Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2003:AI1223

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
20-08-2003
Datum publicatie
21-08-2003
Zaaknummer
Rolnummer 0200216
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2005:AR8871
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2005:AR8871
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van het hof kan voor de beoordeling van het onderhavige geschil in het midden blijven welke de precieze afspraken zijn die [failliet 1] en SNC hebben gemaakt met betrekking tot de levering en betaling van de kavels en de recreatiebungalows.

Waar het in het onderhavige geval om gaat is de vraag of de overeenkomsten tussen SNC en [appellant] betreffende de levering van de beide kavels, inclusief de uitvoering ervan, naar maatschappelijke opvattingen beschouwd "normale" rechtshandelingen zijn. Daarvan is, ook al gaat het over overeen-komsten om baat, in ieder geval geen sprake wanneer het gaat om in de zakelijke sfeer gesloten overeenkomsten waarbij de tegenprestaties niet - ook niet ten naaste bij - corresponderen met de waarde van hetgeen is verkregen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 20 augustus 2003

Rolnummer 0200216

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [appellant],

procureur: mr M.R. Bartels,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

in zijn hoedanigheid van curator in de faillissementen van de vennootschap onder firma [failliet 1], h.o.d.n. [failliet 1a], en van haar beide vennoten/natuurlijke personen [failliet 2], wonende te [woonplaats], en [failliet 3], wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiser,

hierna te noemen: de curator,

procureur: mr H.N.M.M. van Wilgenburg.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op respectievelijk 5 januari 2001, 24 augustus 2001 en 29 maart 2002 door de rechtbank te Groningen.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 17 mei 2002 is door [appellant] hoger beroep ingesteld van de genoemde vonnissen d.d. 24 augustus 2001 en 29 maart 2002 met dagvaarding van de curator tegen de zitting van 5 juni 2002.

De conclusie van de memorie van grieven luidt:

"te vernietigen de vonnissen, op 24 augustus 2001 en 29 maart 2002 door de rechtbank te Groningen uitgesproken tussen appellante als gedaagde en geïntimeerde als eiser onder nummer (48780/HA ZA 00-816-VR-) en, opnieuw rechtdoende, zo nodig onder verbetering en aanvulling van de gronden, geïntimeerde alsnog in zijn vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren, althans deze aan hem te ontzeggen als zijnde ongegrond en onbewezen met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide instanties."

Bij memorie van antwoord is door de curator verweer gevoerd met als conclusie:

"bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, het beroep te verwerpen en de door de rechtbank Groningen tussen partijen gewezen vonnissen d.d. 24 augustus 2001 en 29 maart 2002, zo nodig onder verbetering en/of aanvulling der gronden, te bekrachtigen, met veroordeling van appellante in de kosten van het hoger beroep."

Tenslotte hebben partijen arrest gevraagd en heeft het hof een dag bepaald waarop arrest zal worden gewezen.

De grieven

[appellant] heeft in totaal negenentwintig grieven opgeworpen.

De beoordeling

1. Noch tegen de vaststelling van de feiten door de rechtbank in rechtsoverweging

1 (a. t/m f.) in het aangevallen tussenvonnis d.d. 24 augustus 2001 als zodanig, noch tegen de in dat vonnis genomen beslissing omtrent de toedeling van de bewijslast en de formulering van de bewijsopdrachten zijn grieven gericht.

In de grieven 4 en 5 wordt echter wel geklaagd over de consequenties welke de rechtbank, volgens [appellant] ten onrechte, verbindt aan de vaststelling dat tussen [failliet 1] (hierna: [failliet 1]) en SNC Gold Landes Compagnie (hierna: SNC) afspraken zijn gemaakt met betrekking tot de levering van de kavels en de betaling daarvan (rechtsoverweging 1.a.). Het hof zal daarom uitgaan van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voorzover deze niet zien op de feiten welke door de grieven 4 en 5 worden bestreden.

2. Het gaat in dit geding - samengevat - om het volgende.

2.1. [failliet 1] heeft op een zestal kavels op "le Parc de l'Apanage" te Biscarosse (Frankrijk) recreatiebungalows gebouwd. De kavels behoorden toe aan SNC. Door [failliet 1] is met betrekking tot de op de kavels gebouwde bungalows geen recht van opstal gevestigd. [failliet 1] heeft met zes gegadigden voor de bungalows een koop/aannemingsovereenkomst gesloten. Nadat de bouw van de zes bungalows was gerealiseerd zijn de koop/aannemingsovereenkomsten met twee van de kopers ontbonden.

2.2. Op 22 december 1997 heeft [failliet 1] met [directeur appellant], directeur van [appellant], een koop/aannemingsovereenkomst gesloten met betrekking tot de levering en bouw van een Zweedse woning ter waarde van ƒ 950.913,--. Ter zake van de vooruitbetaling van de bouwtermijnen heeft [directeur appellant] zekerheid in de vorm van een bankgarantie bedongen. Omdat zij niet in staat was tot het verlenen van een bankgarantie, heeft [failliet 1] bij brief d.d. 5 januari 1998 aan

[directeur appellant] voorgesteld zekerheid te verschaffen door middel van overdracht van twee van de hiervoor genoemde recreatiebungalows.

2.3. De brief van 5 januari 1998 bevat (onder meer) de volgende passages:

"[appellant] treedt hierbij in de rechten van [directeur appellant], zodat bij een overdracht en teruglevering geen BTW probleem kan ontstaan.

De betalingen welke door [directeur appellant] namens [appellant] worden gedaan zullen primair gelden als betaling voor de woningen project Parc de L Apenage (...) en secundair als termijnbetalingen voor een door [failliet 1] te realiseren woning als omschreven in de koopovereenkomst van 20 december 1997.

(...)

[failliet 1] zal indien ze niet aan haar verplichtingen voldoet ter zake [directeur appellant], direct zonder verdere ingebrekestelling, het eigendomsrecht aan [directeur appellant] overdragen".

[directeur appellant] is met dit voorstel akkoord gegaan, waarna hij - op respectievelijk

9 januari 1998 en 20 januari 1998 een aanbetaling van in totaal ƒ 220.000,-- aan [failliet 1] heeft verricht.

2.4. Met haar brief van 21 april 1998 heeft [failliet 1] aan [directeur appellant] het volgende laten weten:

"Het spijt me je te moeten mededelen dat wij grote financiële problemen hebben. Ten aanzien van de huizen waarvan jij de zekerheid hebt, dreigt de huidige Franse grondeigenaar beslag te laten leggen op de woningen. Hierdoor worden jouw zekerheden zeer beperkt. Ik adviseer je, indien mogelijk de grond te kopen, zodat jij niet de dupe wordt van ons probleem via de Franse grondeigenaar. (...)"

2.5. In reactie daarop heeft [directeur appellant] bij brief van 1 mei 1998 aan [failliet 1] geschreven:

"(...) deel ik je hierbij formeel mede dat ik mij beroep op onze overeenkomst van 5 januari 1998. Inmiddels heb ik geregeld dat het dreigend beslag door [persoon] is afgewend door het grond te kopen en wil ik de woningen in Frankrijk formeel aan mij worden overgedragen.

Conform de afspraak dienen mijn betalingen op naam van [directeur appellant] te worden gecrediteerd en in plaats hiervan de facturen aan [appellant] te worden verstuurd, aangezien deze contractpartij is.

[appellant] verplicht zich om de woningen binnen een maand voor de koopprijs van Fl. 370.000,- vermeerderd met de door haar gemaakte kosten terug te zullen leveren aan [failliet 1] indien voor de financiële moeilijkheden een oplossing is gevonden. (...)"

In het kader van de hiervoor genoemde zekerheidsconstructie heeft [failliet 1] de door [directeur appellant] verrichte aanbetalingen ten bedrage van ƒ 220.000,-- met nota nr. 984067 gecrediteerd en op 5 mei 1998 voor datzelfde bedrag een factuur aan [appellant] gezonden met als omschrijving: "Levering woningen conform overeenkomst 5 januari 1998, te verrekenen met creditnota 980467".

2.6. Blijkens de daarvan opgemaakte notariële akten zijn op 15 mei 1998 de twee kavels waarop zijn gebouwd de bungalows, waarvan de koop-/aannemings-overeenkomsten met de oorspronkelijke kopers inmiddels waren ontbonden, door SNC aan [appellant] in eigendom overgedragen voor de koopprijs van Ff 168.840 per kavel. Uit een schrijven van 19 oktober 1999 van de Franse fiscale attaché te Brussel blijkt dat de vrije verkoopwaarde van de beide kavels, inclusief de daarop gebouwde bungalows, is getaxeerd op resp. Ff 900.000 (kavel no. 1) en

Ff 750.000 (kavel no. 2).

2.7. [failliet 1] is bij vonnis van de rechtbank te Assen d.d. 19 mei 1998 in staat van faillissement verklaard.

2.8. In zijn brief van 19 juni 1998 heeft de curator aan [appellant] geschreven:

"(...) Gelet op het vorenstaande ben ik voorshands van mening dat uw vennootschap gehouden is om de waarde van de opstallen aan de gefailleerde boedel te vergoeden. (...)"

2.9. Stellende dat [appellant] door de aankoop van de beide kavels tevens door natrekking eigenaar is geworden van de twee daarop door [failliet 1] gebouwde bungalows, terwijl de koopovereenkomst tussen SNC en [appellant] slechts de kavels tot onderwerp heeft, en [appellant] aldus ongerechtvaardigd is verrijkt, heeft de curator gevorderd veroordeling van [appellant] tot betaling aan de boedel van de door de Franse fiscus getaxeerde waarde van de kavels inclusief opstallen, verminderd met de betaalde kavelprijs, vermeerderd met de buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente.

2.10. Na door [directeur appellant] gevoerd verweer tegen die vordering, heeft de rechtbank bij het aangevallen vonnis d.d. 24 augustus 2001 beide partijen in de gelegenheid gesteld (aanvullend) bewijs te leveren. Bij het bestreden eindvonnis d.d. 29 maart 2002 heeft de rechtbank de vordering van de curator toegewezen tot een bedrag van Euro 183.668,99 te vermeerderen met wettelijke rente en de proceskosten. De rechtbank heeft het meer of anders gevorderde afgewezen.

3. De grieven 1 t/m 25 zijn gericht tegen het (tussen)vonnis d.d. 24 augustus 2001.

De grieven 1, 2 en 3 zien op de overwegingen van de rechtbank - onder 4.2 van dat tussenvonnis - met betrekking tot de verrijking van de rechtsopvolger van de grondeigenaar SNC, het ontstaan van een verplichting tot schadevergoeding en het toekennen aan de curator van een vorderingsrecht uit ongerechtvaardigde verrijking. De grieven 4 t/m 7 klagen over hetgeen de rechtbank onder 4.2.1. heeft overwogen aangaande de afspraken tussen SNC en [failliet 1] en hetgeen [failliet 1] met betrekking tot de bouw en de levering van de bungalows zou toekomen. Met de grieven 8 t/m 13 richt [appellant] zich tegen overweging 4.2.2., welke ziet op het oordeel van de rechtbank dat de verkoop door SNC aan [appellant] betrekking heeft op de kavels en niet expliciet ziet op het overdragen van de bungalows en op de gevolgen van een en ander. De grieven 15 t/m 19 zijn gericht tegen overweging 4.2.3., waarin het oordeel van de rechtbank omtrent de ongerechtvaardigde verrijking van [appellant] is neergelegd. Met de grieven 20 t/m 23 komt [appellant] op tegen hetgeen de rechtbank onder 4.3 heeft overwogen ten aanzien van de - vorm van de - door [appellant] te vergoeden schade van [failliet 1]. De grieven 24 en 25 komen op tegen het oordeel van de rechtbank onder 4.4.1 met betrekking tot de door de curator gestelde vernietiging van de rechtshandeling, bestaande in het verlenen van instemming met de toerekening van de door [directeur appellant] verrichte betalingen aan [appellant].

Met de grieven 26 t/m 29 richt [appellant] zich tegen het eindvonnis d.d. 29 maart 2002. De grieven 26 en 27 klagen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat [appellant] niet in het haar opgedragen bewijs is geslaagd en dat niet is aangetoond dat de verrijking van [appellant] is verminderd. Met de grieven 28 en 29 komt [appellant] op tegen het dictum van het vonnis.

De grieven lenen zich, gezien hun onderlinge verband en samenhang, voor gezamenlijke behandeling.

4. Vooropgesteld moet worden dat geen grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat op de onderhavige vordering, welke is gebaseerd op de stelling dat [appellant] ten koste van [failliet 1] ongerechtvaardigd is verrijkt, gelet op de onderlinge verhouding van partijen, hun nationaliteit en hun plaats van vestiging, Nederlands recht van toepassing is. Aan het hof komt dienaangaande dan ook geen ambtshalve oordeel toe omtrent de mogelijke toepasselijkheid van

- in casu - het Franse recht. Het onderhavige geschil zal dan ook - in navolging van de rechtbank - beoordeeld worden naar Nederlands recht.

5. Als uitgangspunt heeft te gelden - en dit is tussen partijen ook niet in geschil - dat [appellant] tengevolge van natrekking ook de eigendom heeft verkregen van de beide recreatiebungalows, die door [failliet 1] op de door [appellant] van SNC gekochte kavels zijn gebouwd.

De op ongerechtvaardigde verrijking gebaseerde vordering van de curator zal slechts kunnen slagen indien vast zal komen te staan dat [appellant] als gevolg van de transactie met SNC ten koste van [failliet 1] is verrijkt en deze laatste daardoor is verarmd, terwijl voor de verrijking geen rechtvaardigingsgrond aanwezig is.

6. Naar het oordeel van het hof kan voor de beoordeling van het onderhavige geschil in het midden blijven welke de precieze afspraken zijn die [failliet 1] en SNC hebben gemaakt met betrekking tot de levering en betaling van de kavels en de recreatiebungalows.

Waar het in het onderhavige geval om gaat is de vraag of de overeenkomsten tussen SNC en [appellant] betreffende de levering van de beide kavels, inclusief de uitvoering ervan, naar maatschappelijke opvattingen beschouwd "normale" rechtshandelingen zijn. Daarvan is, ook al gaat het over overeen-komsten om baat, in ieder geval geen sprake wanneer het gaat om in de zakelijke sfeer gesloten overeenkomsten waarbij de tegenprestaties niet - ook niet ten naaste bij - corresponderen met de waarde van hetgeen is verkregen.

7. De notariële akten van 15 mei 1998 laten naar het oordeel van het hof geen andere lezing toe dan dat de daarin neergelegde overeenkomsten tussen SNC en [appellant] slechts zien op de overdracht van de beide kavels en wel voor de prijs van Ff 168.840 per kavel. In de akten is immers vermeld dat de eigendom van de kavels het recht geeft daarop een huis neer te zetten, zonder dat daarin op eniger-lei wijze tot uitdrukking komt dat op dat moment de feitelijke situatie zo is dat elk van de beide kavels al is bebouwd met een recreatiebungalow, noch dat bij de prijs van de kavels met de waarde van die bungalows rekening is gehouden. Dat moet, gelet op de tekst van de akten en hetgeen onder 8. nog zal worden over-wogen, ook voor [appellant] zonneklaar zijn geweest. Het feit dat SNC door natrekking eigenaar was geworden van de bungalows is klaarblijkelijk door SNC niet in de van [appellant] bedongen koopprijs tot uitdrukking gebracht, zoals ook kan worden afgeleid uit de taxatie door de Franse fiscus. Weliswaar dateert deze taxatie van ongeveer anderhalf jaar na de overdracht aan [appellant], maar volstrekt onaannemelijk is dat de grondprijs in die tussenliggende tijd is gestegen tot het niveau van de getaxeerde waarde van het geheel (kavel mét bungalow).

8. Het gegeven dat SNC de kavels aan [appellant] heeft overgedragen voor de prijs in onbebouwde staat vormt overigens een aanwijzing voor de juistheid van de stellingen van de curator dat tussen SNC en [failliet 1] afspraken zijn gemaakt omtrent de overdracht van de kavels aan gegadigden voor een door [failliet 1] te bouwen bungalow en de afdracht van de prijs voor de kavels aan SNC. Anders valt immers niet te verklaren dat SNC in het onderhavige geval genoegen heeft genomen met betaling door [appellant] van - slechts - de waarde van de kavels in onbebouwde staat. [appellant] van haar kant moet daarentegen hebben begrepen dat de kavels met de daarop gebouwde bungalows een aanmerkelijk grotere waarde vertegenwoordigden dan de door haar aan SNC betaalde koopprijs, getuige ook de in haar brief d.d. 1 mei 1998 (productie 8 bij conclusie van eis) tegenover [failliet 1] uitgesproken verplichting "om de woningen binnen een maand voor de koopprijs van Fl. 370.000,- vermeerderd met de door haar gemaakte kosten terug te zullen leveren aan [failliet 1] indien voor de financiële moeilijkheden een oplossing is gevonden".

9. Het bestaan van een redelijke grond voor het feit dat [appellant] de kavels en, tengevolge van natrekking, ook de bungalows in eigendom heeft kunnen verwerven voor slechts de kavelprijs in onbebouwde staat, is gesteld noch ook gebleken. Eerder kan worden gesteld dat [appellant] in strijd met de redelijkheid en billijkheid heeft geprofiteerd van het nalaten aan de kant van [failliet 1] om ter zake van de bungalows een recht van opstal te vestigen en mitsdien ongerechtvaardigd is verrijkt.

Dat dit ten koste van [failliet 1] is gegaan, is voldoende aangetoond. [failliet 1] heeft immers de bungalows op de beide kavels gebouwd, terwijl, zoals de curator onweersproken heeft gesteld, daarvoor geen enkele tegenprestatie door SNC is verricht. Dat dit mogelijk het gevolg was van tussen [failliet 1] en SNC gemaakte afspraken doet hieraan op zich niet af. Feit blijft dat [failliet 1] door het bouwen van de bungalows kosten heeft gemaakt en mogelijk winst heeft gederfd, welke zij, naar door [appellant] niet is betwist, op generlei wijze vergoed heeft gekregen, uitsluitend doordat [appellant] in strijd met de redelijkheid en billijkheid ten koste van [failliet 1] naast de kavels ook de bungalows in eigendom heeft verworven. In die zin is sprake van ongerecht-

vaardigde verarming aan de zijde van [failliet 1]. Dat deze verarming mede het gevolg is van een omissie aan haar eigen zijde, immers het niet vestigen van een recht van opstal, doet aan het ongerechtvaardigd karakter van die verarming van [failliet 1] niet af.

Nu [appellant] bij de koop van de kavels door natrekking ook de eigendom heeft verkregen van de op de kavels gebouwde bungalows is, bezien in het licht van het vorenoverwogene, het causaal verband tussen haar verrijking en de verarming van [failliet 1] in voldoende mate gegeven.

10. Nu de verrijking haar grondslag vindt in de hiervóór genoemde gevolgen van de rechtshandeling tussen SNC en [appellant], waarbij [failliet 1] geen partij was, is het redelijk dat [appellant] gehouden is de waarde van haar verrijking, welke in casu gelijk staat aan de verarming van [failliet 1] bestaande uit de door deze geleden schade, aan (de boedel van) [failliet 1] te vergoeden. Het bedrag van de verrijking zal moeten worden vastgesteld op het moment waarop [appellant] is verrijkt.

11. Voor schadevergoeding in een andere vorm dan betaling van een geldsom acht het hof geen termen aanwezig. Zelfs indien juist zou zijn de stelling van [appellant] dat de bungalows als bouwpakket zijn verkocht en geleverd, dan staat daartegenover de stelling van de curator dat de bungalows op funderingen zijn gebouwd en aldus duurzaam met de grond zijn verenigd en aangesloten zijn op nutsvoorzieningen en ingericht. Het hof acht de curator aldus voldoende geslaagd in zijn betoog dat demontage van de woningen en teruglevering van het bouw-materiaal na afbraak in redelijkheid niet tot de mogelijkheden behoren, immers zou leiden tot een aanzienlijke nodeloze kapitaalvernietiging.

12. Naar het oordeel van het hof komen de door [directeur appellant] op 9 januari 1998 en 20 januari 1998 gedane aanbetalingen aan [failliet 1] van in totaal ƒ 220.000,-- niet in mindering op hetgeen [appellant] op grond van de onderhavige vordering wegens ongerechtvaardigde verrijking aan [failliet 1] verschuldigd is. De aanbetalingen zijn door [failliet 1] enkele dagen voor haar faillissement, en dus op een moment dat er onmiskenbaar sprake was van haar deplorabele financiële toestand, onverplicht toegerekend aan [appellant]. Vaststaat dat deze als rechtshandeling te duiden toerekening van [failliet 1] door de curator ex art. 43 Fw is vernietigd. Niet is gesteld of gebleken dat [appellant] deze vernietiging in rechte heeft aangevochten. Het door [appellant] gedane beroep op inbetalinggeving, dan wel schuldvernieuwing, wat daarvan ook zij, dient derhalve te worden gepasseerd. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat de bedoelde aanbetalingen ten bedrage van ƒ 220.000,-- door [directeur appellant] in privé zijn verricht.

13. Door [appellant] is gesteld dat zij ter zake van manco's aan de beide bungalows tot bedragen van ƒ 46.000,-- en ƒ 60.000,-- kosten heeft gemaakt. Ter voldoening aan de haar in eerste aanleg gegeven bewijsopdracht heeft [appellant], afgezien van een door haar zelf vervaardigde lijst met gebreken, ook lijsten met gebreken aan de overige vier bungalows van het project overgelegd. Het feit dat laatstbedoelde bungalows kennelijk gebreken vertoonden betekent niet dat dit ook bij de bungalows, welke [appellant] heeft verworven, het geval geweest is. Objectieve gegevens daaromtrent zijn niet in het geding gebracht noch overigens aangetoond. De van [appellant] zelf afkomstige lijst met gebreken is daarom onvoldoende om van de juistheid van de stellingen van [appellant] op dit punt uit kunnen te gaan.

Hetzelfde geldt met betrekking tot hetgeen [appellant] heeft aangevoerd met betrekking tot de naderhand door haar gestelde kosten groot ƒ 130.219,--, zoals vermeld op produktie E bij de akte na niet gehouden enquete in eerste aanleg. Ook hieromtrent ontbreken objectieve gegevens aangaande de juistheid van het door [appellant] gestelde. Daarbij komt dat niet uitgesloten is dat, zo [appellant] al kosten tot herstel heeft moeten maken, deze kosten op grond van het bepaalde in art. 6:212 lid 3 BW niet op de verrijking in mindering gebracht kunnen worden. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [appellant] na de brief aan haar van de curator d.d. 19 juni 1998 er rekening mee heeft kunnen en moeten houden dat zij wellicht met een verplichting tot vergoeding van schade wegens ongerechtvaardigde verrijking geconfronteerd zou kunnen worden.

Door [appellant] is in hoger beroep weliswaar alsnog uitdrukkelijk nader bewijs van de door haar gemaakte herstelkosten aangeboden, doch het hof is van oordeel dat dit bewijsaanbod, bezien in het licht van de bewijslevering in eerste aanleg, als niet concreet genoeg moet worden gepasseerd. Door [appellant] is immers niet aangegeven dat zij feitelijk (toch nog) over andere bewijsmiddelen beschikt dan de reeds door haar in eerste aanleg overgelegde, doch onvoldoende bevonden, schriftelijke bewijsmiddelen.

Slotsom

14. Het vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat de grieven falen. De vonnissen waarvan beroep dienen te worden bekrachtigd. [appellant] zal als in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding in hoger beroep worden veroordeeld.

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de vonnissen d.d. 24 augustus 2001 en 29 maart 2002 waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die tot aan deze uitspraak aan de zijde van de curator op Euro 870,-- aan verschotten en op Euro 2.269,-- aan salaris voor de procureur;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mrs. Mollema, voorzitter, Zuidema en Meijeringh, raden, en uitgesproken door mr Mollema, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mevrouw Haites-Verbeek als griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 20 augustus 2003.