Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2003:AL8338

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
10-10-2003
Datum publicatie
14-10-2003
Zaaknummer
24-000114-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Na de uitspraak in eerste aanleg door de kantonrechter in de rechtbank te Groningen op 28 januari 2003 en vóór de behandeling door de enkelvoudige kamer van het hof op 26 september 2003 is artikel 22, vierde lid, van de Jachtwet vervangen door artikel 9 van de Flora- en faunawet. Daardoor heeft het delict dat verdachte ten laste wordt gelegd de status gekregen van een economische delict (vergelijk artikel 1a, sub 2, van de Wet op de Economische Delicten).

Wetsverwijzingen
Jachtwet 22
Wet op de economische delicten
Flora- en faunawet 9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-000114-03

Arrest d.d. 10 oktober 2003 van het gerechtshof te Leeuwarden, enkelvoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank te Groningen d.d. 28 januari 2003 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman,

mr. P.H.F. Yspeert, advocaat te Groningen.

Het vonnis waarvan beroep.

De kantonrechter in de rechtbank te Groningen heeft de verdachte bij voormeld vonnis, voor zover aan hoger beroep onderworpen, op tegenspraak wegens overtredingen veroordeeld tot straffen, één en ander als in het vonnis nader omschreven.

Aanwending van het rechtsmiddel.

De officier van justitie is d.d. 30 januari 2003 op de voorgeschreven wijze en tijdig van voormeld vonnis in hoger beroep gekomen en heeft blijkens een op 15 april 2003 uitgereikt gerechtelijk schrijven het ingestelde hoger beroep aan verdachte betekend.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft gelet op het onderzoek ter 's hofs terechtzitting van 26 september 2003 en op het onderzoek in eerste aanleg als voorgeschreven bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering.

Omvang van het aangewende rechtsmiddel.

Nu de advocaat-generaal ter 's hofs terechtzitting heeft verklaard, dat het openbaar ministerie geen hoger beroep heeft willen instellen tegen de in het vonnis, waarvan beroep, vervatte veroordeling ter zake van het onder 2 telastegelegde, zal het hof het hoger beroep in dier voege beperkt opvatten.

Ambtshalve overweging inzake de bevoegdheid.

Na de uitspraak in eerste aanleg door de kantonrechter in de rechtbank te Groningen op 28 januari 2003 en vóór de behandeling door de enkelvoudige kamer van het hof op 26 september 2003 is artikel 22, vierde lid, van de Jachtwet vervangen door artikel 9 van de Flora- en faunawet. Daardoor heeft het delict dat verdachte ten laste wordt gelegd de status gekregen van een economische delict (vergelijk artikel 1a, sub 2, van de Wet op de Economische Delicten). Krachtens het bepaalde in artikel 1, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht dient het hof deze procesrechtelijke regelverandering, die de rechterlijke bevoegdheid in strafzaken regardeert, toe te passen, nu een overgangsbepaling van een andere strekking ontbreekt. Het hof heeft derhalve te oordelen op basis van de ten tijde van de behandeling door het hof vigerende procesrechtelijke regels.

Die regeling nu heeft tot gevolg dat de zaak in hoger beroep zou moeten worden behandeld door de meervoudige economische kamer van het hof. Daaraan staat echter in de weg dat artikel 64 van de Wet op de rechterlijke organisatie voornoemde economische kamer bij uitsluiting bevoegd verklaart om zaken te behandelen waarin door de economische kamer van de rechtbank vonnis is gewezen. Aan laatstgenoemde voorwaarde is niet voldaan. Waar derhalve het moment waarop het hof de zaak behandeld verbindend wordt geacht, ontstaat een ongerijmde situatie. Het hof geeft er daarom de voorkeur aan om verbindend te achten welke status het delict had op het moment waarop de verdachte handelde. Steun voor die opvatting is te vinden in de uitspraak van de Hoge Raad van 9 april 1985, NJ 1985, 857, waarin de Hoge Raad de economische politierechter onbevoegd achtte omdat verdachte oorspronkelijk werd vervolgd voor een commuun delict. Een en ander brengt mee dat (de enkelvoudige kamer van) het hof zich in casu bevoegd acht.

De beslissing op het hoger beroep.

Het hof zal het vonnis, waarvan beroep, voor zover aan hoger beroep onderworpen, vernietigen en in zoverre opnieuw recht doen.

Telastelegging.

Aan dit arrest is gehecht een fotokopie van de inleidende dagvaarding, waaruit de -als voor dit hoger beroep van belang- onder 1 vermelde inhoud van de telastelegging geacht moet worden hier te zijn overgenomen.

Vrijspraak.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aldus onder 1 aan verdachte is telastegelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.

De uitspraak.

HET HOF,

RECHTDOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, voor zover aan hoger beroep onderworpen, en in zoverre opnieuw rechtdoende:

verklaart het verdachte als voormeld onder 1 telastegelegde niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. Wedzinga, in tegenwoordigheid van Braam als griffier.