Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2003:AI1822

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
29-08-2003
Datum publicatie
03-09-2003
Zaaknummer
BK 1341/02 Inkomstenbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is het antwoord op de vraag of de eigen woning van belanghebbende in het jaar 2000 reeds aan de voorwaarden voldoet die worden gesteld om onderhoudskosten bij een monumentenwoning in aftrek toe te laten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FED 2003/496
V-N 2003/60.11 met annotatie van Redactie
FutD 2003-1619
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 1341/02 29 augustus 2003

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, tweede meervoudige belastingkamer, op het beroep van drs. X te Z (:belanghebbende) tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid Particulieren van de Belastingdienst te Groningen (: de inspecteur) op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de aan hem over het jaar 2000 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Procesgang.

Gedagtekend 15 maart 2002 werd aan belanghebbende de aanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen als bedoeld in de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (: de Wet) van ƒ 102.727,--.

Tegen die aanslag is door belanghebbende tijdig een bezwaarschrift ingediend, waarop de inspecteur op 6 mei 2002 uitspraak heeft gedaan. Het bezwaar werd daarbij afgewezen en de aanslag gehandhaafd.

Tegen die uitspraak heeft belanghebbende een beroepschrift

(met bijlagen) ingediend dat ter griffie van dit hof is ingekomen op 30 mei 2002. De inspecteur heeft vervolgens een verweerschrift (met bijlagen) ingediend. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 11 juni 2003, gehouden te Leeuwarden, alwaar zijn verschenen belanghebbende, alsmede de inspecteur. Belanghebbende heeft voorafgaand aan de zitting bij brief van 31 mei 2003, ingekomen ter griffie op 3 juni 2003, nog een nadere toelichting op zijn beroepschrift gegeven, waarvan afschrift is gezonden aan de inspecteur.

De inhoud van alle voormelde (en hierna nog te noemen) stukken geldt als hier herhaald en ingelast.

2. De vaststaande feiten.

Op grond van de inhoud van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting staat voor dit geding tussen partijen als niet of onvoldoende weersproken het navolgende vast:

2.1. Belanghebbende is eigenaar van de woning a-straat 67 te Z (: de woning).

2.2 Bij brief van 20 december 2000 heeft de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen belanghebbende in kennis gesteld van de beslissing om de woning aan te wijzen als beschermd monument. Daarbij werd medegedeeld dat de woning definitief een beschermd monument zal zijn wanneer zij wordt ingeschreven in het register zoals bedoeld in artikel 6 van de Monumentenwet 1988 en voorts dat een monument wordt ingeschreven wanneer de termijn voor het indienen van bezwaar/beroep ongebruikt is verstreken of wanneer hierop onherroepelijk is beslist. De woning is eind mei 2001 ingeschreven in bedoeld register.

2.3 Belanghebbende heeft in zijn aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 2000 bij vraag 13 "inkomsten uit eigen woning" onder punt f ter zake van de woning ƒ 43.110,-- aan onderhoudskosten bij een monumentenwoning afgetrokken. De inspecteur heeft deze aftrekpost geweigerd en het door belanghebbende aangegeven belastbare inkomen met voormeld bedrag gecorrigeerd. Mede als gevolg van een aantal andere daarmee verband houdende dan wel niet door belanghebbende bestreden correcties, heeft de inspecteur aan belanghebbende een aanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 102.727,--. Bij de bezwaarprocedure heeft de inspecteur deze correcties gehandhaafd.

3. Het geschil en de standpunten van partijen.

In geschil is het antwoord op de vraag of de eigen woning van belanghebbende in het jaar 2000 reeds aan de voorwaarden voldoet die worden gesteld om onderhoudskosten bij een monumentenwoning in aftrek toe te laten.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het besluit om zijn woning als monument aan te wijzen langer op zich heeft laten wachten dan de bedoeling was. Belanghebbende is van mening dat op basis van informatie van de gemeente Eemsmond en een provinciaal vertegenwoordiger voor de Monumentenzorg, hij erop mocht vertrouwen dat hij reeds in het jaar 2000 van de regeling gebruik kon maken. Bovendien liet volgens belanghebbende de slechte staat van onderhoud van de woning uitstel van het plegen onderhoud aan de woning niet langer toe.

De inspecteur stelt zich daarentegen op het standpunt dat in de brief van 20 december 2000 van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg uitdrukkelijk wordt gezegd dat de woning van belanghebbende op zijn vroegst begin 2001 zou staan ingeschreven in het register als bedoeld in artikel 6 van de Monumentenwet 1988. Voorts bestaat volgens de inspecteur voor een ruimere wettelijke interpretatie geen ruimte. Voor een meer uitvoerige motivering van de standpunten van partijen verwijst het hof naar de gedingstukken.

Ter zitting hebben partijen hun onderscheidene standpunten gehandhaafd zonder daartoe nadere gronden aan te voeren.

4. De rechtsoverwegingen.

4.1 Blijkens artikel 42a lid 7 van de Wet worden met betrekking tot een eigen woning, die is ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 6 van de Monumentenwet 1988, in afwijking in zoverre van het eerste lid, de aldaar bedoelde kosten, lasten en afschrijvingen in aanmerking genomen voor zover die kosten, lasten en afschrijvingen tezamen zowel ƒ 300,-- als 1,75 percent van de waarde van de woning in het economische verkeer doch ten hoogste ƒ 24.000,-- te boven gaan.

4.2 In artikel 6 lid 1 van de Monumentenwet is bepaald dat de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen voor elke gemeente een register aanhoudt van de beschermde monumenten. In de tweede zin van dit artikellid is voorts bepaald dat aangewezen monumenten worden ingeschreven, voor zover geen beroep tegen die aanwijzing is ingesteld of een beroep is afgewezen.

4.3 Gelet op het onder 2.2 vermelde was de woning in het jaar 2000 nog niet ingeschreven in het onder 4.1 genoemde register. Aftrek van de door belanghebbende opgevoerde onderhoudskosten is reeds hierom niet mogelijk.

4.4 Voorts heeft de inspecteur terecht aangegeven dat de resolutie van de staatssecretaris van Financiën van 11 februari 1993, nr. CA93/23, geen ruimte biedt voor een ruimere interpretatie van art. 42a lid 7 van de Wet. Waar het ten tijde van de resoluties van 28 april 1982, nr. 282-5151 in beginsel nog wel mogelijk was om bij aangewezen monumenten reeds aftrek te verlenen voor onderhoudskosten die waren gemaakt voor de datum van inschrijving in het monumentenregister, is dit in de resolutie van 11 februari 1993 uitgesloten. Uit deze resolutie, met intrekking van eerdergenoemde resolutie van 1982, komt naar voren dat de aftrekregeling alleen nog betrekking heeft op monumentenpanden die zijn ingeschreven in bedoeld register.

4.5 Wat er ook zij van de aard van de uitlatingen van de gemeente Eemsmond en de provinciaal vertegenwoordiger van de Monumentenzorg, nu deze uitlatingen niet zijn gedaan door of namens de inspecteur, is er naar het oordeel van het hof geen te honoreren vertrouwen gewekt jegens belanghebbende dat in afwijking van de wettelijke bepalingen de aftrek van onderhoudskosten wel zou worden toegestaan. Dat de aanwijzing als monumentenpand langer op zich heeft laten wachten dan de bedoeling was, kan de inspecteur evenmin worden aangerekend.

4.6 Nu de hoogte van het belastbaar inkomen overigens niet in geschil is moet worden beslist als hierna te vermelden.

5. De slotsom.

Het gelijk is derhalve aan de inspecteur, zodat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

6. De proceskosten.

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. De beslissing.

Het hof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld op 29 augustus 2003 door mr. J. Huiskes, raadsheer en voorzitter, mr. H.S. Pruiksma, vice-president, en mr. H.H.A. Fransen, raadsheer, en op die dag in het openbaar uitgesproken door voornoemde voorzitter in tegenwoordigheid van de griffier mr. J. de Jong en ondertekend door voornoemde voorzitter en door voornoemde griffier.

Op 3 september 2003 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.