Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2003:AI1608

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
09-07-2003
Datum publicatie
29-08-2003
Zaaknummer
WAHV 03/00058
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De administratieve sanctie is, - ook al treedt de feitelijke bestuurder op als gemachtigde -, opgelegd aan de kentekenhouder met toepassing van het bepaalde in art. 5 WAHV. Dit artikel moet zo worden verstaan, dat het buiten toepassing dient te blijven, indien zich een reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder heeft voorgedaan. De sanctie dient in dat geval aan de bestuurder te worden opgelegd. Het feit dat - gelet op de rechtsverhouding tussen de leasemaatschappij en de bestuurder - de sanctie door de kentekenhouder aan de bestuurder in rekening wordt gebracht, kan een schending van de wettelijke regeling (geen staandehouding) niet sanctioneren.

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 5, geldigheid: 2003-07-09
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2004, 47

Uitspraak

WAHV 03/00058

9 juli 2003

CJIB 19049237996

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank te Leeuwarden

van 13 december 2002

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

gevestigd te [plaatsnaam]

voor wie als gemachtigde optreedt [gemachtigde]

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Leeuwarden ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van €Euro 144,-- opgelegd ter zake van "op autosnelweg achteruitrijden", welke gedraging zou zijn verricht op 29 januari 2002 op de A6 vanaf parkeerplaats De Lanen te Joure.

3.2. De gemachtigde van de betrokkene, die als bestuurder van het voertuig van de betrokkene optrad, heeft ontkend de gedraging te hebben verricht, in dier voege, dat hij niet ontkent achteruit te zijn gereden, maar wel dat dit is geschied op de autosnelweg. Hij schrijft onder meer: "Op genoemde datum en tijd bevond ik mij inderdaad op deze plaats. (...) Ik zag een donkerrode Volvo met gele en blauwe striping daarop de tekst "Toezichthouders Skasterlân (het hof leest: Skarsterlân)" in witte letters. In dit voertuig zag ik twee dames zitten. (....) Ik was van plan in eerste instantie mijn weg naar huis te vervolgen via Joure-Heerenveen-Wolvega en reed vanaf de parkeerplaats richting snelweg. Ik keek eerst in de spiegel en daarna over mijn schouder achterom en ik zag, dat de koplampen van de Volvo oplichtten. Op datzelfde moment besloot ik mijn weg niet te vervolgen via de genoemde route maar bedacht ik mij, dat ik net zo goed binnendoor naar huis kon rijden via Oosterzee-Echtenerbrug richting Oldetrijne en Wolvega. Ik stopte op een punt dat ik nog lang niet parallel aan de A6 was en ook was ik volgens mij nog niet het verkeersbord gepasseerd waarop staat aangegeven dat men zich op een autosnelweg bevindt. Toen ik terugreed om mijn weg te vervolgen zag ik dat de beide dames hun Volvo ook hadden gedraaid: zij stonden nu geparkeerd met de voorkant van hun auto in de rijrichting van het viaduct (richting Lemmer) en toen ik hen voorbijreed zag ik, dat zij de alarmlichten van hun auto lieten knipperen, om wat voor reden dan ook. Ik ben vervolgens een stukje verderop gestopt maar er was verder geen reactie van de beide dames. Even later vervolgden zij hun weg richting het viaduct in de richting van het parkeerterrein bekend als "De Wiel". Vervolgens ben ik via de laatst omschreven route naar huis gegaan en ik zag dat de beide dames nu op "De Wiel"geparkeerd stonden. (...)"

3.3. Art. 5 WAHV bepaalt - voor zover hier van belang - dat indien is vastgesteld dat de gedraging heeft plaatsgevonden met of door middel van een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven, en niet aanstonds is vastgesteld wie daarvan de bestuurder is, de administratieve sanctie wordt opgelegd aan degene op wiens naam het kenteken ten tijde van de gedraging in het kentekenregister was ingeschreven. Deze bepaling moet aldus worden verstaan dat ingeval zich een reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder van het motorrijtuig, waarmee de geconstateerde gedraging is verricht, voordoet, die bepaling buiten toepassing dient te blijven en de sanctie aan die bestuurder dient te worden opgelegd (HR 1 februari 2000, VR 2000/104).

3.4. Uit hetgeen de gemachtigde van de betrokkene heeft aangevoerd vloeit rechtstreeks voort dat - indien het gestelde juist is - nadere verklaring behoeft, waarom geen staandehouding heeft plaatsgevonden. Noch door de officier van justitie in administratief beroep, noch door de kantonrechter heeft onderzoek plaatsgevonden omtrent de vraag of zich een reële mogelijkheid tot staandehouding heeft voorgedaan. Wel is door de officier van justitie voorafgaand aan zijn beslissing om commentaar gevraagd "door de beschikkingsbevoegde ambtenaar cq de administratief medewerker", aan de politie te Joure, team Skarsterlân, maar op het gebezigde formulier is niet aangekruist: "te vermelden waarom geen staandehouding van de betrokkene heeft plaatsgevonden." Het aanvullend proces-verbaal van de verbalisante geeft omtrent het laatste punt dan ook geen duidelijkheid.

3.5. De advocaat-generaal is primair van oordeel, dat in casu niet relevant is of er voor de verbalisante al dan niet een reële mogelijkheid bestond om de bestuurder staande te houden, nu via de kentekenhouder ( de leasemaatschappij) de inleidende beschikking bij de feitelijk bestuurder (de gemachtigde in de onderhavige procedure) is terechtgekomen. Volledigheidshalve heeft de advocaat-generaal getracht antwoord te krijgen of voor de betrokken verbalisante al dan niet een reële mogelijkheid bestond de bestuurder staande te houden. Uit door hem ingewonnen informatie is echter gebleken, dat de verbalisante "langdurig uit de roulatie is en derhalve vooralsnog niet in de gelegenheid is voornoemde vraag te beantwoorden."

3.6. De administratieve sanctie is, - ook al treedt de feitelijke bestuurder op als gemachtigde -, opgelegd aan de kentekenhouder met toepassing van het bepaalde in art. 5 WAHV. Dit artikel moet, zoals eerder onder 3.3. aangegeven, zo worden verstaan, dat het buiten toepassing dient te blijven, indien zich een reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder heeft voorgedaan. De sanctie dient in dat geval aan de bestuurder te worden opgelegd. Het feit dat - gelet op de rechtsverhouding tussen de leasemaatschappij en de bestuurder - de sanctie door de kentekenhouder aan de bestuurder in rekening wordt gebracht, kan een schending van de wettelijke regeling niet sanctioneren. De omstandigheid, dat de bestuurder van de auto als gemachtigde voor de betrokkene optreedt, kan dan ook niet tot de conclusie leiden dat de bestuurder niet kan worden geacht in enig rechtens te respecteren belang te zijn geschaad, zoals door de advocaat-generaal voorgestaan. Daaraan kan niet afdoen, dat de gemachtigde van de betrokkene in zijn reactie op het verweerschrift heeft aangegeven, dat het feit dat hij niet is staande gehouden niet de hoofdreden is om hoger beroep aan te tekenen.

3.7. De advocaat-generaal heeft verzocht, voor het geval het hof zijn primaire conclusie niet zou delen, nogmaals de gelegenheid te krijgen een verklaring van de verbalisante omtrent de mogelijkheid van staandehouding in het geding te brengen. Het hof zal de advocaat-generaal hiertoe in de gelegenheid stellen.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

draagt de advocaat-generaal op binnen twee maanden de inlichtingen in het geding te brengen als hierboven onder 3.7. vermeld;

houdt elke verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. Dijkstra, Poelman en Van Dijk in tegenwoordigheid van mr. Hiemstra als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.