Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2003:AI1820

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
22-08-2003
Datum publicatie
03-09-2003
Zaaknummer
BK 575/02 Inkomstenbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vragen of belanghebbende ontvankelijk is in zijn bezwaren en, zo ja, of de verzuimboeten terecht en tot het juiste bedrag zijn opgelegd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:7
Algemene wet bestuursrecht 6:8
Algemene wet bestuursrecht 6:9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2004/7.7 met annotatie van Redactie
FutD 2003-1617
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

nummer: 575/02 22 augustus 2003

Uitspraak van het gerechtshof te Leeuwarden, tweede meervoudige belastingkamer, op het beroep van dhr X te Z (:belanghebbende) tegen de uitspraken van het hoofd van de eenheid ondernemingen van de belastingdienst Emmen, vesting Assen (: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de aan hem opgelegde boetebeschikkingen in verband met het niet tijdig doen van de aangifte inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen voor het jaar 1999 en de aangifte ter zake van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen voor het jaar 1999.

1. Ontstaan en loop van het geding.

1.1. Bij aanslagbiljet met dagtekening 26 mei 2001 is aan belanghebbende op grond van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zoals deze wet voor het onderhavige jaar gold (: de wet IB), overeenkomstig de aangifte een aanslag inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen van f 68.478,- en is hem een verzuimboete in verband met het niet tijdig doen van aangifte opgelegd van f 750,--.

Bij aanslagbiljet met dagtekening 26 mei 2001 is aan belanghebbende op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, zoals die wet in het onderhavige jaar gold (: de WAZ), overeenkomstig de aangifte een te betalen bedrag aan premie opgelegd naar een premie-inkomen van f 84.000,- en is hem in verband met het niet tijdig doen van aangifte een verzuimboete van f 750,-- opgelegd.

1.2. Op 20 december 2001 komt de brief, met dagtekening 12 december 2001, van belanghebbende bij de inspecteur binnen, waarin belanghebbende de inspecteur verzoekt te reageren op zijn bezwaren tegen voormelde verzuimboetes. Bij deze brief is gevoegd een bezwaarschrift, met dagtekening 30 mei 2001, gericht tegen de beide opgelegde verzuimboetes.

1.3. Bij uitspraken van 12 februari 2002 verklaart de inspecteur belanghebbende niet-ontvankelijk in de onderscheiden bezwaren.

1.4. Belanghebbende is tegen deze uitspraken in beroep gekomen bij het beroepschrift (met bijlage) dat op 8 maart 2002 bij het hof is ingekomen.

1.5. De inspecteur heeft op 16 mei 2002 een verweerschrift (met bijlagen) ingezonden.

1.6. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van het hof van 11 juni 2003 te Leeuwarden. Aldaar is de inspecteur verschenen. Belanghebbende is - hoewel behoorlijk opgeroepen - niet ter zitting verschenen.

1.7. Van alle genoemde en nog te noemen gedingstukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten.

Op grond van de gedingstukken en de behandeling ter zitting staat het volgende als niet, althans onvoldoende, weersproken vast:

2.1. Belanghebbende oefent sinds 1 januari 1998, in de vorm van een vennootschap onder firma, onder de naam A, een administratie- en adviespraktijk uit.

2.2. Op zijn verzoek is aan belanghebbende uitstel verleend voor het inleveren van het aangiftebiljet IB / PH en WAZ over het jaar 1998, tot 1 januari 2000. Op 26 januari 2000 is aan belanghebbende een aanmaning gezonden. De uiterste reactietermijn was 9 februari 2000. Het betreffende aangiftebiljet is op 16 februari 2000 bij de belastingdienst binnengekomen.

2.3. Eveneens op zijn verzoek is aan belanghebbende uitstel verleend voor het inleveren van het aangiftebiljet voor de IB / PH en de WAZ over het jaar 1999, tot 1 maart 2001. Op 19 maart 2001 is aan belanghebbende een aanmaning tot het inleveren van zijn aangiftebiljet gezonden. De uiterste reactiedatum was 2 april 2001. Het aangiftebiljet - door belanghebbende gedagtekend 28 maart 2001 - is op 4 april 2001 bij de belastingdienst binnengekomen.

2.4. Met dagtekening 26 mei 2001 zijn, overeenkomstig het vermelde in het aangiftebiljet, nadat reeds nadere voorlopige aanslagen waren opgelegd, definitieve aanslagen IB / PH en WAZ over het jaar 1999 opgelegd. De nog te betalen bedragen betreffen uitsluitend een tweetal verzuimboetes van elk f 750,- in verband met een tweede verzuim met betrekking tot het indienen van enerzijds de aangifte IB / PH en anderzijds de aangifte WAZ.

2.5. Op 20 december 2001 komt bij de inspecteur een brief met dagtekening 12 december 2001 van belanghebbende binnen, waarin het volgende is vermeld:

"Hierbij deel ik u mede dat ik nog steeds geen enkele reactie heb ontvangen op mijn ingediende bezwaar, d.d. 30 mei 2001, aangaande de opgelegde definitieve aanslagen inkomstenbelasting, aanslagnummer 0000.00.000.H.96 en de opgelegde definitieve aanslag premie arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen 1999, aanslagnummer 0000.00.000.W.96.

Aangezien de deurwaarders op dit moment mij regelmatig met een bezoek vereren, zou ik het op prijs stellen dat u hier op korte termijn alsnog op reageert."

Bij de brief van 12 december 2001 heeft belanghebbende gevoegd een - niet ondertekend - bezwaarschrift met dagtekening 30 mei 2001, gericht aan de inspecteur, waarin het volgende wordt vermeld:

"Hierbij maak ik bezwaar tegen de aan mijn opgelegde verzuimboete bij het vaststellen van de definitieve aanslag inkomstenbelasting 1999, aanslagnummer 0000.00.000.H.96 en de definitieve aanslag premie arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen 1999, aanslagnummer 0000.00.000.W.96.

Uit de toelichting blijkt dat de verzuimboete in rekening is gebracht wegens het niet doen, danwel niet tijdig doen van een aangifte.

Mij aangifte inkomstenbelasting is op 30 maart 2001 naar u toegezonden, hetgeen binnen de gestelde termijnen is.

Ik verzoek u om beide aanslagen op te leggen, zonder de door u voorgestelde verzuimboete."

2.6. Voormeld bezwaarschrift van belanghebbende, met dagtekening 30 mei 2001, is met een groter lettertype getypt dan de brief met dezelfde dagtekening waarin bezwaar wordt gemaakt tegen de aanslag van de echtgenote van belanghebbende, welk bezwaarschrift van de echtgenote bij de inspecteur is ingekomen op 19 november 2001. Een brief met dagtekening 18 december 2001 van de echtgenote van belanghebbende is echter met hetzelfde lettertype getypt als genoemde brief van belanghebbende met dagtekening 12 december 2001 en het bij die brief gevoegde bezwaarschrift van belanghebbende met dagtekening 30 mei 2001.

2.7. In zijn brief van 21 januari 2002 meldt de inspecteur belanghebbende onder meer dat het bij de brief van 12 december 2001 gevoegde bezwaarschrift, gedateerd 30 mei 2001, niet bij hem is ingekomen en stelt hij belanghebbende in de gelegenheid te reageren. Belanghebbende heeft van de hem door de inspecteur geboden mogelijkheid te reageren geen gebruik gemaakt.

2.8. Bij de bestreden uitspraken van 12 februari 2002 verklaart de inspecteur belanghebbende niet ontvankelijk in zijn bezwaren in verband met overschrijding van de wettelijke bezwaartermijn en stelt hij ambtshalve dat beide verzuimboeten terecht zijn opgelegd.

3. Het geschil en de standpunten van partijen.

3.1. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vragen of belanghebbende ontvankelijk is in zijn bezwaren en, zo ja, of de verzuimboeten terecht en tot het juiste bedrag zijn opgelegd.

3.2. Belanghebbende is - kort gezegd - van mening dat slechts één boete kan worden opgelegd, omdat er sprake is van een gecombineerd aangiftebiljet voor IB /PH en WAZ. Daarnaast stelt hij dat de hoogte van de boete niet in verhouding staat met het - door hem betwiste - verzuim. Tenslotte voert hij aan dat de aangifte 1999 zonder meer vóór 2 april 2001 bij de belastingdienst binnen heeft moeten zijn. Nu er geen duidelijkheid is of de aangifte al dan niet tijdig is ingekomen verzoekt hij het hof beide verzuimboeten te laten vervallen.

Belanghebbende ageert in de beroepsfase op geen enkele wijze tegen de omstandigheid dat de inspecteur hem in de bestreden uitspraak niet-ontvankelijk heeft verkaard in zijn bezwaar.

3.3. De inspecteur stelt zich - kort gezegd - op het standpunt dat de brief van 30 mei 2001 pas gelijktijdig met de brief van 12 december 2001, op 20 december 2001 bij hem is ingekomen. Hij concludeert dat het bezwaarschrift pas in december 2001 aan hem is toegezonden en is derhalve van mening dat belanghebbende zijn bezwaarschrift niet binnen de wettelijke termijn heeft ingediend en derhalve terecht niet ontvankelijk is verklaard in zijn bezwaar.

De opgelegde boeten zijn, naar hij meent, overigens terecht en tot een juist bedrag opgelegd.

3.4. Voor een uitgebreidere weergave van de wederzijdse standpunten verwijst het hof naar de gedingstukken, waaraan ter zitting geen nieuwe gronden zijn toegevoegd.

4. De overwegingen omtrent het geschil.

4.1. Nu de inspecteur stelt dat hij het bezwaarschrift van belanghebbende, met dagtekening 30 mei 2001, niet eerder dan op 20 december 2001, als bijlage bij de brief, met dagtekening 12 december 2001, heeft ontvangen en dat hij er van uitgaat dat belanghebbende dit bezwaarschrift pas in december 2001 aan hem heeft verzonden, alsmede dat de vaststaande feiten onder 2.6. aanwijzingen bevatten die deze stelling ondersteunen, mag van belanghebbende - die een administratie en adviesbureau drijft - worden verlangd dat hij aangeeft wanneer hij het bezwaarschrift aan de inspecteur heeft gezonden en dat hij een verklaring geeft voor het gebruik van de onderscheiden lettertypes in de brieven, althans dat hij (op andere wijze) duidelijk maakt dat hij zijn bezwaarschrift binnen de wettelijke termijn aan de inspecteur heeft doen toekomen. Belanghebbende heeft evenwel noch in zijn beroepschrift noch nadien op enigerlei wijze geageerd tegen of gereageerd op de beslissing van de inspecteur in de bestreden uitspraak waarin belanghebbende in verband met termijnoverschrijding niet ontvankelijk wordt verklaard in zijn bezwaren, ook niet nadat hem door het hof in afschrift het verweerschrift is toegezonden, waarin diens standpunt ten aanzien van de ontvankelijkheid duidelijk en onderbouwd - onder meer ter zake van de in de onderscheiden geschriften gebruikte lettertypes - wordt weergegeven. Daarbij verdient nog opmerking dat belanghebbende ook geen gebruik heeft gemaakt van de hem door de inspecteur reeds in de bezwaarfase bij brief van 21 januari 2002 geboden mogelijkheid te reageren op de stelling van de inspecteur dat het bezwaarschrift, gedateerd 30 mei 2001, niet bij hem is ingekomen.

4.2. Onder voormelde omstandigheden gaat het hof er met de inspecteur van uit dat belanghebbende het bezwaarschrift, met dagtekening 30 mei 2001, pas als bijlage bij de brief, met dagtekening 12 december 2001, in december 2001 aan de inspecteur heeft gezonden en dat dit bezwaarschrift niet eerder dan op 20 december 2001 bij de inspecteur is ingekomen. Dat belanghebbende zijn bezwaarschrift binnen de daarvoor geldende wettelijke termijn aan de inspecteur heeft doen toekomen is het hof niet aannemelijk geworden. Daarvoor is het enkele overleggen in december 2001 van het bezwaarschrift voorzien van de dagtekening 30 mei 2001 onvoldoende. Belanghebbende heeft derhalve geen bezwaar gemaakt binnen de wettelijke bezwaartermijn als bedoeld in de artikels 6:7 tot en met 6:9 van de Algemene wet bestuursrecht.

4.3. Nu noch gesteld noch aannemelijk is geworden dat er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht, heeft de inspecteur belanghebbende terecht niet ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar. Aan de inhoudelijke kant van het beroep komt het hof niet toe.

4.4. Het gelijk ligt derhalve aan de kant van de inspecteur.

4.5. Er zijn geen termen aanwezig te komen tot een proceskostenveroordeling.

5. De beslissing.

Het hof verklaart het beroep van belanghebbende ongegrond.

Aldus vastgesteld op 22 augustus 2003 door mr H.H.A. Fransen, raadsheer als voorzitter, mr H.S. Pruiksma, vice-president, en mr J. Huiskes, raadsheer, en op die dag in het openbaar uitgesproken door voornoemde voorzitter in tegenwoordigheid van de griffier mr J. de Jong en ondertekend door voornoemde voorzitter en door voornoemde griffier.

Afschrift aangetekend aan partijen

verzonden op: 27 augustus 2003