Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2003:AI1273

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
20-08-2003
Datum publicatie
21-08-2003
Zaaknummer
Rolnummer 0200399
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

In deze grief klagen [appellanten] over het oordeel van de voorzieningenrechter dat de mishandeling van [buurvrouw] niet als een incident doch eerder als een ernstige vorm van agressie moet worden beschouwd. Volgens [appellanten] mist dit oordeel elke onderbouwing en is het volstrekt onbegrijpelijk, nu, in het licht van de verklaringen van [door appellanten ingebrachte schriftelijke getuige 1] en [door appellanten in gebrachte schriftelijke getuige 2], moet worden geconclusdeerd dat er sprake is geweest van een ruzie tussen twee buurvrouwen, waarbij [buurvrouw] als agressor moet worden aangemerkt. Voorts betwisten [appellanten] dat dat [buurvrouw] is getraumatiseerd door de beweerdelijke mishandeling, dat zij hierdoor heeft moeten verhuizen en dat zij wegens bedreiging door [appellanten] niet op de zitting heeft durven verschijnen als informante. Dat een en ander het geval is zou ook nergens uit blijken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 20 augustus 2003

Rolnummer 0200399

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

1. [appellante 1],

wonende te [woonplaats],

toevoeging,

2. [appellant 2],

wonende te [woonplaats],

appellanten,

in eerste aanleg: gedaagden,

hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten],

toevoeging,

procureur: mr A.H. Lanting,

tegen

Stichting Nijestee,

kantoorhoudende te Groningen,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: Nijestee,

procureur: mr J.V. van Ophem.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het kort geding vonnis uitgesproken op 22 augustus 2002 door de voorzieningenrechter van de rechtbank te Groningen.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 2 september 2002 is door [appellanten] hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van Nijestee tegen de zitting van 18 september 2002.

De conclusie van de memorie van grieven luidt:

"dat het het gerechtshof behage te vernietigen het vonnis op 22 augustus 2002 door de rechtbank te Groningen, de voorzieningenrechter in Kort Geding, uitgesproken tussen geïntimeerde als eiser en appellanten als gedaagden, en, opnieuw recht doende, geïntimeerde in haar vordering(en) niet ontvankelijk te verklaren, althans haar deze te ontzeggen, met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide instanties."

Bij memorie van antwoord is door Nijestee verweer gevoerd met als conclusie:

"De grieven van appellanten als ongegrond af te wijzen, het ingestelde appèl als ongegrond af te wijzen, het bestreden vonnis van de Voorzieningenrechter van de rechtbank te Groningen in kort geding d.d. 22 augustus 2002 te bekrachtigen en tenslotte met veroordeling van appellanten in de kosten in beide instanties."

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellanten] hebben drie grieven opgeworpen.

De beoordeling

Met betrekking tot de feiten

1. Als gesteld en erkend, dan wel niet (voldoende) gemotiveerd betwist, staat tussen partijen voorshands het volgende genoegzaam vast:

- Nijestee verhuurt aan [appellanten] de flatwoning (middelhoog) aan de [adres] te [woonplaats].

- De Woningbouwvereniging Groningen, de rechtsvoorgangster van Nijestee, heeft in de loop van 1999 en 2000 klachten over [appellanten] ontvangen van omwonenden. Nijestee heeft [appellanten] daarvan melding gedaan bij brief van 12 april 2000 en hen gewaarschuwd voor eventuele consequenties voor het geval de overlast zou voortduren.

- [appellante 1] heeft bij brief van 22 april 2000 aan die Woningbouwvereniging laten weten dat zij betwist dat zij overlast veroorzaakt voor haar buren. Wel geeft zij in die brief toe dat er met enige regelmaat drugsverslaafden bij haar over de vloer komen.

- Bij brief d.d. 26 juli 2001 zijn [appellanten] door [relatiebeheerder], relatiebeheerder, op de hoogte gesteld van het feit dat wederom klachten inzake overlast bij hem waren binnengekomen. [appellanten] zijn in deze brief gesommeerd met het veroorzaken van overlast te stoppen.

- Bij brief van 6 februari 2002 zijn [appellanten] door Nijestee op de hoogte gesteld van het feit dat er bij diverse klachteninstanties klachtmeldingen zijn binnengekomen. In bedoelde brief worden [appellanten] uitgenodigd voor een gesprek.

- Bedoeld gesprek heeft, blijkens een daarvan opgesteld gespreksverslag (productie 7 bij conclusie van eis in eerste aanleg) plaatsgevonden op 12 februari 2002, zij het dat daaraan van de zijde van [appellanten] alleen is deelgenomen door [appellante 1]. Laatstgenoemde heeft in dat gesprek toegegeven dat er bij haar junks over de vloer komen, doch zij betwist dat er drugs worden verhandeld. Namens Nijestee is aan [appellante 1] medegedeeld dat niet zal worden geaccepteerd dat er mensen om haar willen verhuizen en dat overlast en bedreigingen tot het verleden moeten behoren, daar er anders juridische stappen zullen volgen.

- Op 22 mei 2002 heeft [buurvrouw], stadswacht bij de Regiopolitie Groningen en woonachtig aan de [adres] te [woonplaats], bij de Regiopolitie Groningen aangifte gedaan van mishandeling door [appellante 1] op 21 mei 2002, op het moment dat zij thuiskwam. Uit een als productie 9 overgelegd medisch rapport blijkt onder meer dat zij een blauwe plek onder haar linkeroog, een krab op haar wang en een blauwe plek op haar bovenbeen had.

- Uit een als productie 10 bij conclusie van eis in eerste aanleg van geschreven brief d.d. 31 mei 2002 van [districtscoordinator], districtscoördinator Stichting Veiligheidszorg Groningen en leidinggevende van genoemde [buurvrouw], gericht aan Nijestee, komt - zakelijk weergegeven - het volgende naar voren: [buurvrouw] is van de mishandeling op 21 mei 2002 door [appellante 1] en door het feit dat op 29 mei 2002 de ruit van haar voordeur bleek te zijn ingeslagen, zodanig geschrokken dat zij zich ziek heeft gemeld. Zij is zeer bang voor [appellante 1] en verzoekt daarom om toewijzing van een andere woning.

- Op 12 juni 2002 heeft een niet bij name genoemde medewerker van de Stichting WinG, opbouwwerker in de wijk [wijk] een schriftelijke verklaring afgelegd (productie 11 bij de conclusie van eis in eerste aanleg). In die verklaring doet de betrokken opbouwwerker verslag van gesprekken die hij heeft gevoerd met bewoners van de [straat waar appellanten wonen] inzake door de buren veroorzaakte overlast. Hij heeft daarbij geconstateerd dat de betrokken bewoners te angstig waren om hun klachten te melden en bang waren de overlast veroorzakende buren tegen te komen.

- Bij akte hebben [appellanten] een zestal verklaringen overgelegd van bewoners van de [straat waar appellanten wonen] te [woonplaats]. Uit vier van die brieven komt naar voren dat [appellanten]niet voor overlast zorgen. De beide andere brieven beschrijven de confrontatie van [appellante 1] en [buurvrouw] op 21 mei 2002 en geven aan dat [appellante 1] verhaal wilde halen bij [buurvrouw] en dat [buurvrouw] haar vervolgens heeft beetgepakt en geduwd, waarna [appellante 1] [buurvrouw] een klap in het gezicht gaf, waarna een vechtpartij is ontstaan.

- In eerste aanleg is de zaak eerst behandeld ter zitting van 25 juni 2002. Aldaar zijn een aantal (voormalige)omwonenden, [medewerker meldpunt Overlast] van het meldpunt Overlast, de heer [medewerker steunpunt huren] van het steunpunt Huren en [rayonmedewerkster], rayonmedwerkster in dienst van Nijestee als informanten gehoord. De voorzieningenrechter heeft de zaak vervolgens aangehouden teneinde de voormalige buurtagent [voormalig buurtagent] en mevrouw [buurvrouw] te kunnen horen. Op 12 augustus 2002 is de behandeling voortgezet. Genoemde [voormalig buurtagent] is toen als informant gehoord. [buurvrouw] heeft te kennen gegeven niet te willen worden gehoord.

Bij inleidende dagvaarding in eerste aanleg vordert Nijestee op basis van de door haar gestelde overlast bij wijze van voorlopige voorziening veroordeling van [appellanten] tot - kort gezegd - ontruiming c.a. van de woning aan de [adres appellanten] te [woonplaats].

[appellanten] hebben de gestelde overlast betwist en verweren zich tegen de gevorderde voorziening.

Bij het vonnis, waarvan beroep, heeft de voorzieningenrechter de vordering van Nijestee toegewezen, onder veroordeling van Nijestee in de kosten van de procedure.

Met betrekking tot grief 1

2. In grief 1 stellen [appellanten] dat de voorzieningenrechter (voorshands) ten onrechte heeft geoordeeld dat door de Stichting voldoende aannemelijk is gemaakt dat zij overlast in de zin van bedreigingen en geluidsoverlast veroorzaken.

3. Het hof onderschrijft echter het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen, die in hoger beroep in de kern niet worden aangetast met andere stellingen en verweren dan reeds door de voorzieningenrechter zijn verworpen.

Het hof verwerpt de stelling van [appellanten] dat het overzicht van het Meldpunt Overlast over de periode december 1999 tot en met 31 mei 2002 en de verklaringen van een medewerkster van het Meldpunt Overlast, een medewerker van het Steunpunt Huren en van de voormalige wijkagent van de Regiopolitie Groningen, welke -zoals blijkt uit het beroepen vonnis - het standpunt van Nijestee ondersteunen, in het niet vallen bij de door [appellanten] in het geding gebrachte verklaringen van de directe buurtbewoners, die mededelen dat zij geen overlast in de zin van bedreigingen en geluidsoverlast van [appellanten] hebben ondervonden. Naast de ter zitting in eerste aanleg afgelegde verklaringen vindt het betoog van Nijestee immers ook krachtige ondersteuning in de vaststaande feiten.

4. Het hof tekent daarbij aan dat [appellanten] eraan voorbijzien dat de waardering van het geleverde bewijs aan het oordeel van de rechter is overgelaten (artikel 152 lid 2 Rv) .

5. De grief faalt.

Met betrekking tot grief 2

6. In deze grief klagen [appellanten] over het oordeel van de voorzieningenrechter dat de mishandeling van [buurvrouw] niet als een incident doch eerder als een ernstige vorm van agressie moet worden beschouwd. Volgens [appellanten] mist dit oordeel elke onderbouwing en is het volstrekt onbegrijpelijk, nu, in het licht van de verklaringen van [door appellanten ingebrachte schriftelijke getuige 1] en [door appellanten in gebrachte schriftelijke getuige 2], moet worden geconclusdeerd dat er sprake is geweest van een ruzie tussen twee buurvrouwen, waarbij [buurvrouw] als agressor moet worden aangemerkt. Voorts betwisten [appellanten] dat dat [buurvrouw] is getraumatiseerd door de beweerdelijke mishandeling, dat zij hierdoor heeft moeten verhuizen en dat zij wegens bedreiging door [appellanten] niet op de zitting heeft durven verschijnen als informante. Dat een en ander het geval is zou ook nergens uit blijken.

7. Nijestee voert hiertegen aan dat de mishandeling van mevrouw [buurvrouw] moet worden aangemerkt als de ergst denkbare vorm van agressie die de ene buurtbewoner de andere buurtbewoner kan aandoen. Volgens Nijestee past deze mishandeling volledig in de ontwikkelingen in de buurt in het voorjaar van 2002. Bedreigingen van [buurvrouw] door [appellante 1] in augustus 2002 hebben er volgens Nijestee verder voor gezorgd dat [buurvrouw] ondanks gedane toezeggingen niet ter zitting wilde verschijnen om een verklaring af te leggen.

8. Voorts wordt het standpunt van Nijestee onderschreven door de aangifte van mevrouw [buurvrouw], inhoudende dat zij door mevrouw [appellante 1] zonder aanleiding werd geslagen en geschopt en bij de keel werd gegrepen.

In het overzicht van het Meldpunt Overlast over de periode december 1999 tot en met 31 mei 2002, waaruit - kort gezegd - blijkt dat buurtbewoners regelmatig en slechts anoniem klagen over overlast die wordt veroorzaakt en bedreigingen die worden geuit door [appellanten] en hun medestanders, wordt steun gevonden voor het standpunt van Nijestee dat de gebeurtenissen op 21 mei 2002 niet op zich staan maar passen in de ontwikkelingen in de buurt.

De verklaring van de medewerker van Stichting Wing onderschrijft het standpunt van Nijestee dat de buurtbewoners angst hebben voor [appellanten] en dat zij zelfs hun klachten niet durven te melden.

Uit de medische rapportage inzake letsels en het huuropzeggingsformulier blijkt verder dat [buurvrouw] letsel heeft opgelopen ten gevolge van haar confrontatie met [appellante 1] en dat zij door die gebeurtenis dusdanig getraumatiseerd is geraakt dat zij zonder opzeggingstermijn haar huur heeft beëindigd.

Uit de in het vonnis van de voorzieningenrechter weergegeven feiten - waartegen geen grieven zijn gericht - blijkt voorts dat [buurvrouw] te kennen heeft gegeven geen verklaring ter zitting af te zullen leggen.

9. In het licht van de verklaringen en de stukken aangehaald in r.o. 8, een en ander in onderling verband en samenhang bezien, is het hof voorshands dan ook van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat [appellante 1] in de bewuste confrontatie met [buurvrouw] in ieder geval grof geweld heeft aangewend en dat deze confrontatie niet is aan te merken als een incident. Aan dit voorlopige oordeel doen de verklaringen van [de door appellanten ingebrachte schriftelijke getuigen] niet af, temeer nu uit beide verklaringen blijkt dat [appellante 1] [buurvrouw] een klap heeft gegeven.

10. Alhoewel aan [appellanten] kan worden toegegeven dat de kwalificatie "mishandeling" zoals die door de voorzieningenrechter is gebezigd, voorshands wellicht wat te ver gaat, moet - naar het voorlopige oordeel van het hof - worden vastgesteld dat de grief niet tot een andere beslissing leidt en derhalve geen doel treft.

Met betrekking tot grief 3

11. Deze grief heeft geen zelfstandige betekenis en behoeft derhalve geen behandeling.

Bewijsaanbod

12. Het hof passeert het aanbod van [appellanten] om hun stellingen te bewijzen door middel van getuigen, omdat uitgebreide bewijslevering het kader van een kort geding procedure te buiten gaat.

De slotsom

13. De grieven falen. Het beroepen vonnis dient te worden bekrachtigd. [appellanten] zullen als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure.

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het vonnis in kort geding waarvan beroep;

veroordeelt [appellanten] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot deze tot op heden aan de zijde van Nijestee op Euro 230,- wegens verschotten en op Euro 771,-wegens salaris.

Aldus gewezen door mrs. Mollema, voorzitter, Bax-Stegenga en Meijeringh, raden, en uitgesproken door mr Mollema, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mevrouw Haites-Verbeek als griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 20 augustus 2003.