Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2003:AL6273

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
01-10-2003
Datum publicatie
02-10-2003
Zaaknummer
Rekestnummer 0300079
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De stichting stelt zich evenwel op het standpunt dat [appellanten], nu hij zichzelf met -kort gezegd- het door de stichting in haar verweerschrift sub 3 reeds aangegeven gedrag als fatsoenlijk bestuurslid volledig heeft gediskwalificeerd, hetgeen ook heeft geleid tot zijn ontslag als bestuurslid, om die reden een beroep op zijn bestuurslidmaatschap niet meer toekomt en hij (ook) op die grond niet meer als belanghebbende kan worden aangemerkt.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2
Burgerlijk Wetboek Boek 2 299
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2003/277
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 1 oktober 2003

Rekestnummer 0300079

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

beschikking in de zaak van

1 [appellant 1]

wonende te [woonplaats]

2. [appellant 2]

wonende te [woonplaats]

3. [appellant 3]

wonende te [woonplaats]

4. [appellant 4]

wonende te [woonplaats]

5. [appellant 5]

wonende te [woonplaats]

6. [appellant 6]

wonende te [woonplaats]

7. [appellant 7]

wonende te [woonplaats]

8. [appellant 8]

wonende te [woonplaats]

9. [appellant 9]

wonende te [woonplaats]

10. [appellant 10]

wonende te [woonplaats]

11. [appellant 11]

wonende te [woonplaats]

12. [appellant 12]

wonende te [woonplaats]

13. [appellant 13]

wonende te [woonplaats]

14. [appellant 14]

wonende te [woonplaats]

15. [appellant 15]

wonende te [woonplaats]

16. [appellant 16]

wonende te [woonplaats]

appellanten in principaal appèl,

geïntimeerden in voorwaardelijk incidenteel appèl,

procureur mr. P.R. van den Elst

advocaat mr. K. van Bladeren

tegen

[stichting]

gevestigd te [vestigingsplaats],

hierna te noemen: de stichting,

geïntimeerde in principaal appèl,

appellante in voorwaardelijk incidenteel appèl,

procureur mr. P.H. Redeker

advocaat mr. J. de Boer Azn.

Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking van 6 december 2002 heeft de rechtbank te Groningen, voor zover hier van belang, appellanten in principaal appèl sub 2 tot en met 16 in hun verzoek om uit de aangehechte lijst met kandidaten twee personen te kiezen en te benoemen tot bestuurder van de [stichting], gevestigd te [vestigingsplaats], niet-ontvankelijk verklaard en het gelijkluidend verzoek van appellant in principaal appèl sub 1 afgewezen.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 6 maart 2003, hebben appellanten in principaal appèl verzocht de beschikking van de rechtbank Groningen van 6 december 2002 te vernietigen en opnieuw rechtdoende uit de in eerste aanleg aangehechte lijst met kandidaten twee, en voor het geval [zittende bestuurder] inmiddels blijkt te zijn afgetreden, drie personen te kiezen en te benoemen tot bestuurder van de [stichting], met veroordeling van geïntimeerde in principaal appèl in de kosten van deze procedure in beide instanties.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 14 april 2003, heeft de stichting het verzoek bestreden en verzocht appellanten in principaal appèl niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel hun verzoek in appèl af te wijzen met bevestiging - voor zover mogelijk onder verbetering van de gronden- van de beschikking van de rechtbank Groningen van 6 december 2002, waarvan beroep.

Tevens heeft de stichting bij voormeld verweerschrift voorwaardelijk incidenteel appèl ingesteld en verzocht de beschikking van de rechtbank Groningen van 6 december 2002 te vernietigen voor zover daarin is beslist dat verzoeker sub 1, [appellant 1], in zijn verzoek kan worden ontvangen en voor zover door de rechtbank is geoordeeld dat het aantal bestuursleden dat bij de oprichting is benoemd als het statutair voorgeschreven bestuur heeft te gelden, met zodanige verdere beslissing als het hof zal vermenen te behoren en met instandhouding van de ten deze beroepen uitspraak van de rechtbank Groningen voor het overige,

een en ander met veroordeling van de principaal appellanten -hoofdelijk- in de kosten van deze procedure in hoger beroep.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 6 mei 2003, hebben geïntimeerden in voorwaardelijk incidenteel appèl het verzoek in voorwaardelijk incidenteel appèl bestreden en verzocht de grieven van incidenteel appellante ongegrond te verklaren en het verzoek van incidenteel appellante af te wijzen met veroordeling van incidenteel appellante in de kosten van het incidenteel appèl.

Ter zitting van 7 augustus 2003 is de zaak behandeld.

De beoordeling

De vaststaande feiten

1. Nu geen grieven zijn aangevoerd tegen de door de rechtbank Groningen in haar beschikking van 6 december 2002 in rechtsoverweging 1 onder Feiten weergegeven vastgestelde feiten, behoudens ten aanzien van de onder b. weergegeven vaststelling met betrekking tot artikel 4 lid 4 waartegen grief 2 is gericht, zal ook het hof in hoger beroep van die feiten uitgaan.

2. Tevens is in hoger beroep als enerzijds gesteld en anderzijds onvoldoende

weersproken -voor zover hier van belang- nog het volgende komen vast te staan:

e. bij beschikking van 31 mei 2002 heeft de rechtbank te Groningen op het daartoe strekkende verzoek van [verzoeker in eerdere zaak] [appellant 1] ontslagen als bestuurder van de stichting, welke beschikking door het hof te Leeuwarden is bekrachtigd bij beschikking van 7 mei 2003;

f. zowel ten tijde van het indienen van het beroepschrift in deze (6 maart 2003) door appellanten in principaal appèl, onder wie [appellant 1], als op het moment van de behandeling van deze zaak ter zitting van het hof (7 augustus 2003) had de hiervoor genoemde (ontslag)beschikking (nog) geen kracht van gewijsde

verkregen;

g. ter zitting van het hof op 7 augustus 2003 is door de raadsman van onder anderen [appellant 1] meegedeeld, dat op diezelfde dag cassatie zal worden ingesteld, dan wel (mogelijk) reeds is ingesteld tegen voormelde (ontslag)beschikking.

h. [zittende bestuurder] is niet als bestuurder van de stichting teruggetreden en maakt nog deel uit van haar bestuur.

Omvang van het ingestelde hoger beroep

3. Ter zitting in hoger beroep hebben appellanten in principaal appèl uitdrukkelijk aangegeven, dat hun beroep zich niet uitstrekt tot de beslissing van de rechtbank Groningen van 6 december 2002 voor zover zij daarbij in het dictum onder 1. heeft beslist dat verzoeker sub 17 ([betrokkene] rentmeester, wonende te [woonplaats]) niet als verzoeker valt aan te merken, zodat deze beslissing in zoverre in stand blijft.

4. Appellanten hebben in principaal appèl negen grieven aangevoerd en de stichting in voorwaardelijk incidenteel appèl twee.

Inleidende opmerking

5. Appellanten in principaal appèl, appellanten in principaal appèl sub 2 tot en met 16 en appellant in principaal appèl sub 1, zullen voor zover het betreft de bespreking van de grieven in principaal appèl, hierna respectievelijk (ook wel) worden aangeduid als appellanten, appellanten 2 tot en met 16 en [appellanten].

Grief 3 in principaal appèl

De ontvankelijkheid van appellanten 2 tot en met 16 in hun inleidend verzoek

5. Grief 3 van appellanten is gericht tegen de beslissing van de rechtbank voor zover zij daarbij de appellanten 2 tot en met 16 niet-ontvankelijk heeft verklaard in hun (inleidend) verzoek.

6. Appellanten stellen zich op het standpunt -kort samengevat- dat de rechtbank appellanten 2 tot en met 16 ten onrechte niet heeft aangemerkt als belanghebbenden in de zin van artikel 2:299 BW en hen op die grond derhalve eveneens ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in hun inleidend verzoekschrift.

7. Ter onderbouwing van hun standpunt hebben appellanten aangevoerd dat

de doelstelling van de stichting (ook) appellanten 2 tot en met 16 na aan het hart ligt c.q. dat zij die een warm hart toedragen en bovendien door de huidige gang van zaken in de stichting emotionele schade lijden, zodat zij reeds op deze gronden als belanghebbenden moeten worden aangemerkt.

8. Voorts hebben appellanten ter onderbouwing van voormeld standpunt aangevoerd, dat appellanten 2 tot en met 16 een nauwe vriendschapbetrekking hebben (gehad) met de (overleden) oprichter van de stichting, [oprichter] en mede in het licht van de jurisprudentie (Rb Alkmaar 27 november 1980, NJ 1981, 602) waaruit blijkt dat ook een bloedband voldoende wordt geacht om als belanghebbende te worden aangemerkt en waarmee een nauwe vriendschapsband gelijk kan worden gesteld, ook op die grond als belanghebbenden moeten worden aangemerkt.

9. Anders dan appellanten ingang willen doen vinden, is het hof met de rechtbank van oordeel dat het feit dat de doelstelling van de stichting hun na aan het hart ligt c.q. dat zij de stichting een warm hart toedragen, hen nog niet maakt tot rechtstreeks belanghebbenden en ook overigens niet tot belanghebbenden in de zin van artikel 2:299 BW.

10. Aan het vorenstaande (oordeel) doet niet af dat appellanten voorts nog hebben gesteld door de huidige gang van zaken in de stichting emotionele schade te lijden. Nog daargelaten dat zij deze stelling niet nader hebben onderbouwd c.q. niet hebben uiteen gezet waarin de emotionele schade bestaat/deze zich uit.

11. Ook hetgeen appellanten nog hebben aangevoerd, zoals verwoord in rechtsoverweging 8, kan hen niet baten. Nog daargelaten dat de gestelde nauwe vriendschapsband met [oprichter van de stichting] in ieder geval niet meer door hem zelf kan worden bevestigd, zelfs indien zodanige band rechtens zou vaststaan, dan nog maakt dat niet dat appellanten 2 tot en met 16 zij als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt als bedoeld artikel 2:299 BW.

12. Voor zover appellanten zich daarbij nog hebben beroepen op de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 27 november 1980, NJ 1981, 602 kan hen dat evenmin baten.

Nog daargelaten dat een vriendschapsband niet kan worden gijkgesteld aan een bloedverwantschap alleen al om deze reden dat de laatste in tegenstelling tot de eerste wél naar objectieve maatstaven kan worden vastgesteld, ziet die uitspraak ook op een ander geval.

In die zaak zijn verzoekers (terecht) als belanghebbenden aangemerkt en tot bestuurders van de stichting benoemd om die reden dat in rechte vast stond dat verzoekers bloedverwanten waren van de oprichtster van de stichting, waarbij in de oprichtingsakte onder meer was bepaald, dat de in die akte genoemde rechten ter bereiking van het door de oprichtster gestelde doel na haar dood aan haar bloedverwanten toekwamen.

13. Grief 3 in het principaal appèl faalt derhalve, zodat de beschikking van de rechtbank voor zover appellanten 2 tot en met 16 niet-ontvankelijk zijn verklaard in hun verzoek dient te worden bekrachtigd.

Grief 2 in voorwaardelijk incidenteel appèl

De ontvankelijkheid van [appellanten] in zijn inleidend verzoek

14. Waar [appellanten] in principaal appèl geen grief heeft gericht tegen de beslissing van de rechtbank voor zover deze inhoudt dat [appellanten] in zijn inleidend verzoek kan worden ontvangen, nu hij als belanghebbende in de zin van artikel 2:299 BW moet worden aangemerkt, en de al dan niet ontvankelijkheid van [appellanten] derhalve niet in het principaal appèl aan de orde komt, is de voorwaarde waaronder de stichting haar incidenteel appèl heeft ingesteld vervuld.

15. Aangezien [appellanten] in zijn verzoek niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard, wanneer voormelde grief zou slagen, zal het hof om die reden deze grief thans eerst bespreken.

16. Tussen partijen is niet in geschil dat [appellanten] (formeel) nog steeds bestuurslid is van de stichting, nu de beschikking waarbij hij als zodanig is ontslagen, nog geen kracht van gewijsde heeft verkregen.

17. De stichting stelt zich evenwel op het standpunt dat [appellanten], nu hij zichzelf met -kort gezegd- het door de stichting in haar verweerschrift sub 3 reeds aangegeven gedrag als fatsoenlijk bestuurslid volledig heeft gediskwalificeerd, hetgeen ook heeft geleid tot zijn ontslag als bestuurslid, om die reden een beroep op zijn bestuurslidmaatschap niet meer toekomt en hij (ook) op die grond niet meer als belanghebbende kan worden aangemerkt.

18. Reeds uit het enkele feit dat [appellanten] nog immer (formeel) bestuurslid is van de stichting, vloeit voort dat hij als belanghebbende moet worden aangemerkt

in de zin van artikel 2:299 BW.

19. Daaraan doet niet af hetgeen de stichting onder rechtsoverweging 17 nog heeft aangevoerd. Zo dat gedrag/feitencomplex ook in deze procedure al in rechte zou komen vast te staan, dan nog zou dat niet tot een andere beslissing leiden, nu in deze het enkele (formele) bestuurslidmaatschap beslissend is voor het antwoord op de vraag, of [appellanten] belanghebbende is als bedoeld in artikel 2:299 BW, welke vraag het hof reeds hierboven bevestigend heeft beantwoord..

20 Grief 2 in het voorwaardelijk incidenteel appèl faalt derhalve.

Grieven 2, 4, 6, 7 en 8 in principaal appèl

artikel 2:299 BW van toepassing?

21. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling nu zij in de kern betogen -kort samengevat- dat, nu het door de statuten voorgeschreven bestuur

gedeeltelijk ontbreekt en daarin niet overeenkomstig de statuten wordt voorzien,

ingevolge artikel 2:299 BW -in deze- het hof in de vervulling van de ledige

plaatsen dient te voorzien.

22. [appellanten] heeft ter ondersteuning van zijn stelling dat zich in deze de situatie voordoet als bedoeld in artikel 2:299 BW aangevoerd, dat van het voor de eerste maal bij de akte van oprichting van de stichting benoemde bestuur, het bestuurslid [oprichter van de stichting] (de oprichter) op 14 oktober 2001 is overleden en [voormalig bestuurslid] op 24 december 2001 voor het bestuurslidmaatschap heeft bedankt, zodat er twee vacatures zijn ontstaan, in welke vacatures nog steeds niet door het bestuur is voorzien op de wijze en binnen de termijn als voorgeschreven in artikel 4 lid 3 van de statuten.

23. De stichting stelt zich -kort samengevat- op het standpunt dat het door de statuten voorgeschreven bestuur geheel noch gedeeltelijk ontbreekt, zodat er evenmin sprake is van ledige plaatsen in de vervulling waarvan door de rechter overeenkomstig artikel 2:299 BW dient te worden voorzien.

24. Naar de mening van de stichting is er eerst sprake van één of meer vacatures, wanneer het aantal bestuursleden onder het in artikel 4 lid 1 van de statuten bepaalde minimum van drie komt.

25. De in de akte van oprichting neergelegde statuten luiden -voor zover van belang- als volgt:

Artikel 4

1. Het bestuur van de stichting bestaat uit tenminste drie leden en wordt voor de eerste maal bij deze akte benoemd. Het aantal leden wordt -met

inachtneming van het in de vorige zin bepaalde- door het bestuur met

algemene stemmen vastgesteld.

2. Het bestuur (met uitzondering van het eerste bestuur, waarvan de leden in functie worden benoemd) kiest uit zijn midden een voorzitter, een secretaris en een penningmeester. De functies van secretaris en penningmeester kunnen ook door één persoon worden vervuld.

3. Bij het ontstaan van een (of meer) vacature(s) in het bestuur, zullen de overblijvende bestuursleden met algemene stemmen(of zal het enige

overblijvende bestuurslid) binnen twee maanden na het ontstaan van de

vacature(s) daarin voorzien door de benoeming van een (of meer) opvolger(s).

4. Mocht(en) in het bestuur om welke reden dan ook één of meer leden ontbreken, dan vormen de overblijvende bestuursleden, of vormt het

overblijvende bestuurslid niettemin een wettig bestuur, behoudens het

bepaalde in artikel 7.

5. ..........

6. ..........

Artikel 7

1. Het bestuur vertegenwoordigt de stichting in en buiten recht.

2. De vertegenwoordigingsbevoegdheid komt mede toe aan de voorzitter of aan twee gezamenlijk handelende bestuursleden.

3. Het bestuur kan volmacht verlenen aan één of meer bestuursleden, alsook aan derden, om de stichting binnen de grenzen van die volmacht te vertegenwoordigen.

Artikel 13

.......

Tenslotte verklaarden de comparant, ter uitvoering van het bepaalde in artikel 4 leden 1 en 2, dat voor de eerste maal tot bestuurders van de stichting worden benoemd:

1. de comparant, de heer [oprichter], tot voorzitter,

2. mevrouw [lid]...., tot bestuurslid;

3. de heer [appellant 1]...tot bestuurslid;

4. de heer [zittende bestuurder]....tot bestuurslid;

5. de heer [secretaris]...tot secretaris;

6. de heer [penningmeester]....tot penningmeester;

........

26. Tussen partijen is niet in geschil dat van de voor de eerste maal bij de akte van oprichting van de stichting benoemde bestuursleden [oprichter] (de oprichter) op 14 oktober 2001 is overleden en [voormalig bestuurslid] op 24 december 2001 voor het bestuurslidmaatschap heeft bedankt.

27. Gelet op artikel 4 lid 1 van de statuten is het hof met de stichting van oordeel dat een bestuur van drie leden heeft te gelden als het door de statuten voorgeschreven bestuur van de stichting.

28. Hieruit vloeit tevens voort dat eerst sprake is van een geheel of gedeeltelijk ontbreken van het door de statuten voorgeschreven bestuur van de stichting als bedoeld in artikel 2:299 BW, wanneer het aantal bestuursleden van de stichting minder dan drie bedraagt.

29. Aangezien het bestuur van de stichting nog immer (formeel) uit vier leden bestaat is er mitsdien geen sprake van vacatures/ledige plaatsen als bedoeld in artikel 2:299 BW, zodat dit artikel (ook overigens) toepassing mist.

30. Aan het vorenoverwogene doet niet af, dat bij de akte van oprichting voor de eerste maal zes bestuursleden zijn benoemd, nu deze zes bestuursleden in het licht van het in artikel 4 lid 1 van de statuten bepaalde niet als het door de statuten voorgeschreven bestuur hebben te gelden.

31. De grieven falen derhalve en de beschikking van de rechtbank voor zover zij daarbij het verzoek van [appellanten] heeft afgewezen om ingevolge artikel 2:299 BW in de vervulling van ledige plaatsen in het stichtingsbestuur te voorzien, dient mitsdien te worden bekrachtigd.

Grieven 1, 5 en 7 in het principaal appèl en grief 2 in het voorwaardelijk

incidenteel appèl

32. In het licht van al hetgeen het hof hierboven reeds heeft overwogen en beslist komt aan deze grieven geen belang meer toe.

Grief 9 in het principaal appèl

De kostenveroordeling

33. In deze grief stellen appellanten dat de rechtbank hen ten onrechte in de kosten van het geding heeft veroordeeld, nu de door de rechtbank ten aanzien van (alle) appellanten gegeven beslissingen onjuist zijn.

34. Deze grief faalt reeds om deze reden dat de beschikking van de rechtbank uiteindelijk door het hof zal worden bekrachtigd.

De slotsom

35. De beschikking waarvan beroep dient met verbetering van gronden te worden bekrachtigd met veroordeling van appellanten in het principaal appèl als de in het ongelijk te stellen partijen in de kosten van het geding in hoger beroep.

De beslissing

Het gerechtshof

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor zover het de beslissingen betreft als in die beschikking verwoord in het dictum onder 2 tot en met 4;

veroordeelt appellanten in het principaal appèl hoofdelijk -des dat de een betalende de anderen zullen zijn bevrijd- in de kosten van het geding in (principaal en incidenteel) hoger beroep en begroot die aan de zijde van de stichting tot aan deze uitspraak op Euro 245,-- aan verschotten en Euro 1542,-- aan salaris procureur;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gegeven door mrs. Boon, voorzitter, Melssen en Postma, raden, en uitgesproken door mr Mollema, vice-president, lid van een enkelvoudiger kamer, in tegenwoordigheid van de heer Bilstra als griffier ter openbare terechtzitting van dit hof op woensdag1 oktober 2003.