Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2003:AI1303

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
15-08-2003
Datum publicatie
20-08-2003
Zaaknummer
BK 1563/02 Inkomstenbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag welk bedrag aan goodwill uit de vof bij het bepalen van voormelde verkrijgingsprijs van de aandelen van de BV per 1 januari 2000 in aanmerking genomen dient te worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2003-1528
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Nummer: 1563/02 15 augustus 2003

Uitspraak van het gerechtshof te Leeuwarden, tweede meervoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z

(: belanghebbende) tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid ondernemingen van de belastingdienst te Heerenveen (: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de op hem betrekking hebbende beschikking vaststelling verkrijgingsprijs aandelen per 1 januari 2000 overeenkomstig artikel 20i, lid 1 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zoals die wet in het onderhavige jaar gold (: de wet).

1. Het ontstaan en de loop van het geding.

1.1. De genoemde beschikking, met nummer YY/000.00.000.0, heeft als dagtekening 19 juli 2001.

1.2. Nadat door belanghebbende bij de inspecteur tijdig tegen deze beschikking bezwaar was gemaakt, heeft laatstgenoemde bij de bestreden uitspraak van 4 juni 2002 de beschikking gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift (met bijlagen) dat ter griffie van het hof is ingekomen op 9 juli 2002. Ter aanvulling op dat beroepschrift heeft belanghebbende de brief van 21 mei 2003 (met bijlage) ingezonden.

1.4. Op 4 oktober 2002 is het verweerschrift (met bijlagen) van de inspecteur ingezonden.

1.5. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van het hof op 18 juni 2003 te Leeuwarden. Op die zitting zijn verschenen belanghebbendes gemachtigde, bijgestaan door dhr A, huisarts en lid van het districtsbestuur en de apotheekcommissie van de Landelijke Huisartsenvereniging, alsmede de inspecteur, bijgestaan door een ambtenaar van zijn eenheid.

1.6. Ter zitting is namens belanghebbende een pleitnota voorgelezen en overgelegd.

1.7.Van alle genoemde en nog te noemen stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten.

Tussen partijen staat het volgende als niet, althans onvoldoende, weersproken vast:

2.1. Belanghebbende, geboren op . december 19.., drijft sinds 1993 een onderneming in de zin van de wet. Vanaf 1 juli 1995 is deze onderneming omgezet in een vennootschap onder firma (: de vof). Medefirmant is zijn echtgenote, mw B, geboren op .. februari 19... Binnen de vof is de winstverdeling 60% voor belanghebbende en 40% voor zijn echtgenote.

2.2. De bedrijfsactiviteiten binnen de onderneming bestaan uit de uitoefening van een apotheekhoudende huisartsenpraktijk gevestigd in Z. Belanghebbende is apotheekhoudend huisarts in de zin van de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening, terwijl zijn echtgenote hem daarin (vooral) administratief bijstaat.

2.3. De onderhavige praktijk heeft per ultimo 1999 een bestand van 1400 patiënten. Er is geen andere apotheek in Z.

2.4 De jaarstukken van de vof vermelden over 1999 de volgende baten:

Particulieren f 213.550,-

Ziekenfondsen - 596.917,-

Asielzoekerscentrum - 78.207,-

Overige ontvangsten - 10.813,-

f 899.487,-

af inkopen medicamenten - 421.324,-

Bruto praktijkopbrengst f 478.163,-

De netto praktijkopbrengst bedraagt:

Baten f 478.163,-

Lasten - 159.876,-

Praktijkopbrengst f 318.287,-

Bijzondere bate - 638,-

F 318.925

Binnen voormelde bruto praktijkopbrengst bedraagt het met de apotheek behaalde deel:

Omzet apotheek f 529.427,-

Af inkopen medicamenten - 421.339,-

f 108.088,-

2.5. De Apotheekhoudende afdeling van de ledenvergadering van de Landelijke Huisartsen Vereniging (: LHV) heeft in 1992 besloten met onmiddellijke ingang de overdrachtsprijs voor de goodwill voor de doktersapotheek maximaal vast te stellen op 200% van de bruto praktijkopbrengst van de aan de dokterspraktijk verbonden apotheek in het jaar voorafgaand aan de overdracht, verminderd met de in dat jaar betaalde inkoopprijzen voor genees- en hulpmiddelen.

2.6. Op 21 februari 2001 doet belanghebbende een verzoek tot geruisloze inbreng van zijn onderneming in de besloten vennootschap C B.V. per 1 januari 2000 op grond van artikel 18 van de wet. De beschikking geruisloze overgang en de standaardvoorwaarden zijn op 22 maart 2001 door de inspecteur afgegeven.

2.7. Bij de onderhavige beschikking heeft de inspecteur de verkrijgingprijs van de aandelen vastgesteld op f 181.000,-. Hij is daarbij uitgegaan van een goodwill van de onderhavige apotheekpraktijk van f 216.176,- (200% van f 108.088,-) overeenkomstig de door de LHV gestelde norm. Na bezwaar heeft hij de door hem vastgestelde verkrijgingsprijs bij de bestreden uitspraak onverkort gehandhaafd.

3. Het geschil en de standpunten van partijen.

3.1 Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag welk bedrag aan goodwill uit de vof bij het bepalen van voormelde verkrijgingsprijs van de aandelen van de BV per 1 januari 2000 in aanmerking genomen dient te worden.

3.2.Belanghebbende staat in zijn berekening een verkrijgingsprijs van de aandelen van f 421.000,- voor. Hij vecht de door de inspecteur voorgestane hoogte van de goodwill aan. In zijn berekening van de verkrijgingsprijs heeft hij een goodwill voor de praktijk in aanmerking genomen van f 700.000,-. Daarbij is als uitgangspunt genomen het aantal patiënten vermenigvuldig met f 500,- per patiënt. Dit laatste bedrag is gebaseerd op gerealiseerde marktprijzen bij overname van het apothekersdeel, waarbij door de overnemer tussen de f 400 en f 600,- per patiënt wordt betaald.

3.3. De inspecteur blijft ook na het ingestelde beroep bij de door hem in de onderhavige beschikking vastgestelde verkrijgingsprijs en de daaraan ten grondslag liggende berekening van de goodwill en de daarbij gehanteerde uitgangspunten.

3.4. Voor een uitgebreidere weergave van de standpunten van partijen verwijst het hof naar de gedingstukken, waaraan ter zitting overigens geen nieuwe gronden zijn toegevoegd.

4. De overwegingen omtrent het geschil.

4.1. Ter zitting is als niet, althans niet voldoende, weersproken komen vast te staan dat ook ultimo 1999 in het economische verkeer bij overnames van de praktijk van een apotheekhoudende huisarts door een andere eveneens apotheekhoudende huisarts nog altijd de door de LHV in 1992 vastgestelde en onder 2.5. beschreven norm tussen partijen pleegt te worden gehanteerd en gerealiseerd. Niet aannemelijk is geworden dat bij overdracht van volledige apotheekhoudende huisartsenpraktijken andere (hogere) bedragen worden overeengekomen.

4.2. Namens belanghebbende is ter zitting aangevoerd dat het aan zijn berekening van de goodwill ten grondslag liggende bedrag van f 500,- per patiënt is gebaseerd op de in het economische verkeer gerealiseerde bedragen bij overdracht door een apotheekhoudend huisarts van alleen het apotheekgedeelte van zijn praktijk aan een apotheker. In dergelijke situaties worden namelijk bedragen van f 400 tot f 600,- per patiënt gerealiseerd.

4.3. Nu belanghebbende zijn gehele in firmaverband gedreven onderneming - een apotheekhoudende huisartsenpraktijk - per 1 januari 2000 (geruisloos) heeft ingebracht in de bv, binnen welke bv hij diezelfde apotheekhoudende huisartsenpraktijk vervolgens voortzet, is het hof van oordeel dat in casu ter bepaling van de ultimo 1999 in zijn onderneming aanwezige (over)winstcapaciteit in het kader van de berekening van de verkrijgingsprijs van de aandelen van die bv, de ultimo 1999 in het economische verkeer bij overdrachten van de gehele praktijk van apotheekhoudende huisartsen (aan andere apotheekhoudende huisartsen) gehanteerde en gerealiseerde bedragen als maatstaf hebben te gelden. Overdrachten waarbij slechts het apotheekgedeelte van de apotheekhoudende huisartsenpraktijk (aan een apotheker) wordt overgedragen en daarbij overeengekomen bedragen, acht het hof niet maatstafgevend voor de bepaling van de (over)winstcapaciteit in het onderhavige geval. Op grond van de feiten onder 2.5 tot en met 2.7, in onderlinge samenhang en verband bezien met hetgeen onder 4.1. en 4.2. is overwogen, dient de berekening van de inspecteur ter bepaling van de goodwill derhalve te worden gevolgd.

4.4 Nu niet is gebleken dat het bedrag in de onderhavige beschikking overigens niet juist is vastgesteld, ligt het gelijk aan de kant van de inspecteur.

5. De proceskosten.

Er is geen aanleiding te komen tot een veroordeling tot betaling van een vergoeding van gemaakte proceskosten.

6. De beslissing.

Het hof verklaart het beroep ongegrond.

Gedaan op 15 augustus 2003 door mr H.H.A. Fransen, raadsheer als voorzitter, mr H.S. Pruiksma, vice-president, mr F.J.W. Drion, raadsheer, en op die dag in het openbaar uitgesproken door voornoemde voorzitter in tegenwoordigheid van de griffier mw mr M. Hiemstra en ondertekend door voornoemde voorzitter en door voornoemde griffier.

Op 20 augustus 2003 afschrift aangetekend verzonden

aan beide partijen.