom niet vaststaat dat [geïntimeerde] schadeplichtig is jegens hen. Derhalve is er naar het oordeel van het hof geen sprake van verrijking van [geïntimeerde].

Volledigheidshalve zij nog overwogen dat geen sprake is van een sanering van de eigen grond van [geïntimeerde].

Ook op deze grondslag kan de vordering van de gemeente derhalve niet worden toegewezen.

De slotsom

10. De grieven falen. Het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd met veroordeling van de gemeente als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding in hoger beroep.

Beslist wordt als volgt.

De beslissing

het gerechtshof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt de gemeente Bedum in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die aan de zijde van [geïntimeerde] tot aan deze uitspraak op Euro 558,18 aan verschotten en Euro 1.927,50 voor salaris voor de procureur.

Aldus gewezen door mrs. Knijp, voorzitter, Bax-Stegenga en De Bock, raden, en uitgesproken door mr Streppel, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van de heer Bilstra als griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 22 oktober 2003.