Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2003:AI1602

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
08-07-2003
Datum publicatie
29-08-2003
Zaaknummer
WAHV 03-00185
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Verzoek om proceskosten in hoger beroep is afgewezen, omdat de gemachtigde van de betrokkene de kantonrechter heeft misleid, waardoor de in hoger beroep gemaakte proceskosten nodeloos c.q. op oneigenlijke wijze zijn gegenereerd. Beroep op gelijkheidsbeginsel slaagt in casu niet. De wet verbindt aan overschrijding van de beslistermijn door de officier van justitie niet het gevolg dat de inleidende beschikking wordt vernietigd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:12, geldigheid: 2003-07-08
Algemene wet bestuursrecht 6:20, geldigheid: 2003-07-08
Algemene wet bestuursrecht 7:24, geldigheid: 2003-07-08
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 13a, geldigheid: 2003-07-08
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

WAHV 03/00185

8 juli 2003

CJIB 39045557042

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank te Amsterdam

van 23 december 2003

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats]

voor wie als gemachtigde optreedt mr. drs M.J.G. Schroeder, wonende te Rotterdam.

1. De inhoud van het tussenarrest van het hof van 28 mei 2003 wordt hier overgenomen.

2. Het verdere procesverloop

Bij brief van 10 juni 2003 heeft de gemachtigde van de betrokkene nadere stukken in het geding gebracht. Afschriften van deze stukken zijn aan de advocaat-generaal gezonden.

De zaak is behandeld ter zitting van 24 juni 2003. De betrokkene noch diens gemachtigde is verschenen. Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen mr. T.H. Pitstra.

3. De verdere beoordeling

3.1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking als kentekenhouder een administratieve sanctie van fl 140,-- (Euro€ 63,53) opgelegd ter zake van "overschrijding van de maximumsnelheid binnen de bebouwde kom (gedragsregel); meer dan 15 km/h en t/m 20 km/h", welke gedraging zou zijn verricht op 29 augustus 2001 op de De Boelelaan thv Sportcentrum VU te Amsterdam.

3.2. De betrokkene stelt zich op het standpunt dat de beslissing van de officier van justitie te Amsterdam en de inleidende beschikking wegens strijd met het gelijkheidsbeginsel moeten worden vernietigd. Hiertoe voert de betrokkene aan, dat de officier van justitie in dit geval niet tijdig op het beroep tegen de inleidende beschikking heeft beslist en dat in veertien vergelijkbare gevallen, waaronder vier beslissingen van de officier van justitie te Amsterdam, de officier van justitie de inleidende beschikking wegens tijdspanne tussen het indienen van het beroep en de feitelijke afdoening daarvan heeft vernietigd zonder dat een inhoudelijke belangenafweging heeft plaatsgevonden.

3.3. In het tussenarrest van het hof van 28 mei 2003 is reeds vastgesteld dat de officier van justitie niet tijdig heeft beslist op het beroep tegen voormelde beschikking.

3.4. Vooropgesteld dient te worden dat de wet aan overschrijding van de termijn van art. 7:24, eerste lid, Awb niet het gevolg verbindt, dat de inleidende beschikking wordt vernietigd. Een overschrijding van deze termijn laat onverlet dat nog steeds op het beroepschrift kan worden beslist (vgl. de Memorie van Toelichting op art. 7:10 Awb, Kamerstukken II, 1988-1989, 21 221, nr. 3, blz. 152) zij het dat de betrokkene niet de beslissing van de officier van justitie behoeft af te wachten maar ingevolge art. 6:12 Awb in beroep kan gaan bij de kantonrechter.

3.5. In casu is gesteld noch gebleken dat de betrokkene door het niet tijdig beslissen op het beroep in enig rechtens te respecteren belang is geschaad. Derhalve is er ook om die reden geen aanleiding om de beslissing van de officier van justitie en de inleidende beschikking te vernietigen.

3.6. Van schending van het gelijkheidsbeginsel zou sprake zijn indien zonder (juridisch) geldige reden ten nadele van de betrokkene zou zijn afgeweken van het met betrekking tot zaken als de onderhavige geldende beleid. In casu is niet gebleken dat het openbaar ministerie dan wel de officier van justitie te Amsterdam met betrekking tot zaken als de onderhavige beleid heeft vastgesteld. In zoverre treft het verweer geen doel.

3.7. De betrokkene stelt dat in de door hem overgelegde gevallen de officier van justitie de inleidende beschikkingen heeft vernietigd, omdat niet tijdig is beslist zonder dat een belangenafweging heeft plaatsgevonden. Naar het hof begrijpt stelt de betrokkene zich op het standpunt dat de officier van justitie in die gevallen niet heeft getoetst of de betrokkene door het enkele feit dat de officier van justitie niet tijdig heeft beslist in zijn belangen is geschaad. Naar het oordeel van het hof kan dit echter niet uit de door de betrokkene overgelegde beslissingen van de officier van justitie worden afgeleid. Dat het onderhavige geval vergelijkbaar is met de door de betrokkene overgelegde gevallen is derhalve niet komen vast te staan. In zoverre treft het beroep op het gelijkheidsbeginsel evenmin doel.

3.8. Gelet op de zich in het dossier bevindende foto's in samenhang met de in het zaakoverzicht van het CJIB opgenomen gegevens is naar de overtuiging van het hof komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Het hof zal daarom het beroep ongegrond verklaren.

3.9. Ten aanzien van het verzoek om vergoeding van de in hoger beroep gemaakte proceskosten overweegt het hof als volgt. Bij brief van 19 november 2002 heeft de griffier van de rechtbank de gemachtigde van de betrokkene in de gelegenheid gesteld om schriftelijk te berichten wat de reden van de overschrijding van de beroepstermijn is geweest. Bij brief van 28 november 2002 heeft de gemachtigde van de betrokkene het volgende aan de kantonrechter medegedeeld: "Naar mijn mening is er geen sprake van een overschrijding van de beroepstermijn. Het duurt immers meerdere maanden voordat u beslist over het aanhangige beroep: het beroep tegen de beslissing d.d. 12 juli 2002 van de officier van justitie is dan ook niet onredelijk laat ingediend. De reden dat ik het beroep pas op 30 augustus 2002 naar de officier van justitie heb gezonden is dan ook niet relevant. Ik was voornemens het beroepschrift ter post te brengen op 23 augustus 2002 (de op de bestreden beslissing vermelde "uiterste" dag). Ik vergat echter de brief te posten, merkte dit een week later op, en kon hem toen niet meer eerder naar de officier van justitie zenden dan op 30 augustus 2002". Bij arrest van 19 juni 2002, gepubliceerd in VR 2003/178, waarin de gemachtigde van de betrokkene eveneens als gemachtigde optrad en welke als bijlage bij het hoger beroepschrift is gevoegd, heeft het hof in een vergelijkbaar geval als het onderhavige geoordeeld dat de kantonrechter ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in art. 6:20 Awb, dat de brief waarin beroep is ingesteld tegen de beslissing van de officier van justitie als beroepschrift geen zelfstandige betekenis heeft, maar als een aanvulling van de gronden van het beroep tegen het niet tijdig beslissen moet worden gezien en dat de kantonrechter het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Nu de gemachtigde van de betrokkene ten tijde van de brief van de griffier van de rechtbank van 19 november 2002 de inhoud van voormeld arrest kende, had het naar het oordeel van het hof op de weg van de gemachtigde van de betrokkene gelegen om de kantonrechter daarop te wijzen. Zou de gemachtigde van de betrokkene de kantonrechter op de inhoud van voormeld arrest hebben gewezen, dan moet het ervoor worden gehouden dat de kantonrechter het beroep niet niet-ontvankelijk zou hebben verklaard. In dat geval zou voor de betrokkene het rechtsmiddel hoger beroep niet open hebben gestaan, nu de sanctie fl. 140,- (= Euro€ 63,53) bedraagt. Gelet op het voorgaande en in aanmerking genomen, dat de inhoud van de brief van 28 november 2002 naar het stellige oordeel van het hof een misleidend karakter heeft, zal het hof het verzoek om vergoeding van de in hoger beroep gemaakte proceskosten - als nodeloos gemaakt c.q. op oneigenlijke wijze gegenereerd - afwijzen.

3.10. Voor wat betreft de in de procedure bij de kantonrechter verrichte proceshandelingen kent het hof als volgt een vergoeding toe: indienen beroepschrift = 1 punt, brief van 28 november 2002 = 1/2 punt, waarde per punt

= € Euro 322,--, gewicht van de zaak = 0,25 (zeer licht), = Euro€ 120,75. Het hof merkt hierbij op, dat aan de onderhavige zaak bij de kantonrechter de gewichtsfactor zeer licht wordt toegekend, nu beroep is ingesteld tegen een fictieve weigering een beslissing te nemen en de officier van justitie het onrechtmatig uitblijven van de beslissing op het beroep tegen de inleidende beschikking op generlei wijze heeft betwist.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

verklaart het beroep ongegrond;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van €Euro 120,75.

Dit arrest is gewezen door mr. Weenink, in tegenwoordigheid van mr Wijma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.