Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2003:AL6333

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
01-10-2003
Datum publicatie
02-10-2003
Zaaknummer
Rolnummer 0000208
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In essentie betoogt [appellant] in hoger beroep dat een goede grond voor toewijzing van hetgeen [geïntimeerde] heeft gevorderd, ontbreekt, nu [geïntimeerde] zou zijn tekort geschoten in diens taak als raadsman op het punt van de vaststelling van de vermogenspositie van [appellant] en [geïntimeerde] voorts heeft nagelaten met [appellant] deugdelijk overleg te voeren over de consequenties van die vermogenspositie. Meer in het bijzonder stelt [appellant] dat hij (destijds) meerdere schulden had (of ook thans nog heeft), waaromtrent [geïntimeerde] zich niet heeft geïnformeerd, terwijl het gestelde bestaan van die schulden wél van invloed was op de mogelijkheid om gebruik te maken van kosteloze rechtsbijstand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 1 oktober 2003

Rolnummer 0000208

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de vierde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [appellant],

toevoeging,

procureur: mr P.R. van den Elst,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiser,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

procureur: mr G. Kaaij.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op 25 juni 1999 en 10 maart 2000 door de rechtbank te Groningen.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 5 juni 2000 is door [appellant] hoger beroep ingesteld van de genoemde vonnissen met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 14 juni 2000.

De conclusie van de memorie van grieven luidt:

"de vonnissen van de arrondissementsrechtbank Groningen van 25 juni 1999 en 10 maart 2000 tussen appellant als gedaagde en geïntimeerde als eiser gewezen, te vernietigen en opnieuw rechtdoende, desnoods onder verbetering en aanvulling van gronden, geïntimeerde in zijn vordering niet ontvankelijk te verklaren, althans hem deze te ontzeggen, met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide instanties."

Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerde] verweer gevoerd met als conclusie:

"appellant in zijn hoger beroep niet ontvankelijk te verklaren, dan wel het hoger beroep als ongegrond af te wijzen, met bevestiging van de bestreden vonnissen d.d. 25 juni 1999 en 10 maart 2000, met veroordeling van appellant in de kosten van beide instantiën."

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellant] heeft drie grieven opgeworpen.

De beoordeling

1. Nu [appellant] geen grieven heeft gericht tegen het vonnis d.d. 25 juni 1999, zal hij in het beroep van dat vonnis niet-ontvankelijk worden verklaaard.

Met betrekking tot de grieven I en II:

2. In essentie betoogt [appellant] in hoger beroep dat een goede grond voor toewijzing van hetgeen [geïntimeerde] heeft gevorderd, ontbreekt, nu [geïntimeerde] zou zijn tekort geschoten in diens taak als raadsman op het punt van de vaststelling van de vermogenspositie van [appellant] en [geïntimeerde] voorts heeft nagelaten met [appellant] deugdelijk overleg te voeren over de consequenties van die vermogenspositie. Meer in het bijzonder stelt [appellant] dat hij (destijds) meerdere schulden had (of ook thans nog heeft), waaromtrent [geïntimeerde] zich niet heeft geïnformeerd, terwijl het gestelde bestaan van die schulden wél van invloed was op de mogelijkheid om gebruik te maken van kosteloze rechtsbijstand.

3. Het betoog van [appellant] stuit reeds af op hetgeen hij op 25 juni 1993 - bij gelegenheid van een comparitie van partijen - heeft verklaard omtrent de bestanddelen van de destijds bestaand hebbende huwelijksgoederengemeenschap waarvan hij deelgenoot was, in welke door [appellant] ondertekende verklaring niet wordt gerept van de thans door hem gestelde schulden, ofschoon deze schulden naar zijn zeggen zijn ontstaan in een periode (ruim) voorafgaand aan bedoelde comparitie. [appellant] heeft de echtheid van het in afschrift overgelegde proces-verbaal van de comparitie niet bestreden. De thans door [appellant] geproduceerde schriftelijke bewijsstukken van het bestaan van bedoelde schulden - welke bewijsstukken overigens alle van de hand van [appellant] zijn - zijn inhoudelijk ten enenmale ontoereikend om het hof tot de overtuiging te brengen dat de ware vermogenstoestand van [appellant] destijds afweek van hetgeen blijkt uit het ten overstaan van de rechter-commissaris opgestelde en door [appellant] ondertekende proces-verbaal van de comparitie. Ook in hoger beroep heeft [appellant] geen toereikende feiten of omstandigheden gesteld die, indien zij juist zouden zijn, kunnen leiden tot het oordeel dat de vermogenstoestand van [appellant] destijds was zoals hij thans ingang wil doen vinden. Aan het ongespecifieerde bewijsaanbod in hoger beroep zal worden voorbijgegaan.

4. Doch ook overigens zou [appellant] niet in zijn verweer tegen het gevorderde kunnen worden gevolgd. Immers bestaat tussen een advocaat en zijn cliënt een (in casu wederkerige) overeenkomst van opdracht, en - thans strikt veronderstellenderwijs - uitgaande van een tekortkoming aan de zijde van de advocaat in de nakoming van diens verplichtingen, kan de cliënt zich niet van rechtswege bevrijd achten van zijn contractuele plicht tot contrapresteren, doch dient hij - in conventie bij wege van verweer, dan wel buitengerechtelijk of in reconventie - zich op de ontbindingsgrond te beroepen c.q. op die grond over te gaan tot (het vorderen van) ontbinding van de overeenkomst (zie bijvoorbeeld HR 19-2-88, NJ 89,343). Van dit een en ander is evenwel in de procedure niet gebleken, zodat ook reeds daarom het verweer van [appellant] tegen het door [geïntimeerde] gevorderde faalt. In dit licht kan verder in het midden blijven of [geïntimeerde], gelet op art. 8 van de Gedragsregels voor Advocaten 1992 en de daaraan door de tuchtrechter gegeven uitleg, zorgvuldig heeft gehandeld.

5. De grieven I en II missen reeds hierom doel, en behoeven verder geen bespreking.

Met betrekking tot grief III:

6. In grief III voert [appellant] aan dat hij - anders dan de rechtbank heeft overwogen - de declaratie van [geïntimeerde] "impliciet" heeft betwist. Zoals de grief moet worden begrepen, keert [appellant] zich daarin tegen de toewijzing van zowel de hoofdsom, als van de buitengerechtelijke kosten en de wettelijke rente.

7. Voorzover de grief is gebaseerd op het bestaan van de door [appellant] gestelde schulden, mist zij doel op de gronden als boven weergegeven. Voor het overige bevat de grief niet zodanige concrete stellingen, dat daarmee sprake is van een inhoudelijk gemotiveerde grief tegen de beroepen uitspraak of enig onderdeel daarvan, en evenmin blijkt overigens uit de stukken van een toereikende onderbouwing van de in de grief vervatte klacht. Het opdragen van bewijs is derhalve niet aan de orde.

8. Mitsdien mist ook grief III doel.

9. Waar alle grieven falen, luidt de slotsom dat het vonnis d.d. 10 maart 2000 zal worden bekrachtigd, onder veroordeling van [appellant] in de kosten van het hoger beroep.

10. Hetgeen partijen voorts nog te berde hebben gebracht, kan als in het voorgaande reeds vervat dan wel als niet terzake dienende, buiten bespreking blijven.

De beslissing

Het gerechtshof:

verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in diens beroep tegen het vonnis d.d. 25 juni 1999;

bekrachtigt het vonnis d.d. 10 maart 2000, waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] te begroten op Euro 215,55 aan verschotten en Euro 545,-- voor salaris.

Aldus gewezen door mrs. Knijp, voorzitter, Bax-Stegenga en De Bock, raden, en uitgesproken door mr Mollema, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van de heer Bilstra als griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 1 oktober 2003.